Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:275

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
AWB 12/697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accoutant - echtscheiding - verzwijgen verhuurinkomsten? - uitbreiding van de klacht in hoger beroep - onheuse bejegening? - niet-aanpassen van datering in opdrachtbevestiging - opdrachtbevestiging vervalsing?

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants, geldigheid: 2014-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummer 12/697 10 juli 2014

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats 1], appellante van een uitspraak van de accountantskamer van 18 juni 2012, met nummer 11/2443 Wtra AK.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 16 juli 2012, bij het College binnengekomen op 17 juli 2012, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op de klacht, op 24 november 2011 door appellante ingediend tegen [naam 2] (hierna: betrokkene).

De accountantskamer heeft bij brief van 13 augustus 2012 stukken doen toekomen aan het College.

Bij brief van 5 september 2012 heeft appellante gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 12 september 2012 heeft appellante stukken ingediend.

Bij brieven van 23 oktober 2012 en 27 augustus 2013 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brieven van 29 oktober en 11 november 2013 heeft appellante nadere beroepsgronden en stukken ingediend.

Bij brieven van 21 en 25 november 2013 heeft betrokkene stukken ingediend.

Op 3 december 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Verschenen zijn appellante, bijgestaan door [naam 3], en betrokkene, bijgestaan door mr. H.E. van Berckel-Dekker, advocaat te Eindhoven.

Bij brief van 5 december 2013 heeft het College het onderzoek heropend. Bij brieven van 10 december 2013 en 16 januari 2014 heeft betrokkene een reactie ingediend. Bij brief van 19 december 2013 heeft appellante een reactie ingediend.

Betrokkene en appellante hebben bij brieven van 27, respectievelijk 28 februari 2014 ermee ingestemd een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Op 9 april 2014 heeft het College het onderzoek gesloten.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en betrokkene de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Wat betreft de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt allereerst verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0273), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Appellante keert zich uitsluitend tegen de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring van de accountantskamer van klachtonderdelen b, d en f.

3.2.1

Appellante acht onbegrijpelijk dat de accountantskamer heeft geoordeeld dat klachtonderdeel b strandt bij gebrek aan feitelijke grondslag en dat de accountantskamer heeft overwogen dat betrokkene de gezamenlijke advocaat van appellante en haar ex-echtgenoot [naam 4] (hierna: [naam 4]) heeft geattendeerd op de hem bekende verhuurinkomsten. Appellante voert daartoe allereerst aan, samengevat weergegeven, dat betrokkene wist van de omvang van deze inkomsten en deze niet heeft willen prijsgeven. Het College overweegt als volgt.

3.2.2

Klachtonderdeel b houdt in dat betrokkene de inkomsten van [naam 4] heeft gemanipuleerd, huurinkomsten verzwegen en stukken niet overgelegd. Het College stelt vast dat appellante ten aanzien van dit klachtonderdeel in de procedure bij de accountantskamer uitsluitend naar voren heeft gebracht dat betrokkene in het mede door hem opgestelde echtscheidingsconvenant van appellante en [naam 4], de hoogte van de inkomsten uit verhuur van [naam 4] van ongeveer € 100.000,- heeft verzwegen.

3.2.3

Volgens vaste rechtspraak van het College ligt het op de weg van de klager zijn klacht te motiveren en met bewijs te onderbouwen.

3.2.4

Vast staat dat de gezamenlijke advocaat, op grond van een door haar gemaakte berekening van de draagkracht van [naam 4], de door de aan appellante te betalen alimentatie (aanvankelijk) heeft vastgesteld op € 360,49 per maand. Niet is bestreden dat betrokkene tijdens een bespreking met deze advocaat op 28 juli 2009 heeft opgemerkt dat deze draagkrachtberekening niet volledig was en daarbij (onder meer) de vraag heeft opgeworpen ‘hoe om te gaan met huurpenningen’. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat betrokkene hiermee er geen blijk van heeft gegeven verhuurinkomsten van [naam 4] te hebben verzwegen of gemanipuleerd. Deze handelwijze duidt er niet op dat betrokkene niet bereid zou zijn geweest de advocaat ter zake nader te informeren, in aanmerking nemende de onweersproken stellingname van betrokkene dat hij ten tijde van de echtscheidingsonderhandelingen de precieze hoogte van alle verhuurinkomsten niet heeft geweten. Niet valt in te zien dat de (financiële) belangen van appellante met zich brachten dat betrokkene ten tijde van de echtscheidingsonderhandelingen was gehouden ongevraagd de hoogte van de verhuurinkomsten van [naam 4] (te becijferen en) kenbaar te maken. Appellante en [naam 4] zijn immers (vervolgens) onderling, zonder zich te baseren op een nadere, exacte draagkrachtberekening, een hogere alimentatie van € 800,- per maand overeengekomen, waarbij onder meer rekening is gehouden met het bestaan van (toekomstige) verhuurinkomsten van [naam 4]. Voorts is niet meer in geschil dat hun gezamenlijke advocaat het echtscheidingsconvenant heeft opgesteld en hierin (voornoem)de afspraken over de alimentatie heeft opgenomen. Gelet op het voorgaande is het betrokkene naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk aan te rekenen dat in het genoemde echtscheidingsconvenant (toekomstige) verhuurinkomsten van [naam 4] staan beschreven zonder vermelding van de hoogte ervan.

Deze grief faalt.

3.2.5

Voorts voert appellante tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b, samengevat weergegeven, het volgende aan.

Betrokkene heeft in strijd met de waarheid ter zitting bij zowel de klachtencommissie NIVRA/NOvAA als de accountantskamer, en in zijn schriftelijke reactie van 23 oktober 2012, verklaard dat hij pas in februari 2011 tijdens de procedure bij genoemde klachtencommissie wist van andere inkomsten uit verhuur van [naam 4] van de panden [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2]. Betrokkene heeft in het echtscheidingsconvenant laten opnemen dat de liquiditeitspositie van Nibi Exploitatie B.V. op dat moment slecht was, terwijl uit een rapport van [naam 5] van 3 februari 2012 volgt dat dit onjuist is. Betrokkene heeft bij het opstellen van het gezamenlijke vermogen van appellante en [naam 4] niet de feitelijke waarde van het pand [adres 2] te [plaats 2] aangehouden.

Het College overweegt dat deze verwijten eerst in hoger beroep zijn gemaakt en niet zijn terug te voeren op de oorspronkelijke klacht, waaronder het hiervoor in 3.2.2 nader vastgestelde klachtonderdeel f. Aangezien een uitbreiding van de klacht in hoger beroep bij het College niet mogelijk is, omdat dit in strijd zou komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocedure, zal het College deze verwijten niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.

3.3

Appellante stelt dat de accountantskamer ten onrechte klachtonderdeel d (gedeeltelijk) ongegrond heeft verklaard door niet aannemelijk te achten dat appellante tijdens een gesprek door betrokkene onheus is bejegend. Appellante voert aan dat betrokkene haar voorhield dat als zij geen medewerking zou verlenen aan het laten inschrijven van de echtscheiding op het gemeentehuis, [naam 4] failliet zou gaan, en dat betrokkene hiermee onacceptabele druk op haar heeft uitgeoefend. Hierbij moet volgens appellante het eerdergenoemde rapport van [naam 5] in aanmerking worden genomen, aangezien hieruit blijkt dat de financiële positie van [naam 4] niet slecht was.

Niet in geschil is het oordeel van de accountantskamer dat aannemelijk is dat appellante zich onder druk gezet heeft gevoeld toen zij op kantoor werd uitgenodigd, reden waarom de accountantskamer klachtonderdeel d deels gegrond heeft verklaard. Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat betrokkene in het desbetreffende gesprek met appellante de financiële situatie van [naam 4] aan de orde heeft gesteld. Het College acht met deze handelwijze weliswaar aannemelijk dat betrokkene bij appellante de door haar gevoelde druk niet heeft weggenomen, maar niet dat betrokkene haar onheus heeft bejegend.

De grief faalt.

3.4.1

Ten slotte stelt appellante aan de orde de ongegrondverklaring van klachtonderdeel f.

3.4.2

Het College gaat allereerst in op de stelling van appellante dat de accountantskamer ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat betrokkene de opdrachtbevestiging heeft geantedateerd op 9 december 2008.

Het College stelt voorop dat klachtonderdeel f in de procedure bij de accountantskamer mede omvat het verwijt dat betrokkene de onderhavige opdrachtbevestiging heeft geantedateerd. Ten aanzien van dit verwijt neemt betrokkene de volgende stellingname in:

" (…) [Het is] standaard procedure bij BDO dat wanneer zich een nieuwe opdracht aanbiedt, ter bevestiging van de afspraken een opdrachtbevestiging wordt opgesteld. De heer en mevrouw [naam 4]-[naam 1] lieten eind 2008 aan hun accountant weten dat zij voornemens waren van echt te scheiden en vroegen om begeleiding in dat kader.

In week 48 van 2008 heeft zodoende de heer [naam 6] van BDO een opdrachtbevestiging opgesteld. Om die reden is de opdrachtbevestiging gedateerd 9 december 2008.

Zoals uit de processtukken blijkt vingen de daadwerkelijke werkzaamheden van betrokkene op basis van deze opdrachtbevestiging aan in het vroege voorjaar van 2009. Zo vonden in maart 2009 enkele besprekingen plaats. Tijdens een van deze besprekingen hebben de heer en mevrouw [naam 4]-[naam 1] de opdrachtbevestiging toen ondertekend. Zij hebben bij het zetten van die handtekening (helaas) toen geen datum geplaatst op de stippellijn op pagina 3."

Het College is van oordeel dat nu de opdrachtbevestiging kennelijk in december 2008 is opgesteld en betrokkene deze kennelijk in het voorjaar van 2009 door partijen heeft laat ondertekenen zonder daarbij de datering (van 9 december 2008) aan te passen, hij daarmee als Accountant-Administratieconsulent onzorgvuldig heeft gehandeld bij het verlenen van een professionele dienst en derhalve in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, aanhef en onder c, van de Verordening gedragscode (AA’s) (hierna: VGC).

De grief slaagt in zoverre.

3.4.3

Voorts acht appellante onbegrijpelijk het oordeel van de accountantskamer dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan de klachtencommissie NIVRA-NOvAA overgelegde opdrachtbevestiging een vervalsing is. Zij heeft deze opdrachtbevestiging nooit gezien. Zij herkent weliswaar haar handtekening, maar deze staat op een los blad. Verder wijst zij erop dat betrokkene bij brief van 10 december 2013 een opdrachtbevestiging heeft overgelegd, waarbij de handtekening van [naam 7] ontbreekt, terwijl die wel staat op de opdrachtbevestiging die betrokkene aan de klachtencommissie van NIVRA-NOvAA heeft toegezonden.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de handtekening van appellante onbetwist onder het stuk staat en dat appellante heeft erkend de bewuste opdracht te hebben gegeven. Verder merkt betrokkene op dat hij om onduidelijke redenen op 10 december 2013 een verkeerde versie van de opdrachtbevestiging heeft gestuurd, en dat het College kan uitgaan van de versie die hij bij de klachtencommissie heeft ingediend.

Het bevreemdt het College dat betrokkene eerder een afschrift van de opdrachtbevestiging heeft overgelegd waarin op de laatste pagina een handtekening staat vermeld bij genoemde [naam 7] en deze handtekening op een latere door betrokkene verzonden afschrift ontbreekt. Het College kan echter er niet aan voorbijgaan dat deze afschriften voor het overige identiek zijn en dat niet in geschil is dat de afschriften dezelfde handtekening van appellante bevatten. Voorts heeft appellante haar stelling dat het blad waarop haar handtekening staat geen deel uitmaakt van de opdrachtbevestiging, in het geheel niet met concrete feiten onderbouwd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opdrachtbevestiging een vervalsing is.

De grief faalt in zoverre.

3.5

Op grond van het vorenstaande komt het College tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante gegrond is en de bestreden tuchtuitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij klachtonderdeel f – voor zover dat ziet op het verwijt dat betrokkene de onderhavige opdrachtbevestiging heeft geantedateerd – ongegrond is verklaard.

3.6

Het College ziet aanleiding de zaak zelf af te doen en verklaart op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, klachtonderdeel f deels gegrond.

3.7

Het College acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Hierbij neemt het in aanmerking de niet in het geding zijnde tuchtrechtelijke verwijtbare gedragingen van betrokkene waarover de accountantskamer in de bestreden uitspraak het volgende heeft overwogen (waar voor klaagster appellante moet worden gelezen):

" 4.10 De slotsom uit het voorgaande is dat de klachtonderdelen a, c en d (deels) gegrond zijn, in die zin dat betrokkene de opdracht tot begeleiding van de echtscheiding alleen had mogen aannemen nadat hij klaagster expliciet had gewezen op de bedreiging voor zijn onpartijdigheid/objectiviteit die was gelegen in het feit dat hij al jarenlang de accountant was van [naam 4]. Betrokkene heeft niet kunnen aantonen dat hij hieraan heeft voldaan. Ook bij de uitvoering van de opdracht had hij klaagster nadrukkelijk moeten wijzen op het belang een onafhankelijke taxateur in te schakelen voor het onroerend goed, omdat de waarde daarvan nogal kon verschillen afhankelijk van de gekozen waarderingsgrondslag. Ook hiervan is niet gebleken. Toen klaagster voorts niet (meer) wilde meewerken aan uitvoering van het echtscheidingsconvenant, had betrokkene de gezamenlijke advocaat moeten inschakelen en haar niet op eigen gezag moeten uitnodigen op zijn kantoor. Het vorenstaande brengt met zich dat geoordeeld moet worden dat betrokkene zich niet aan het door de VGC voorgeschreven conceptueel raamwerk in verband met het herkennen van bedreigingen, het treffen van adequate waarborgen en het vastleggen daarvan, heeft gehouden."

In de tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging van betrokkene als hiervoor uiteengezet in 3.4.2, ziet het College, gelet op de relatief geringe aard en ernst ervan, onvoldoende grond voor het opleggen van een zwaardere maatregel.

3.8

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4 De beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de bestreden tuchtuitspraak, voor zover daarbij klachtonderdeel f ziet op het verwijt dat betrokkene de onderhavige opdrachtbevestiging heeft geantedateerd, ongegrond is verklaard;

- verklaart klachtonderdeel f in zoverre gegrond; en

- legt betrokkene de maatregel van waarschuwing op.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J. Schukking, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. S.D.M. Michael