Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:233

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/628
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontheffing zondagopenstelling 35-jarig jubileum, bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard, procesbelang: schadevergoeding

Wetsverwijzingen
Winkeltijdenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/628

12500

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2014 in de zaak tussen

[naam 1], h.o.d.n. [naam 2], te [plaats], appellante

(gemachtigde: [naam 3]),

en

burgemeester en wethouders van Geertruidenberg, verweerders

(gemachtigden: A.J. Mallens en C.A.W.A. Pieper).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 hebben verweerders aan [naam 4] v.o.f. te [plaats] (hierna: [naam 4]) ontheffing verleend voor het openstellen van haar winkels op zondag 28 april 2013.

Bij besluit van 9 augustus 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2014. Voor partijen zijn hun gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1.

Verweerders hebben het 35-jarig bestaan van [naam 4] aangemerkt als een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard en hebben op verzoek een ontheffing verleend ten behoeve van de openstelling van de winkels van [naam 4] en [naam 5] op zondag 28 april 2013. Appellante, gevestigd aan het [adres] te [plaats], heeft tegen deze openstelling bezwaar gemaakt.

2.

Verweerders hebben overwogen dat appellante geen procesbelang meer heeft omdat zij hetgeen zij met haar bezwaar heeft beoogd niet meer kan bewerkstelligen. Zij heeft evenmin aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de ontheffing schade heeft geleden.

3.

Appellante voert aan dat zij nog belang heeft. Ten tijde van het besluit op bezwaar gold de Winkeltijdenverordening Geertruidenberg 1998 (hierna: Verordening). Onder de werking van die verordening moest een (individuele) ontheffing worden verleend en was er nog geen sprake van een zodanige verruiming van de regelgeving dat een ontheffing niet meer nodig was. Het belang van appellante is daarnaast gelegen in het feit dat zij geen gelegenheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen en ook in het feit dat bij het verlenen van de ontheffing haar belangen niet kenbaar zijn meegewogen. Voldoende belang is ook gelegen in de vaststelling dat haar belangen stelselmatig worden genegeerd, alsmede in het feit dat zij ten gevolge van de ontheffing schade heeft geleden.

Ter zitting van het College heeft appellante hieraan toegevoegd dat er geen sprake is van een 35-jarig jubileum en evenmin van een gebeurtenis met betrekking tot meerdere winkeliers. Er is dus geen sprake van een ‘groepering van ondernemingen’ zoals vereist in artikel 3 van de Verordening.

4.1

Het College overweegt als volgt. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden ten gevolge van de aan [naam 4] verleende ontheffing. Niet in geschil is immers dat [naam 4] een concurrent van appellante is, zodat kan worden aangenomen dat appellante enig omzetverlies heeft geleden doordat zij op de bewuste zondag 28 april 2013 haar winkel niet mocht openstellen en [naam 4] wel. Hier komt bij dat appellante ter zitting van het College heeft gesteld dat zij de geleden schade zal gaan verhalen op [naam 4] en op verweerders. Tegen deze achtergrond heeft appellante belang bij de beoordeling van haar beroep tegen het besluit op bezwaar, ook al zal de openstelling van [naam 4] op 28 april 2013 niet ongedaan gemaakt worden.

4.2

In het voorgaande ligt tevens besloten dat verweerders het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard. Appellante heeft immers (ook) op de hoorzitting bij verweerders aangegeven dat zij de geleden schade zal verhalen op [naam 4] en verweerders. Gelet daarop had appellante belang bij een inhoudelijke beslissing op haar bezwaar tegen de verleende ontheffing. Nu verweerders in hun besluit van 9 augustus 2013 het bezwaar van appellante niet inhoudelijk hebben beoordeeld, zal het College dit besluit vernietigen.

4.3

Met betrekking tot de vraag of verweerders de gevraagde ontheffing hebben kunnen verlenen overweegt het College als volgt. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan de hier aan de orde zijnde ontheffing worden verleend in geval van braderieën, kermissen, carnaval, sportevenementen, beurzen, jubilea en andere dergelijke evenementen en feestelijkheden van, voor, dan wel ter plaatse gevestigde groeperingen van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf, waarbij nadrukkelijk sprake moet zijn van plaatselijk dan wel gemeentelijk belang. Het College volgt appellante in haar stelling dat krachtens dit artikel geen ontheffing kan worden verleend aan een individuele onderneming, maar dat het bij een dergelijke ontheffing steeds moet gaan om een groepering van ondernemingen. [naam 4] is echter een vennootschap onder firma en is derhalve één onderneming. Dat de twee door [naam 4] geëxploiteerde winkels een ‘groepering van ondernemingen’ zouden vormen, zoals verweerders ter zitting hebben betoogd, geeft blijk van een onjuiste opvatting.

4.4

Het College concludeert dat geen grondslag bestond om de gevraagde ontheffing te verlenen. In dit oordeel ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 23 april 2013 te herroepen.

5.

Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 9 augustus 2013;

  • -

    herroept het besluit van 23 april 2013;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2014.

w.g. E. Dijt w.g. E. van Kerkhoven