Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:256

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
AWB 13/510V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

8:54 Awb

Besluit

bestuurlijk rechtsoordeel

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54, geldigheid: 2014-07-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/510V

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2014 op het verzet van

[naam], te [woonplaats], appellant in verzet(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo)

Procesverloop

Appellant in verzet ([naam]) heeft tegen het besluit van 5 juni 2013 (het bestreden besluit) van de staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 6 februari 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:219) heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat beroep ongegrond verklaard.

[naam] heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en hij heeft verzocht om te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. [naam] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 In dit geval heeft het College uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb gedaan zonder zitting. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.2 Het beroep was gericht tegen het besluit van de staatssecretaris van 5 juni 2013, waarbij het bezwaar van [naam] tegen de brief van de staatssecretaris van 28 februari 2013 niet-ontvankelijk was verklaard, omdat in deze brief naar de mening van de staatssecretaris geen besluit was vervat. Naar de mening van [naam] was er wel sprake van een besluit, namelijk een herroeping van de bij eerdere besluiten inzake zijn recht op uitbetaling van bedrijfstoeslag vastgestelde oppervlakte van enkele bij hem in gebruik zijnde percelen.

1.3 Het College heeft met de staatssecretaris geoordeeld, dat de bij die brief gevoegde overzichten van de geregistreerde oppervlakte van de bij [naam] in de jaren 2010 en 2011 in gebruik zijnde percelen geen rechtsgevolg hadden. Immers de maximale bedrijfstoeslag was reeds bij rechtens onherroepelijk geworden besluiten vastgesteld en voor wat betreft een eventueel nog te nemen besluit op grond van de meststoffenwetgeving zou de oppervlakte niet als rechtens vaststaand kunnen gelden.

2.1 [naam] heeft tegen de uitspraak het volgende aangevoerd. Er heeft een controle plaatsgevonden op zijn bedrijf waarbij is onderzocht of hij de gebruiksnormen als bedoeld in de Meststoffenwet in 2010 heeft overschreden. Dit bleek niet het geval. Deze constatering betreft een besluit in de zin van de Awb, omdat hiertegen bezwaar en beroep open stond.
De staatssecretaris heeft in het kader van deze controle de oppervlaktes van de percelen 19 en 7 goedgekeurd. Nu de brief van 28 februari 2013 andere oppervlaktes vermeldt dan de ten tijde van de controle gehanteerde oppervlaktes en dan de opgave van [naam], kan deze brief niet anders worden beschouwd dan als een herziening hiervan en behelst deze brief een appellabel besluit. Hierbij komt dat de brief rechtsgevolg heeft voor de mestplaatsingsruimte en het voldoen aan de derogatienorm door [naam], omdat een kleiner vastgestelde perceelsoppervlakte leidt tot een kleinere mestplaatsingsruimte.

2.2 [naam] betoogt verder dat hij – anders dan het College heeft geoordeeld in de uitspraak van 6 februari 2014 – in een onmogelijke bewijspositie wordt gebracht, indien hij niet in rechte kan opkomen tegen de brief van 28 februari 2013. Immers hierin wijkt de staatssecretaris voor de geconstateerde oppervlaktes voor 2010 af van de opgave van [naam] terwijl de controleurs desgevraagd bij de controlebezoeken hebben bevestigd dat de opgegeven oppervlaktes voor 2010 waren goedgekeurd.

3.

De vraag ligt voor of het College het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en de uitspraak van 6 februari jl. in stand dient te blijven.

4.1.1 Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding.

4.1.2 De brief van 28 februari 2013 is geen besluit, omdat deze brief naar het oordeel van het College – anders dan wordt gesteld – geen rechtsgevolg heeft voor de mestplaatsingsruimte van [naam]. Immers de brief brengt geen verandering in die mestplaatsingsruimte. Bij een eventuele overtreding van de gebruiksnormen in het kader van de meststoffenwetgeving, wordt daarover apart een boetebesluit genomen, dat wel op rechtsgevolg is gericht en waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

4.2.1 Het betoog van [naam] dat ertoe strekt dat de brief dient te worden beschouwd als een appellabel besluit, omdat hierin een bestuurlijk rechtsoordeel is vervat, slaagt evenmin. Zoals het College heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 13 augustus 2002 (ECLI:NL:CBB:2002:AE6745), kan het geven van een als zelfstandig en definitief bedoeld rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van een wettelijke bepaling in de gegeven situatie ten aanzien waarvan een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft, in zeer bijzondere gevallen worden aangemerkt als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling, die bij de naar de materie bevoegde bestuursrechter kan worden aangevochten. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 juli 1998, AWB 97/153 (AB 1998/437), bestaat hiervoor slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een ten aanzien van betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter.

4.2.2 Het College is van oordeel dat hier geen sprake is van een rechtsoordeel als hiervoor bedoeld. Er is geen voor [naam] onevenredig belastende weg naar de rechter in die zin dat hij – zoals hij stelt – in een onmogelijke bewijspositie wordt gebracht, indien hij niet in rechte kan opkomen tegen de brief van 28 februari 2013. Dat zijn bewijspositie in een procedure op grond van de meststoffenwetgeving slechter zou zijn acht het College niet aannemelijk. Het College wijst erop dat [naam] de productie en aanwending van de mest en de daarvoor gebruikte percelen nu zo min als ten tijde van het bestreden besluit niet meer kan veranderen. Het bewijs dat [naam] nu in beroep zou willen leveren ter onderbouwing van zijn stellingen dat hij voldoet aan de derogatienorm en dat de staatssecretaris de oppervlaktes onjuist heeft vastgesteld, kan hij ook aanvoeren in een procedure tegen een eventueel boetebesluit. Voor zover hij hierbij bewijsproblemen ondervindt door het tijdsverloop sinds de controles worden deze niet anders in een procedure tegen een eventueel boetebesluit. Voor beide procedures zou appellant in verzet immers te maken hebben met het feit dat de betreffende controles meerdere jaren geleden plaatsvonden.

5.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 6 februari 2014 in stand blijft.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld