Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:231

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
AWB 11/648
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag ontheffing van de zgh. 12-uursmelding (artikel 57b Uitvoeringsregeling Meststoffenwet) voor uitvoer van meststoffen naar het buitenland

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2120
JBO 2014/132 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 11/648

16099

Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2014 in de zaak tussen

Mineralenrecycling B.V., te Ede, appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om ontheffing van de zogenoemde 12-uursmelding, vervat in artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Regeling), afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2013. Partijen waren daarbij vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voor appellante is voorts verschenen [naam].

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen gelegenheid te geven met elkaar in overleg te treden over de mogelijkheid van een praktische oplossing van het geschil. Blijkens nader ingekomen stukken heeft dit overleg niet tot een voor beide partijen bevredigend resultaat geleid.

Het College heeft, na van partijen daarvoor toestemming te hebben gekregen, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten op 9 mei 2014.

Overwegingen

1.

Appellante exploiteert een intermediaire onderneming in het kader waarvan zij vrachten (nertsen-)mest naar Duitsland vervoert. Alvorens de mest wordt uitgevoerd, dient appellante ingevolge de toepasselijke voorschriften hiervan bij de Dienst Regelingen en de Voedsel- en Warenautoriteit mededeling te doen. Daarbij doet zich, naar appellante heeft uiteengezet, het probleem voor dat in zes dagen van de week ongeveer honderd uur wordt gereden. De kantoorbezetting van de autoriteiten waarbij de meldingen moeten worden gedaan beslaat zestig uur. Niet alle vrachten kunnen conform de planning worden uitgevoerd. Dat kan het gevolg zijn van plannings- en administratieve fouten, weersomstandigheden of verkeersproblemen. Het gevolg van een en ander is, zo heeft appellante betoogd, dat als een vracht eenmaal definitief is, het niet meer mogelijk is deze te veranderen, terwijl het twaalf uur na deze definitieve melding niet meer mogelijk is deze definitief gemelde vrachten in te trekken.

Dit heeft dan tot gevolg dat de Algemene Inspectie Dienst van tijd tot tijd afwijkingen blijft constateren tussen de daadwerkelijke ritten en hetgeen is gemeld. Dat kan dan weer de grondslag voor eventuele strafrechtelijke vervolging zijn, waarvan appellante verstoken wenst te blijven.

Dit alles heeft appellante, die zich precies aan de regels wil houden, ertoe gebracht om
bij brief van 18 oktober 2010 verweerder te verzoeken om een ontheffing in verband met de gewenste mogelijkheid om dergelijke mededelingen te corrigeren; appellante meent dat de in de regelgeving opgenomen correctiemogelijkheid voor haar bedrijfsvoering te beperkt is.

2.

Verweerder heeft dit verzoek als een aanvraag om een ontheffing van artikel 57b, derde lid, van de Regeling – zoals dit artikel per 1 januari 2011 luidt – aangemerkt. Het bestreden besluit heeft betrekking op de afwijzing van deze aanvraag. Aan de afwijzing legt verweerder ten grondslag dat met de bevoegdheid tot ontheffingverlening als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet (Msw) terughoudend moet worden omgegaan, waarbij van belang is dat een ontheffing alleen mag worden verleend met het oog op de belangen die de wettelijke bepalingen beogen te beschermen. Afwijking van de – mede in overleg met de sector – gestelde voorschriften acht verweerder ongewenst; een tijdige en correcte administratie is essentieel voor de controle. De door appellante aangevoerde financiële en commerciële belangen zijn volgens verweerder niet van zodanig gewicht dat deze in het kader van de belangenweging op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot toewijzing van de aanvraag nopen. Voorts zou toewijzing van de aanvraag ongewenste precedentwerking kunnen hebben.

3.

Appellante heeft in beroep benadrukt dat zij naast een financieel belang bij de ontheffing ook een belang heeft om niet geconfronteerd te worden met strafrechtelijke vervolging. Daarbij is verweerder voorbijgegaan aan het belang van appellante om haar afnemers op correcte wijze te bedienen, bij gebreke waarvan het risico alleszins aanwezig is dat deze afnemers afscheid zullen nemen van appellante. Verweerder maakt ten onrechte melding van het risico van precedentwerking. Hij gaat eraan voorbij dat appellante in feite de enige transporteur is die nertsenmest, in de omvang waarin appellante dat doet, exporteert. Appellante voert aan dat het voor haar, gegeven de regelgeving en de strikte wijze waarop deze wordt toegepast, niet mogelijk lijkt, ondanks alle inspanningen die zij zich getroost, om volledige naleving te garanderen.

Daarbij komt dat zij niet een volledige ontheffing nastreeft, maar een ontheffing die beperkt zou kunnen worden tot 1 procent van het aantal transporten dat zij verricht.

4.1

Het College overweegt in de eerste plaats dat artikel 38, tweede lid, Msw verweerder de bevoegdheid geeft om ontheffing te verlenen van bij of krachtens de Msw gestelde voorschriften, waaronder artikel 57b van de Regeling. De vraag die het College hier, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, dient te beantwoorden is of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot afwijzing van de aanvraag om ontheffing heeft kunnen komen. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

4.2

Het voorschrift waarvan ontheffing wordt verzocht – artikel 57b van de Regeling – houdt in dat bij vervoer van mest buiten Nederland in beginsel ten minste drie werkdagen voor het laden een elektronische mededeling daarvan aan de betrokken diensten van verweerder moet worden gedaan. Deze mededeling kan tot uiterlijk twaalf uur voor het laden elektronisch worden gewijzigd. Indien korter dan twaalf uur voor het transport blijkt dat het transport niet op de geplande datum kan plaatsvinden, dient de vervoerder de mededeling elektronisch in te trekken; het gevolg daarvan is dat hij, als het vervoer op een latere datum alsnog doorgaat, een nieuwe mededeling moet doen.

Het voorschrift dient ertoe effectief toezicht mogelijk te maken op landgrensoverschrijdende meststromen. De termijn van twaalf uur is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Regeling (Staatscourant 20 juli 2007, nr. 138, p. 14) gekozen om een balans te vinden tussen de belangen van de sector en het belang van de controles.

4.3

Uit de toelichting op het beroep blijkt dat appellante ontheffing van dit voorschrift heeft gevraagd omdat zij in ieder geval in een aantal gevallen per jaar in een situatie terechtkomt waarin zij kort voor het geplande vertrek een gedane mededeling moet intrekken.

4.4

Het College kan op zich zelf wel begrip opbrengen voor de opvatting van appellante dat de beperkingen die uit artikel 57b van de Regeling voortvloeien voor de mogelijkheid om op korte termijn wijzigingen in de vervoersplanning door te voeren, voor appellante hinderlijk (kunnen) zijn. Deze beperkingen zijn evenwel in het algemeen belang gesteld en het College is er niet van overtuigd dat appellante van deze beperkingen in relevante mate meer hinder ondervindt dan de overige ondernemers in de sector. Dat appellante, naar zij stelt, meer mest uitvoert dan andere partijen, is daartoe onvoldoende. Dit geldt ook voor de door appellante gestelde overmacht, die haar in haar visie belet om wijzigingen in alle gevallen tijdig door te geven; wat van dat laatste ook zij, appellante blijft immers ook dan in staat om in die gevallen de gedane mededeling in te trekken. De eventuele hierdoor veroorzaakte hinder is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Gelet hierop is het College van oordeel dat niet met vrucht kan worden gezegd dat de belangen van appellante zodanig bijzonder of zwaarwegend zijn dat deze, afgezet tegen het doel van het toezicht op de uitvoer van mest, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de gevraagde ontheffing van artikel 57b van de Regeling te verlenen. De hiervoor in 4.1 geformuleerde vraag beantwoordt het College derhalve ontkennend.

5.

Het beroep is ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. M.J. van Veen