Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:247

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

lengte begunstigingstermijn

Wetsverwijzingen
Varkensbesluit 2a
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: Awb 14/303

11201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te [plaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr J.C.Q. Bult).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 2a, eerst lid van het Varkensbesluit voor 14 juni 2013 op te heffen. Verzoeker verbeurt een dwangsom van € 37.260 indien hij zijn gelten en zeugen dan niet in groepshuisvesting houdt.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 27 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en dit besluit geschorst tot zes weken na de datum van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 28 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker uitsluitend wat betreft de begunstigingstermijn gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 juli 2014.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om andermaal een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.

Verzoeker heeft een varkenshouderij in [plaats 2]. Als gevolg van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2014 is uitbreiding van de bedrijfsvoering op de huidige locatie aan de [adres 1] te [plaats 2] onmogelijk. Verzoeker beoogt verplaatsing van zijn varkenshouderij naar een nieuwe locatie aan de [adres 2]. Deze locatie heeft uit een oogpunt van planologie en milieuhygiëne de voorkeur van gemeente en provincie.

3.

Verzoeker acht de begunstigingstermijn die aan de last onder dwangsom is verbonden, niet toereikend. Daarbij is immers geen rekening gehouden met de overmachtssituatie waarin verzoeker zich bevindt. Met de voorgenomen bedrijfsverplaatsing is meer tijd gemoeid dan aanvankelijk werd verwacht. Dat komt vooral door allerlei vergunningprocedures. Per 1 juli 2014 aan de last voldoen is onmogelijk. Indien verzoeker de dwangsom verbeurt brengt dit de voorgenomen bedrijfsverplaatsing in gevaar.

4.

Verweerder hanteert als uitgangspunt dat het tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer behoort om tijdig aan de regels te voldoen. Al sinds de wijziging van het Varkensbesluit van 3 maart 2005 was bekend dat per 1 januari 2013 alle drachtige zeugen en gelten binnen de Europese Unie in groepen dienen te worden gehuisvest. De begunstigingstermijn kan niet onbeperkt worden verlengd. Verder uitstel zou neerkomen op het gedogen van een overtreding. Dit is in strijd met de handhavingsverplichting. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn is in dit specifieke geval voldoende rekening gehouden met de duur van de vergunningverlening, die in dit geval dermate uitzonderlijk was, dat deze het normale bedrijfsrisico overstijgt. Verder uitstel plaatst verzoeker echter in een voordeliger concurrentiepositie ten opzichte van andere bedrijven, die veelal reeds hoge kosten hebben moeten maken om aan de eisen van de verhoudingsgewijs duurdere groepshuisvesting te voldoen. Bovendien blijkt uit het rapport van DLV Bouw Milieu en Techniek B.V. (hierna: DLV) dat verzoeker naast verplaatsing van de bedrijfsvoering verschillende andere mogelijkheden ter beschikking staan om de overtreding spoedig te beëindigen. Dat zulks voor verzoeker extra kosten met zich brengt acht verweerder niet onevenredig.

5.1

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Vast staat dat verzoekster nog steeds artikel 2a, eerste lid, van het Varkensbesluit overtreedt. In geschil is of de begunstigingstermijn die aan de overtreder wordt gegund om zelf de overtreding te beëindigen, in dit specifieke geval toereikend is. Bij de beantwoording van die vraag moet rekening worden gehouden met de in het geding zijnde belangen.

5.2

De situatie van verzoeker is (onweersproken) als volgt. Verzoeker is zich bewust van de noodzaak om de huisvesting van zijn dieren aan te passen aan de nieuwste eisen op het gebied van dierenwelzijn. Nu uitbreiding van de stallen op de huidige locatie aan de [adres 1] planologisch onmogelijk en overigens ook ongewenst is, is de enige reële optie de bedrijfsverplaatsing naar de locatie aan de [adres 2]. Verzoeker heeft een voorlopig koopcontract getekend voor die locatie. De financiering van de locatie is nagenoeg rond. Realisering van de bedrijfsverplaatsing kost echter meer tijd dan aanvankelijk was voorzien. Verzoeker heeft inmiddels een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Er is met het oog op die aanvraag een voorontwerp bestemmingsplan opgesteld dat spoedig ter inzage gelegd zal worden. Een in overleg met de gemeente opgesteld tijdpad voorziet erin dat de planologische procedure in februari 2015 kan zijn afgerond. Verzoeker houdt er echter rekening mee dat de nieuwe stal pas in de loop van 2015 zal zijn voltooid. Voor de nieuwe locatie is al een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet verleend. Aan die vergunning is (onder meer) de voorwaarde verbonden dat de nieuwe stal en de uitbreiding van het aantal dieren aan de [adres 2] pas mag worden gerealiseerd nadat de intrekking van de vergunde rechten voor de varkenshouderij aan de [adres 1] heeft plaatsgevonden en het betreffende besluit onherroepelijk is. Verzoeker is van mening dat van hem redelijkerwijs niet meer kan worden verwacht dat hij thans stappen onderneemt die de voorgenomen bedrijfsverplaatsing in gevaar brengen.

5.3

Verweerder heeft in het kader van de bezwaarprocedure DLV verzocht om (onder meer) te verzoeken op welke wijze verzoeker zo spoedig mogelijk zou kunnen voldoen aan de eis met betrekking tot het huisvesten van dragende zeugen in groepen. Daarbij zijn vier alternatieven bekeken:
- interne aanpassing van de bestaande stal;

- inzet van een vleesvarkensstal aan de [adres 3] te [plaats 1];

- het huren van een extra locatie;

- vermindering van het aantal zeugen ten einde aan de huisvestingseisen te voldoen.

Enkele van die opties zijn volgens DLV zeker realiseerbaar, zij het dat deze voor het bedrijf leiden tot een (extra) kostenpost van € 27.500,- tot € 42.000,- op jaarbasis.

5.4

Verzoeker heeft deze conclusie gemotiveerd betwist, en benadrukt dat uitvoering van één van de door DLV geschetste opties zou leiden tot aanzienlijke extra kosten en mogelijk een doorkruising is van de voorgenomen verplaatsing van het bedrijf, die door alle betrokken overheidsinstanties als een “win-win situatie” wordt beschouwd.

5.5

Het belang van verweerder is gelegen in de verplichting die verweerder heeft om toe te zien op naleving van het Varkensbesluit en van Richtlijn 2008/120/EG. Verweerder bereiken signalen dat de Europese Commissie met bijzondere aandacht de ontwikkelingen in Nederland volgt. De situatie is dat het overgrote deel van de veehouderijen inmiddels aan de eisen op het gebied van de groepshuisvesting voldoet. Veel bedrijven hebben daartoe aanzienlijke investeringen moeten plegen, ofwel door aanpassing van bestaande stallen of door nieuwbouw. Nog slechts enkele bedrijven, waaronder die van verzoeker, zijn nog steeds in overtreding.

5.6

Het behoeft geen betoog dat het de taak van verweerder is om de regels te handhaven. Ook wordt onderkend dat verzoeker (inmiddels) al geruime tijd in overtreding is, dat hem, mede door de lange duur van de bezwarenprocedure, een aanzienlijke periode is gegund om de huisvesting van zijn dieren aan te passen, en dat hij een zeker risico heeft genomen door niet aanstonds te kiezen voor realisering van één van de andere door DLV geschetste scenario’s. Dit zou ongetwijfeld hebben geleid tot een aanzienlijke kostenpost en allerlei praktische bezwaren; anderzijds zou de overtreding van de huisvestingseisen dan vermoedelijk al zijn beëindigd.

5.7

Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder bij de Europese Commissie nog steeds geen bijzondere aandacht heeft gevraagd voor de casus van verzoeker, ondanks het gegeven dat voor verzoeker grote belangen op het spel staan. Er zijn tot op heden geen signalen vanuit de Europese Commissie gekomen dat het tijdelijk nog voortduren van overtredingen van de eisen op het gebied van groepshuisvesting ten aanzien van een klein aantal specifieke bedrijven niet wordt getolereerd, laat staan dat een zogeheten infractieprocedure wordt overwogen. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat de wijze waarop verzoeker thans zijn dieren huisvest, hoezeer ook in strijd met de nieuwste regels op het gebied van dierenwelzijn, uit een oogpunt van dierenwelzijn tot een onaanvaardbare situatie leidt. In die zin moet het belang van verweerder worden gerelativeerd.

5.8

Aan de andere kant staat het belang van verzoeker. Onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit leidt er toe dat verzoeker per 1 juli 2014 een dwangsom van € 37.260,- verbeurt. Verder ligt het in de rede dat verweerder vervolgens opnieuw een last onder dwangsom oplegt ten einde te bewerkstelligen dat de overtreding spoedig ongedaan wordt gemaakt. Welk door DLV gepresenteerd alternatief verzoeker ook zou uitvoeren, vast staat daarmee een periode van enkele weken tot enkele maanden is gemoeid. Bovendien is het niet onaannemelijk dat een dergelijke aanpassing van de bedrijfsvoering - nog afgezien van daarmee samenhangende praktische uitvoeringsproblemen - tot hoge kosten leidt, en daarmee de realisering van de voorgenomen bedrijfsverplaatsing in gevaar brengt.

5.9

Onder de gegeven omstandigheden dient het belang van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst.

5.10

De voorzieningenrechter zal, gelet op de in geding zijde belangen, bevorderen dat het bodemgeschil reeds tijdens een zitting in oktober of november 2014 door het College wordt behandeld.

5.11

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en
1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een
    bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van
mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. G.J.P. Leuverink