Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:274

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
AWB 12/862
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

strooien van maïs op de vloer van de stal

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-08-05
Regeling GLB-inkomenssteun 38p, geldigheid: 2014-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/862

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor steun ter verbetering van het welzijn van varkens op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) voor het jaar 2011 gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014.

Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

1.

Appellant heeft een varkenshouderij en heeft op 13 april 2011 een Gecombineerde Opgave 2011 ingediend. Hierbij heeft hij aangegeven dat hij voor het strooien van maïs, het verstrekken van voer op een dichte vloer en het ophangen van ongeknoopt touw in aanmerking wenst te komen voor een tegemoetkoming ter verbetering van het welzijn van varkens op grond van de Regeling.

2.

Op 1 november 2011 is er op het bedrijf van appellant een controle uitgevoerd. In het hiervan opgemaakte Rapport verbetering dierenwelzijn varkens (controlerapport) is geconstateerd dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming voor het strooien van maïs en het verstrekken van voer op een dichte vloer. Op basis van dit rapport heeft verweerder bij besluit van 7 mei 2012 de aanvraag voor een tegemoetkoming voor het ophangen van opgeknoopt touw goedgekeurd en aan appellant een bedrag van
€ 73.342,27 toegekend, na toepassing van een korting van 40% wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming voor de twee andere aangevraagde maatregelen.

3.

In het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van een tegemoetkoming voor het verstrekken van voer op een dichte vloer gegrond verklaard. Wat betreft de afwijzing van de tegemoetkoming voor het strooien van maïs is het bezwaar ongegrond verklaard. De korting is op grond van artikel 70d, tweede lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) verlaagd naar 20%, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor een tegemoetkoming voor het verstrekken van mais. Aan appellant is in totaal alsnog een bedrag van € 108.678,02 toegekend.

4.1

In geschil is of verweerder terecht in bezwaar de afwijzing van een tegemoetkoming voor het strooien van maïs heeft gehandhaafd en een korting van 20 % heeft opgelegd. Daarover overweegt het College als volgt

4.2.

Op grond van artikel 38p, eerste lid van de Regeling, zoals deze luidde tot 1 april 2012, wordt een tegemoetkoming verstrekt aan varkenshouders die één of meerdere van de in bijlage 7 omschreven managementmaatregelen verrichten. In die bijlage is als managementmaatregel 2 genoemd: het strooien van substraat bestaande uit mais op de vloer van de stal in een hoeveelheid van tenminste 100 gram per dierplaats per dag.

Ingevolge artikel 70d, tweede lid, van de Regeling, zoals deze luidde met ingang van 15 mei 2012, wordt de steun, indien komt vast te staan dat de landbouwer de voorwaarden voor betaling van steun als bedoeld in artikel 38p, eerste lid, zoals dit artikel luidde van 1 januari 2011 tot 1 april 2012 niet heeft nageleefd, verlaagd naar rato van de niet nageleefde managementmaatregelen en wordt een korting opgelegd van 20 % per niet nageleefde managementmaatregel, waarbij de steun met maximaal 100% verlaagd kan worden.


4.3 Het College is van oordeel dat uit artikel 38p, eerste lid, van de Regeling in verbinding met de omschrijving van de in bijlage 7 genoemde managementmaatregel 2 blijkt dat als voorwaarde voor toekenning van een tegemoetkoming voor deze maatregel geldt dat tenminste 100 gram maissubstraat per dierplaats per dag op de vloer van de stal moet worden gestrooid. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat deze maatregel is bedoeld om verveling van de varkens tegen te gaan en het welzijn van varkens te bevorderen. Hierbij is juist het strooien van de maïs op de vloer essentieel, omdat de varkens dan actief op zoek moeten naar voer.

4.4

Uit het controlerapport blijkt dat appellant bij de controle heeft aangegeven dat het strooien van maïs in de eerste week van opzet van de biggen wordt gedaan maar daarna niet meer. Ter zitting heeft appellant nader uiteengezet dat na die eerste week de maïs wel wordt verstrekt maar wordt gemengd met ander (nat) voer en in de troggen wordt gevoerd. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht aangenomen dat appellant de maïs niet op de vloer strooit. Dit betekent dat appellant niet voldoet aan de hiervoor in 4.3 genoemde voorwaarde voor toekenning van een tegemoetkoming voor de desbetreffende maatregel. Anders dan appellant heeft betoogd, is enkel het verstrekken van maïs hiervoor onvoldoende. Gelet op artikel 70d, tweede lid, van de Regeling heeft verweerder derhalve terecht de tegemoetkoming voor managementmaatregel 2 afgewezen.

4.5

Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de korting van 20 % had moeten berekenen over 100% van het totaal van de forfaitaire kosten voor het verstrekken van voer op een dichte vloer en het ongeknoopt ophangen van touw, zodat hem een bedrag aan steun van in totaal € 198.256 had moeten worden verleend. Naar het oordeel van het College ziet appellant hierbij over het hoofd dat de steun op grond van artikel 38p, tweede lid, van de Regeling maximaal 60 % bedraagt van de forfaitaire kosten, omschreven in bijlage 7. In overeenstemming met deze bepaling heeft verweerder de subsidiabele kosten terecht vastgesteld op 60 % van het totaal van de forfaitaire kosten voor evengenoemde maatregelen, zijnde € 148.692, zo blijkt uit de bij het bestreden besluit gevoegde berekening. Vervolgens heeft verweerder, gelet op artikel 70d, eerste lid, van de Regeling, op dit bedrag terecht een korting van 20 % in mindering gebracht.

5.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2014.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.C. Bannink