Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:237

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB 11/993
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag, kennelijke fout, bewijs begrazing

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/993

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2014 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Heerings).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 31 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2013, waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerder was vertegenwoordigd door [naam 2].
Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst, waarna verweerder in de gelegenheid is gesteld om te onderzoeken of sprake was van een kennelijke fout ten aanzien van perceel 1 in de Gecombineerde Opgave 2010 van appellant.

Verweerder heeft bij brief van 11 juli 2013 zijn standpunt hieromtrent kenbaar gemaakt. Appellant heeft hierop gereageerd. Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op
2 april 2014, waarbij appellant met bericht van verhindering niet is verschenen en verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Met de Gecombineerde Opgave 2010 heeft appellant uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd. Hij heeft daartoe 9 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 38.78 ha opgegeven en voor uitbetaling aangekruist. De percelen 4 en 5 zijn hierbij opgegeven met gewascode 2302. Deze code staat voor natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 12.587,67 na aftrek van een korting van € 2.081,03 in verband met een afgekeurde oppervlakte van 5.22 ha. Daarbij is de oppervlakte van perceel 1 vastgesteld op 6.41 ha, terwijl appellant deze ter grootte van 6.95 ha had opgegeven. Tevens zijn de percelen 4 en 5 afgewezen, omdat de hiervoor opgegeven gewascode vereist dat de percelen worden begraasd door runderen, schapen of geiten, en bij een controle is gebleken dat appellant geen van deze dieren houdt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

3.

In geschil zijn thans nog de door verweerder geconstateerde oppervlaktes van de percelen 1, 4 en 5.

4.1

Appellant stelt ten aanzien van perceel 1 dat verweerder ten onrechte een strook grond aansluitend aan dit perceel niet heeft aangemerkt als onderdeel hiervan, waardoor de geconstateerde oppervlakte van perceel 1 te klein is vastgesteld. Er is sprake van een kennelijke fout in de aanvraag, die mag worden hersteld. Verweerder had immers uit summier onderzoek van de aanvraag kunnen opmaken dat appellant ook deze oppervlakte als onderdeel van perceel 1 wenste op te geven voor zijn bedrijfstoeslag. Volgens appellant heeft hij perceel 1 samen met de naastgelegen strook grond met blauwe pen als één perceel omkaderd op de bedrijfskaart bij de Gecombineerde Opgave 2010. In zijn nadere reactie na de zitting van 3 juli 2013 stelt hij dat weliswaar niet het gehele perceel 1 met een blauwe lijn is omkaderd, maar dat de kennelijke fout alleen al blijkt uit het feit dat de oppervlakte van de strook grond van 0.5 ha samen met de geconstateerde oppervlakte van perceel 1 van 6.35 ha correspondeert met de door appellant opgegeven oppervlakte van 6.85 ha voor dit perceel.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende strook grond geen onderdeel uitmaakt van perceel 1, maar een apart gewasperceel is. Appellant heeft de oppervlakte hiervan niet opgegeven voor zijn bedrijfstoeslag, omdat hij deze niet heeft ingetekend op de bedrijfskaart. De door appellant gestelde met pen aangebrachte omkadering van de strook als onderdeel van perceel 1 blijkt bovendien niet uit de originele bedrijfskaart. Van een kennelijke fout in de aanvraag ten aanzien van perceel 1 is geen sprake. De oppervlakte van het naast perceel 1 gelegen perceel is daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten.

4.3

Het College is van oordeel dat de betwiste strook grond een apart gewasperceel betreft dat geen onderdeel uitmaakt van de percelen 1 of 3. Een greppel scheidt dit perceel van het naastgelegen perceel 1. Appellant heeft op de bedrijfskaart in het perceel met het topografische perceelsnummer 87.78 uitsluitend het cijfer 1 ingevuld. Hij heeft de voorbedrukte topografische begrenzing van perceel 1 niet gecorrigeerd. Op grond van de door verweerder overgelegde originele bedrijfskaart behorend bij de Gecombineerde Opgave 2010 van appellant is evenmin kunnen blijken dat het betwiste perceel van 0.50 ha samen met perceel 1 door appellant met blauwe pen is omkaderd. Een en ander leidt het College tot het oordeel dat appellant het bewuste perceel met een oppervlakte van 0.50 ha niet heeft ingetekend en dat niet kan worden staande gehouden dat appellant dit perceel heeft opgegeven.
Voor zover appellant verweerder in bezwaar heeft verzocht om dit perceel alsnog in zijn aanvraag te betrekken geldt dat wijzigingen van de aanvraag na 11 juni 2010 op grond van de artikelen 11, 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 niet kunnen worden aanvaard. Dit zou slechts anders zijn in het geval van een kennelijke fout in de aanvraag als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 die te allen tijde mag worden hersteld. Van een kennelijke fout zou alleen sprake kunnen zijn indien verweerder reeds bij een summiere beoordeling van de aanvraag tot de conclusie had moeten komen dat deze aanvraag blijkbaar niet in overeenstemming met de bedoelingen van de aanvrager kon zijn. Voor verweerder waren er echter geen concrete aanwijzingen dat appellant het gewasperceel in kwestie blijkbaar ook wenste aan te vragen. De enkele omstandigheid dat de optelsom van beide percelen (ongeveer) correspondeert met de door appellant opgegeven oppervlakte van
perceel 1 van 6.85 ha is daarvoor onvoldoende. Van een kennelijke fout is dan ook geen sprake, zodat verweerder de oppervlakte van perceel 1 terecht heeft geconstateerd zonder hierin de oppervlakte van het betwiste perceel te betrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Ten aanzien van de percelen 4 en 5 stelt appellant dat deze in 2010 zijn begraasd door schapen. Dit vond plaats op grond van een mondelinge overeenkomst en tegen betaling in de vorm van het onderhoud van het betreffende perceel. Verweerder had de begrazing zelf kunnen constateren in de periode juli tot februari, maar heeft dit kennelijk nagelaten. Zo nodig is appellant bereid alsnog de ten aanzien van de begrazing gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen.

5.2

Verweerder stelt hiertegenover dat de opgegeven gewascode vereist dat de percelen begraasd worden door runderen, schapen of geiten. De begrazing wordt beoordeeld aan de hand van de registratie van dieren en van de verplaatsing hiervan van het ene naar het andere UBN in het I&R-register. Bij een controle is gebleken dat appellant geen van deze dieren aanhoudt, waardoor er geen sprake is van een landbouwactiviteit middels begrazing. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant aangegeven dat de percelen in 2010 werden begraasd door schapen, maar hij heeft dit niet aangetoond.

5.3.1

Artikel 21a, eerste lid, van de Regeling luidt: " Heide en natuurlijk grasland worden als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 73/2009 in aanmerking genomen indien deze percelen gedurende het betreffende premiejaar door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen." Nu appellant de percelen 4 en 5 heeft opgegeven als natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit diende hij deze percelen te laten begrazen door schapen, geiten of runderen.

5.3.2

Vast staat dat uit het I&R-register niet blijkt dat er in de relevante periode op het bedrijf van appellant schapen zijn geweest. Anders dan appellant stelt is het aan hem en niet aan verweerder om aannemelijk te maken dat hij in weerwil van de registratie in het I&R-register ten tijde van belang wel schapen hield op deze percelen. Naar het oordeel van het College is echter onvoldoende bewijs voorhanden om aan te nemen dat aan de hier geldende GVE-eis van begrazing met tenminste 0,15 GVE per hectare is voldaan. Uit het I&R-register blijkt immers dat appellant in 2010 geen dieren op zijn bedrijf heeft gehad. Appellants stelling dat sprake was van een mondelinge overeenkomst over de begrazing van het perceel is niet toereikend als tegenbewijs om toch aan te nemen dat de in geding zijnde percelen in 2010 in voldoende mate zijn begraasd. Naar het oordeel van het College moet het er voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling daarom voor worden gehouden dat op de percelen 4 en 5 van appellant geen, althans in onvoldoende mate schapen hebben gegraasd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld