Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:218

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
AWB 12/386 t/m 12/390
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Afwijzing en terugvordering van Europese uitvoerrestitutie voor runderen op grond van Verordening (EG) 817/2010 wegens handelen in strijd met Verordening (EG) 1/2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/386 t/m 12/390

7200

Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juni 2014 in de zaken tussen

1.

[naam 1], te [plaats], appellante in de zaken 12/386 en 12/387,

2.

Vion Livestock B.V., te Tilburg, appellante in de zaak 12/388,

3.

Masterrind GmbH, te Verden (Duitsland), appellante in de zaken 12/389 en 12/390,

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 mei 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder (destijds: het Productschap Vee en Vlees) de aanvragen van appellanten om uitvoerrestitutie (alsnog) afgewezen en reeds uitbetaalde restitutie – in geval van appellanten onder 1 en 2 verhoogd met 10% – teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij besluiten van 6 maart 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2014. Partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Van de kant van appellanten waren voorts aanwezig [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Voor verweerder was verder aanwezig J.F.M. de Leeuw, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1.

Appellanten hebben in 2010 partijen runderen uitgevoerd naar landen buiten de EU (Marokko, Algerije) en hebben daarvoor bij verweerder uitvoerrestitutie op de voet van Verordening (EG) nr. 612/2009 aangevraagd. Appellanten hebben bij de export van hun runderen vervoersbedrijf Van de Wetering B.V. in de arm genomen. Van de Wetering exploiteert ook opstallen die dienst doen als erkend verzamelcentrum (in de zin van Richtlijn 64/432/EEG) en erkende controlepost (in de zin van Verordening (EG) nr. 1255/97). Hier zijn de runderen in de vrachtwagens geladen, is hun gewicht vastgesteld en zijn de dieren gekeurd door dierenartsen van de NVWA. Vervolgens zijn de dieren uitgeladen en tussen de 15 uur en één week weer op stal in het verzamelcentrum geplaatst. Daarna zijn de dieren opnieuw ingeladen en daadwerkelijk vertrokken, waarbij de dieren voor vertrek niet opnieuw zijn gekeurd.

2.

De bestreden besluiten hebben betrekking op de afwijzing van de restitutieaanvragen en de terugvordering van de reeds uitgekeerde restitutie. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat appellanten, door de dieren bij het voor de tweede maal inladen niet (opnieuw) te laten keuren, in strijd hebben gehandeld met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1255/97 en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1/2005, hetgeen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 817/2010 verbeurte van de restitutie tot gevolg heeft.

3.

Appellanten voeren aan dat de transporten geheel in overeenstemming met de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005 hebben plaatsgevonden. Uit de op de transporten betrekking hebbende documenten blijkt onomstotelijk dat de dieren geschikt waren voor transport en dat ook de transportmiddelen voldeden aan de eisen. De controle als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1255/97 is volgens appellanten niet voorgeschreven in de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005 en kan dus niet tot verbeurte van restitutie leiden. De controle was in dit geval bovendien niet aan de orde omdat artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1255/97 het oog heeft op andere situaties.

4.

Verweerder doet de bestreden besluiten steunen op de stelling dat met het eerste inladen van de runderen het vervoer in de zin van artikel 2, aanhef en onder w, van Verordening (EG) nr. 1/2005 was begonnen; het vervoer werd met het uitladen onderbroken, en het bedrijf van Van de Wetering gold daarmee in het kader van dit vervoer als controlepost in de zin van Verordening (EG) nr. 1255/97 waar de runderen tijdens het vervoer rust krijgen. Door vervolgens bij het – tot na circa een week – opnieuw inladen de dieren niet (nogmaals) door een dierenarts te laten keuren hebben appellanten in strijd gehandeld met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1255/97 voorgeschreven controle door een dierenarts. Dit heeft in de visie van verweerder in ieder geval tot gevolg dat ook artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1/2005 niet in acht is genomen.

5.1

Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst het College naar de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

5.2

Het College volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het bedrijf van Van de Wetering ten aanzien van de hier aan de orde zijnde partijen runderen als controlepost moet worden aangemerkt. Uit de doelstelling en systematiek van Verordening (EG) nr. 1255/97 volgt dat het bij controleposten gaat om plaatsen waar de dieren 'onderweg' (artikel 4) tijdens een transport over lange afstand worden opgevangen en waar ook wordt gecontroleerd of de dieren geschikt zijn voor 'verder' vervoer (artikel 6). Dit veronderstelt dat het vervoer daadwerkelijk is begonnen in die zin dat het feitelijk tot verplaatsing van de dieren met een vervoermiddel is gekomen als begin van een transport over lange afstand. Aangezien de dieren na het laden weer op stal werden gezet en niet in deze zin werden verplaatst, was van een dergelijk vervoer geen sprake.

De verwijzing van verweerder naar de definitie van 'vervoer' als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder w, van Verordening (EG) nr. 1/2005 – ingevolge welke ook het laden deel uitmaakt van het vervoer – kan hem niet baten. Uit deze definitie volgt dat het laden, indien dat met het oog op een reële verplaatsing geschiedt en aldus daarmee samenhangt, het aanvangspunt van het vervoer kan vormen. Als het laden geschiedt met als doel om de dieren te wegen, zoals hier het geval, en niet samenhangt met een reële verplaatsing, kan geen sprake zijn van vervoer in de zin van artikel 2, aanhef en onder w, voornoemd.

Nu uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van (het aanvangen van) vervoer, kan het bedrijf van Van de Wetering ten aanzien van de hier aan de orde zijnde partijen runderen niet als controlepost worden aangemerkt. Gelet hierop kan de motivering die verweerder aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd geen stand houden. De bestreden besluiten zijn daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Het beroep is gegrond en de bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking.

6.1

Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

6.2

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de handelswijze van appellanten ook in strijd is met artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005. Het College onderschrijft dit standpunt. Hoewel met het eerste inladen van de dieren – als overwogen – het vervoer als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder w, van Verordening (EG) nr. 1/2005 nog niet was begonnen, was daarmee wel het transport als bedoeld onder j van dat artikel aangevangen; dit transport omvat immers "de gehele vervoersoperatie" waartoe ook het onderhavige op de plaats van vertrek verrichte eerste inladen moet worden gerekend. Door, wetende dat de overige stappen van de vervoersoperatie eerst geruime tijd later zouden (kunnen) plaatsvinden, deze vervoersoperatie met het in- en uitladen toch te doen aanvangen, hebben appellanten – althans heeft de door hen ingeschakelde vervoerder – in strijd gehandeld met artikel 3, aanhef en onder a en f, van Verordening (EG) nr. 1/2005. Dusdoende is immers de duur van het transport niet tot een minimum beperkt en is het transport niet zonder oponthoud uitgevoerd.

Hieraan doet niet af dat uit de reisjournaals als bedoeld in bijlage II van Verordening (EG) nr. 1/2005 – welke journaals de dieren tijdens het transport begeleiden – en de T5-biljetten niet blijkt dat appellanten artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005 niet hebben nageleefd; dit niet-naleven kan ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 817/2010 immers ook uit 'andere gegevens' blijken. Daarbij komt dat appellanten ook niet betwisten dat de dieren na het eerste inladen weer zijn uitgeladen en vervolgens tussen de 15 uur en één week in de stal in het verzamelcentrum hebben verbleven voor ze opnieuw zijn geladen en daadwerkelijk vertrokken.

Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat voor het afwijzen of terugvorderen van restitutie niet van belang is of de dieren (bij het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap) al dan niet in goede fysieke toestand verkeerden. Blijkens artikel 1 en artikel 5, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 817/2010 leidt het enkele feit dat de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) 1/2005 niet zijn nageleefd tot het niet betalen van uitvoerrestitutie. In dit verband wordt in overweging 7 van de considerans van genoemde verordening opgemerkt dat de restitutie voor dieren waarvoor deze dierenwelzijnsvoorschriften niet zijn nageleefd, wordt verbeurd, ongeacht de fysieke toestand van de betrokken dieren.

Anders dan appellanten betogen betreft de uitspraak van het College van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX7008), waarnaar appellanten verwijzen, geen vergelijkbaar geval. In die zaak was in geschil of de betrokken varkens geschikt waren voor transport en derhalve of artikel 6 van Verordening (EG) 1/2005 was overtreden, hetgeen naar het oordeel van het College niet het geval was. In de onderhavige zaak is, zoals hiervoor overwogen, gehandeld in strijd met artikel 3, aanhef en onder a en f van deze Verordening.

6.3

Appellanten betogen voorts dat de beschreven werkwijze met medeweten van de NVWA werd toegepast. Het is dan in strijd met het vertrouwensbeginsel om voor de onderhavige transporten de werkwijze af te keuren en de restitutie af te wijzen. Hierbij beroepen appellanten zich tevens op het gelijkheidsbeginsel: in veel andere gelijke gevallen is deze werkwijze goedgekeurd en is restitutie toegekend, aldus appellanten.

Het College overweegt dat verweerder gemotiveerd heeft weersproken dat van de zijde van de NVWA enige concrete toezegging aan appellanten zou zijn gedaan dat zij of verweerder akkoord was met de werkwijze van appellanten; appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, en het College is er evenmin anderszins van overtuigd geraakt dat de werkwijze van appellanten voor de NVWA in de praktijk aanvaardbaar was, nog daargelaten welke consequenties dat voor de toepassing van de onderhavige Europeesrechtelijke voorschriften zou kunnen hebben. De ondertekening door de voor de NVWA werkzame dierenartsen van afdeling 2 van de reisjournaals biedt geen steun voor het betoog van appellanten, nu deze handtekening enkel betrekking heeft op de toestand van de dieren en het vervoermiddel tijdens het laden; hieruit kan dus niet worden afgeleid dat de dierenartsen ermee bekend – laat staan akkoord – waren dat de dieren na het laden niet zouden vertrekken, maar weer zouden worden uitgeladen en op stal worden gezet. Voor zover afdeling 1 – die de planning van het vervoer zoals ingevuld door de vervoerder/organisator weergeeft – van de journaals expliciet bij de dierenartsen onder de aandacht zou zijn gebracht, geldt dat de invulling hiervan er ook niet op wijst dat de dieren na het inladen onmiddellijk weer uitgeladen zouden worden. De door de NVWA aan Van de Wetering B.V. gestuurde waarschuwingsbrief van 17 november 2010 duidt ook geenszins op een koerswijziging van de NVWA wat betreft de handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005.

Het beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De door appellanten ter onderbouwing hiervan overgelegde reisschema's en -journaals hebben het College er niet van overtuigd dat deze gevallen – ervan uitgaande dat daarin de restitutie wel (definitief) is uitbetaald – vergelijkbaar zijn met de situatie van appellanten. Uit de – deels onleesbaar gemaakte en slechts gedeeltelijk overgelegde – journaals blijkt niet waar de eerste rustplaats van de dieren zich bevond, en dus kan ook niet vastgesteld worden of deze overeenkomt met de plaats van vertrek. Evenmin blijkt daaruit waaraan een eventueel oponthoud op de plaats van vertrek was te wijten, en met name blijkt niet of in die gevallen de dieren, ondanks dat duidelijk was dat het vertrek later dan gepland zou plaatsvinden, zijn ingeladen om vervolgens weer te worden uitgeladen.

6.4

Het College gaat voorbij aan het betoog van appellanten dat zij in het belang van de dieren hebben gehandeld waarmee de ratio van Verordening (EG) nr. 1/2005 werd nageleefd, nu dat betoog niet kan afdoen aan de dwingende voorschriften van deze Verordening. Overigens valt niet in te zien dat een handelswijze waarbij de dieren feitelijk slechts voor de weging een extra in- en uitlaadcyclus moeten ondergaan, en waarbij de dieren vervolgens nadat deze tussen 15 uur tot een week vóór het feitelijke vertrek op stal in het verzamelcentrum moeten verblijven, alsnog moeten worden ingeladen voor het daadwerkelijk vertrek, in het belang van het welzijn van de dieren is.

6.5

De stelling van appellanten dat de (deels met 10% verhoogde) terugvordering/afwijzing van de restitutie disproportioneel zou zijn, kan aan de bestreden besluiten niet afdoen. De afwijzing onderscheidenlijk (verhoogde) terugvordering van de restitutie volgt rechtstreeks uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 817/2010 in samenhang met de artikelen 32, eerste lid, en 49, eerste lid van Verordening (EG) nr. 612/2009.

6.6

Appellanten hebben hun stelling dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM op geen enkele wijze geadstrueerd. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien welke gedachtegang appellanten tot deze stelling heeft gebracht. Het College zal daarom voorbijgaan aan deze stelling.

6.7

Dat de bestreden besluiten in strijd zouden zijn met het vrij verkeer van goederen baseren appellanten op hun stelling dat verweerder eisen aan de controle voorafgaand aan het vervoeren van runderen stelt die in Duitsland en België niet worden toegepast. Dit betoog faalt, reeds nu appellanten op geen enkele manier hebben onderbouwd dat Verordening (EG) nr. 1/2005 in Duitsland en België op een andere wijze dan in Nederland wordt toegepast.

7.

Het voorgaande betekent dat verweerder, zij het in de bestreden besluiten op een onjuiste grond, terecht tot afwijzing/terugvordering van de restitutie is overgegaan. Er bestaat dus aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten na vernietiging in stand te laten.

8.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487,-- per punt en een wegingsfactor 1,5 wegens vijf samenhangende zaken).

Beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van drie maal € 310,-- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1461,-- te betalen aan appellanten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.J. van Veen