Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:203

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/332
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EZ subsidies, brief verweerder i.v.m. intrekken machtiging penvoerderschap door consortiumpartners, geen besluit in zin van 1:3 Awb

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/430 met annotatie van mr. M.A.M. Dieperink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/332

27300 Kaderwet EZ-subsidies

Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], curator in het faillissement van IB Consultancy B.V. (IB Consultancy), appellant,

en

de minister van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Groenewold).

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 maart 2013 (het bestreden besluit).

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een brief van 30 januari 2013 waarin verweerder heeft geconstateerd dat het penvoerderschap van appellant in het project CATCH is geëindigd.

Verweerder heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 14 april 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij is appellant verschenen en is verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 2010 aan een samenwerkingsverband van bedrijven, waaronder IB Consultancy, subsidie verleend voor het project CATCH (het project). . IB Consultancy is door dit samenwerkingsverband aangewezen als penvoerder. Op 31 juli 2012 is het faillissement van IB Consultancy uitgesproken en is appellant als curator in dat faillissement benoemd. Bij brief van 28 augustus 2012 heeft verweerder appellant bericht dat IB Consultancy geen werkzaamheden meer kan verrichten in het project CATCH en dat IB Consultancy niet meer als penvoerder namens de andere deelnemers in het samenwerkingsverband kan optreden. Bij brief van 10 september 2012 heeft appellant verweerder meegedeeld dat IB Consultancy haar positie als penvoerder niet opgeeft en dat hij zich niet zal neerleggen bij een eventuele beslissing van verweerder om een andere deelnemer in het samenwerkingsverband aan te wijzen als penvoerder. In zijn brief van 2 januari 2013 heeft appellant verweerder erop gewezen dat hij na zijn brief van 10 september 2012 niets meer van hem heeft vernomen en verweerder gevraagd hem voor een bepaalde termijn in het bezit te stellen van alle voor de penvoerder en de boedel relevante informatie over de voortgang van het project. Verweerder heeft hierop bij brief van 30 januari 2013, voor zover van belang, als volgt gereageerd:

“(…) merk ik op dat de in het project deelnemende partijen bij de subsidieaanvraag IB Consultancy BV gemachtigd hebben om namens hen als penvoerder op te treden. Wanneer de deelnemende partijen deze machtiging intrekken betekent dit dan ook beëindiging van het penvoerderschap. Er is dan geen sprake van een besluit van mijn zijde, waartegen u bezwaar kunt maken.

Inmiddels heb ik van de deelnemende bedrijven schriftelijk bevestiging ontvangen van het intrekken van deze machtigingen aan IB Consultancy BV. Hiermee is het penvoerderschap van IB Consultancy beëindigd. (…)”

2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 30 januari 2013. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 30 januari 2013, aldus verweerder, geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar openstaat. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de brief een mededeling aan appellant bevat betreffende handelingen van de andere deelnemers in het project CATCH en geen handeling van verweerder waarmee een rechtsgevolg is beoogd.

3

Appellant voert tegen het bestreden besluit aan dat de brief van 30 januari 2013 wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Uit de artikelen 45 en 51 van het Kaderbesluit EZ-subsidies (Kaderbesluit) volgt voor verweerder de verplichting om de aan de tot het samenwerkingsverband behorende subsidieontvangers toegekende (voorschotten van) de subsidiebedragen uit te betalen aan appellant als penvoerder. Deze verplichting is een belangrijk element van de subsidieverhouding tussen verweerder en de penvoerder. De beslissing van verweerder om af te wijken van die verplichting grijpt in in de subsidieverhouding, waardoor het rechtsgevolg in het leven wordt geroepen dat de penvoerder niet meer van verweerder kan eisen dat alle subsidiebedragen aan haar worden uitbetaald. Appellant verwijst naar een uitspraak van het College van 27 april 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BQ3754). Met de overweging dat de andere deelnemers in het samenwerkingsverband de machtiging voor het penvoerderschap van IB Consultancy hebben ingetrokken, miskent verweerder dat hij - en niet die andere deelnemers - een rechtsgevolg verbindt aan de vaststelling van de beëindiging van het penvoerderschap van IB Consultancy. Daarbij komt dat uit het besluit van 1 oktober 2010 blijkt dat verweerder het uitkeren van subsidiebedragen aan de penvoerder zelf aanmerkt als een voor bezwaar vatbaar besluit.

4.1

Ter beoordeling van het College staat de vraag of de brief van verweerder van 30 januari 2013 als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

4.2

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding. Het College is van oordeel dat de brief van 30 januari 2013 geen besluit is in de zin van de Awb, omdat uit deze brief geen rechtsgevolgen voortvloeien. De brief bevat slechts de informatieve constatering van verweerder dat de andere deelnemers van het samenwerkingsverband aan hem hebben bevestigd dat zij de aan IB Consultancy verleende machtigingen om namens hen als penvoerder op te treden hebben ingetrokken en dat hierdoor het penvoerderschap van IB Consultancy is beëindigd. In het licht van artikel 1 van het Kaderbesluit waarin het begrip ‘penvoerder’ is omschreven als “de door het samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of organisatie” is de beëindiging van het penvoerderschap van IB Consultancy derhalve rechtstreeks en eenduidig het gevolg van de intrekking van genoemde machtigingen en niet van een publiekrechtelijke rechtshandeling van verweerder. Het beroep van appellant op de uitspraak van het College van 27 april 2011 kan appellant niet baten, nu daarin sprake was van een andere situatie. Anders dan in het onderhavige geval, had verweerder daarin immers uit eigen beweging besloten om in afwijking van de geldende wettelijke regeling een bepaald subsidiebedrag niet uit te betalen aan de indiener van de betreffende subsidieaanvraag die als penvoerder optrad, maar aan de beide deelnemers aan het samenwerkingsverband volgens een bepaalde verdeelsleutel.

4.3

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond is. Het College acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in de zin van artikel 8:75 Awb.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. S.C. Stuldreher en mr. J. Borgesius, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. J. van Santvoort