Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:229

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/770
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:345, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College overweegt als volgt. Appellant stelt met zijn klacht uitsluitend aan de orde het handelen van registerloodsen in hun hoedanigheid van examinator in een commissie voor regionale loodsenexamens als bedoeld in artikel 5 van het Besluit adspirant-registerloodsen. Met betrekking tot een dergelijk handelen zijn geen van toepassing zijnde verordeningen of krachtens een verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15 van de Loodsenwet, aan te wijzen. Appellant heeft ook zelf, daarnaar gevraagd ter zitting van het College, dit handelen niet in verband kunnen brengen met overtreding van dergelijke regelgeving. Overigens biedt artikel 28, eerste lid, van de Loodsenwet geen grondslag voor hetgeen appellant met het indienen van zijn klacht beoogde, namelijk het door het tuchtcollege aanwijzen van nieuwe examinatoren voor een herbeoordeling van de verslagen van zijn examenreizen. Het College is derhalve van oordeel dat deze klacht geen betrekking heeft op een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Loodsenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummer 13/770 17 juni 2014

20400

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam] , te [woonplaats], appellant van een beslissing van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen van 23 augustus 2013, kenmerk TCL/2013/016.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft op 3 oktober 2013 hoger beroep ingesteld tegen genoemde beslissing van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen (hierna: tuchtcollege), gegeven op de door appellant ingediende klacht over het handelen van de (leden van de) commissie voor regionale loodsenexamens Scheldemonden.

Het tuchtcollege heeft bij brief van 1 november 2013 gereageerd op het verzoek van het College om toezending van de stukken.

Bij brief van 12 maart 2014 heeft het bestuur van de regionale loodsencorporatie Scheldemonden enkele stukken ingediend.

Op 25 maart 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.F. Dominicus, advocaat te Goes. Voor het bestuur van de regionale loodsencorporatie Scheldemonden zijn verschenen J.W.M. Siewe, bestuurslid, en A. Jobse, stafmedewerker beleid en juridische zaken bij de Nederlandse loodsencorporatie.

2 De grondslag van het geschil

2.1

Bij brief van 16 juli 2013 heeft appellant bij het tuchtcollege een klacht ingediend. Appellant heeft hierin uiteengezet dat de commissie voor regionale loodsenexamens Scheldemonden (hierna: de examencommissie) hem niet onafhankelijk en niet op zijn capaciteiten heeft beoordeeld en daarmee heeft gehandeld in strijd met het Besluit adspirant-registerloodsen. Hij heeft het tuchtcollege verzocht nieuwe examinatoren aan te wijzen om de verslagen van zijn examenreizen te beoordelen.

2.2

Bij de bestreden beslissing heeft de voorzitter van het tuchtcollege zich ingevolge artikel 37, derde lid, laatste volzin, van de Loodsenwet onbevoegd verklaard van de klacht kennis te nemen. Volgens de voorzitter valt de klacht niet onder het bereik van artikel 28, eerste lid, van de Loodsenwet, omdat zij niet ziet op gedragingen van een individuele registerloods, maar op het functioneren van de examencommissie.

2.3

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 januari 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:345) ten aanzien van het afwijzingsbesluit van de examencommissie van 22 maart 2013 onder meer overwogen dat op grond van artikel 8:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd, en dat van schending van formele voorschriften niet is gebleken.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

De Loodsenwet luidt, voor zover hier van belang:

" Artikel 15

1. De ledenvergadering van de corporatie stelt de verordeningen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, vast, alsmede andere verordeningen, waaronder die in het belang van:

a. een goede beroepsuitoefening;

b. een doelmatige dienstverlening, waarbij ten minste dient te worden voorzien in:

1°. de verplichting van de registerloods zijn diensten tijdig en op non-discriminatoire wijze aan te bieden en te verlenen aan schepen als bedoeld in artikel 4, tweede lid; en

2°. de verplichting van de registerloodsen om in onderling verband zorg te dragen voor het vervoer ten behoeve van hun beroepsuitoefening en de verdere organisatie van de dienstverlening;

c. sociale voorzieningen voor registerloodsen en voor nabestaanden van overleden registerloodsen; en

d. een doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen van de corporatie.

2. In een verordening kan aan de algemene raad of aan het bestuur van een regionale corporatie de bevoegdheid worden verleend tot het geven van nadere voorschriften omtrent bij die verordening geregelde onderwerpen.

(…)

Artikel 28

1. De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enige overtreding van een verordening of van de krachtens een verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15. Voor een dergelijke overtreding kan een van de volgende maatregelen worden opgelegd:

a. berisping;

b. geldboete van ten hoogste € 2 250;

c. schorsing of beperking van de bevoegdheid voor de duur van ten hoogste één jaar;

d. verval of beperking van de bevoegdheid.

(…).

Artikel 37

1. Een zaak betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een regionale coporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

2. (…)

3. (…) Blijkt dat het tuchtcollege loodsen onbevoegd is, dan wijst de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk af.

4. (…).

Artikel 44

De artikelen 1, onderdeel b, 3, 4, eerste lid, 5, 31 tot en met 43 en 44 eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. van artikel 4, eerste lid, slechts de minimumboete van overeenkomstige toepassing is;

b. onder «de voorzitter van het bedrijfslichaam» in die artikelen telkens moet worden verstaan: de algemene raad of het bestuur van een regionale corporatie."

Artikel 5 van het Besluit adspirant-registerloodsen luidde ten tijde en voor zover hier van belang:

" Artikel 5

1. Er is in iedere regionale loodsencorporatie een commissie voor regionale loodsenexamens, die het examen afneemt ter afgifte van de schriftelijke verklaring dat de adspirant-registerloods het regionale loodsenexamen met goed gevolg heeft afgelegd.

(…)"

3.2

De bestreden beslissing is een beslissing op grond van artikel 37, derde lid, laatste volzin, van de Loodsenwet tot afwijzing van de klacht op de grond dat het tuchtcollege onbevoegd is van de klacht kennis te nemen. Ingevolge artikel 44 van de Loodsenwet staat, met overeenkomstige toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, tegen een beslissing van (de voorzitter van) het tuchtcollege hoger beroep open bij het College, tenzij tegen die beslissing verzet kan of kon worden gedaan.

3.3

Appellant stelt dat de bestreden beslissing onjuist is, omdat zijn klacht wel degelijk is gericht tegen gedragingen van individuele registerloodsen. Hij is immers door individuele registerloodsen op zijn kennen en kunnen beoordeeld. Zij hebben, op één na, hem aanvankelijk te kennen gegeven dat hij een positieve beoordeling zou krijgen, maar zij hebben hem daarna op de vergadering van de examencommissie negatief beoordeeld. Zij hebben daarmee gehandeld in strijd met het Besluit adspirant-registerloodsen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.4

Het College overweegt als volgt. Appellant stelt met zijn klacht uitsluitend aan de orde het handelen van registerloodsen in hun hoedanigheid van examinator in een commissie voor regionale loodsenexamens als bedoeld in artikel 5 van het Besluit adspirant-registerloodsen. Met betrekking tot een dergelijk handelen zijn geen van toepassing zijnde verordeningen of krachtens een verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15 van de Loodsenwet, aan te wijzen. Appellant heeft ook zelf, daarnaar gevraagd ter zitting van het College, dit handelen niet in verband kunnen brengen met overtreding van dergelijke regelgeving. Overigens biedt artikel 28, eerste lid, van de Loodsenwet geen grondslag voor hetgeen appellant met het indienen van zijn klacht beoogde, namelijk het door het tuchtcollege aanwijzen van nieuwe examinatoren voor een herbeoordeling van de verslagen van zijn examenreizen. Het College is derhalve van oordeel dat deze klacht geen betrekking heeft op een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Loodsenwet.

3.5

Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter van het tuchtcollege loodsen terecht geoordeeld dat het tuchtcollege ten aanzien van de onderhavige klacht niet bevoegd is en op die grond de klacht afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond.

4 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. W.E. Doolaard en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2014.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. S.D.M. Michael