Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:240

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB 12/577
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2013:296
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak bestuurlijke lus

Wetsverwijzingen
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/22
PJ 2014/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/577 26 juni 2014

28201

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Textielgoederen en Aanverwante Artikelen, appellante,

tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 26 april 2012, met kenmerk 11/2284, in het geding tussen appellante en

Barts B.V., te Amsterdam (hierna: Barts).

Gemachtigden van appellante: mr. E. Lutjens en mr. B. Degelink, advocaten te Amsterdam.

Gemachtigde van Barts: mr. A.J. Abbing, advocaat te Amersfoort.

1 Het procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 december 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:296; hierna tussenuitspraak) heeft het College appellante opgedragen om binnen dertien weken na verzending van de uitspraak het bestreden besluit van 21 april 2011 te herstellen of te vervangen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, en bedoeld besluit aan het College te zenden.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft appellante het bestreden besluit van 21 april 2011 herzien en in de plaats daarvan aan Barts met ingang van 2 augustus 2006 een doorlopende vrijstelling verleend van de verplichting tot deelneming in de ouderdomspensioenregeling van en premiebetaling aan het bedrijfstakpensioenfonds (ten behoeve van alle werknemers geboren op of na 1 januari 1950). Voorts heeft appellante aan deze vrijstelling een vijftal voorwaarden verbonden.
Dit besluit heeft appellante bij brief van 15 april 2014 aan het College gezonden. In die brief heeft appellante toegelicht dat partijen naar aanleiding van een eerder besluit van
24 maart 2014 nader overleg hebben gevoerd. Dit heeft geleid tot een nieuw besluit van
15 april 2014, dat het besluit van 24 maart 2014 vervangt.

Bij brief van 16 april 2014 heeft Barts haar zienswijze over het besluit van 15 april 2014 naar voren gebracht.

Bij brief van 22 mei 2014 heeft het College aan partijen meegedeeld dat het College het onderzoek heeft gesloten.

2 De beoordeling door het College

2.1

In de tussenuitspraak heeft het College, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat het besluit van 21 april 2011, waarbij appellante de afwijzing van het verzoek om vrijstelling op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit) heeft gehandhaafd, niet op een deugdelijke motivering berust. Het College heeft in dit verband onder meer overwogen dat Barts recht op vrijstelling voor haar werknemers kan ontlenen aan het feit dat de werknemers van Barts, die door het in dienst treden bij de besloten vennootschap een andere werkgever hebben gekregen, al in een pensioenvoorziening deelnemen die ten minste zes maanden voor het moment van indienen van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, te weten 2 februari 2006, van kracht was.

In het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil heeft het College aanleiding gezien appellante met toepassing van artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zoals deze wet luidde vóór 1 januari 2013, op te dragen het gebrek in het bestreden besluit van 21 april 2011 te herstellen, of dit besluit te vervangen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellante het besluit van 15 april 2014 genomen.

In haar zienswijze over het besluit van 15 april 2014 heeft Barts het College bericht dat zij zich geheel in de inhoud van dit besluit kan vinden en het College verzocht appellante in de proceskosten te veroordelen.

2.2

Een en ander betekent dat de slotsom, op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen, is dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

Voorts dient appellante te worden veroordeeld in de proceskosten van Barts in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden voor de behandeling van het hoger beroep vastgesteld op € 1.217,50 op basis van 2,5 punten – te weten verweerschrift (1), verschijnen ter zitting (1) en schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus (0,5) – tegen een waarde van € 487 per punt, waarbij het gewicht op 1 is bepaald.

Ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van appellante een griffierecht van € 493 geheven.

3 De beslissing

Het College

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellante in de door Barts in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: duizend tweehonderdzeventien euro en vijftig cent).

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.O. Kerkmeester en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.G.M. van Ede