Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:194

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/457
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

perceelsoppervlakte, GPS

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/457

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2014 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma Melkveehouderij [naam 1], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: L. van der Meulen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2012 vastgesteld.

Bij besluit van 16 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen, de oppervlakte van een aantal percelen aangepast en de bedrijfstoeslag 2012 vastgesteld op € 35.511,80.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde en haar vennoot [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Met het formulier ‘Gecombineerde opgave 2012’ heeft appellante om uitbetaling van haar toeslagrechten verzocht. Zij heeft onder meer de percelen 1 (11.44 ha), 2 (5.00 ha) en 7 (0.08 ha) opgegeven. De bij het primaire besluit aan appellante toegekende bedrijfstoeslag bedraagt € 35.465,25. Bij die toekenning is verweerder uitgegaan van 37,68 beschikbare toeslagrechten en een goedgekeurde oppervlakte van 37.52 ha. In bezwaar heeft appellante de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen aangevochten.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – voor zover relevant – onder meer perceel 1 opnieuw beoordeeld. Verweerder heeft toegelicht dat hij de oppervlakte van dit perceel zoals geconstateerd voor de bedrijfstoeslag 2011 niet kan overnemen omdat er wijzigingen zijn opgetreden: de grens langs de bomen lag in 2011 niet goed en per 2011 is de mestzak verwijderd. Om die reden is de AAN-laag aangepast en zijn de gewasgrenzen beter op de AAN-laag gelegd. De geconstateerde oppervlakte van perceel 1 is vastgesteld op 11.19 ha.

3.

Ter zitting van het College heeft appellant desgevraagd toegelicht dat nog slechts de geconstateerde oppervlakte van perceel 1 in geschil is. Uit een op verzoek van appellante door Geo-service te Made verrichte meting van de percelen 1, 2 en 7 blijkt, dat zij gezamenlijk een oppervlakte hebben van 16.4542 ha. Verweerder heeft dus ten onrechte 0.0942 ha niet meegenomen.

4.

Het College overweegt dat verweerder perceel 1 heeft gecontroleerd aan de hand van het referentieperceel. Gelet op artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is de functie van het systeem van referentiepercelen (de AAN-laag) – dat in Nederland op luchtfoto's is gebaseerd – om informatie te leveren over de maximale subsidiabele oppervlakte. Blijkens artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van deze verordening dient verweerder bij wijze van administratieve kruiscontrole de opgegeven percelen landbouwgrond met (de oppervlakte van) de referentiepercelen te vergelijken om na te gaan of de percelen landbouwgrond als zodanig voor steun in aanmerking komen. Dat verweerder de AAN-laag heeft gebruikt om te controleren of en zo ja in hoeverre, appellantes perceel de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijdt, is dus in overeenstemming met de regelgeving. Verweerder heeft in dit geval de oppervlakte van het door appellante opgegeven perceel landbouwgrond niet gemeten en ook niet hoeven meten. Verweerder kan immers ook zonder het perceel landbouwgrond te meten vaststellen of de opgegeven oppervlakte als zodanig de maximale subsidiabele oppervlakte van het referentieperceel te boven gaat.

Naar het oordeel van het College is op de luchtfoto van het door appellante opgegeven perceel zichtbaar dat de daarop geprojecteerde (blauwe) lijn de gehele subsidiabele oppervlakte omvat, die ook door verweerder is geaccepteerd. Het perceel zoals door appellant is aangevraagd (rode lijn) omvat onder de bomen grond die een bruine kleur heeft en niet subsidiabel is. Daaraan kan het GPS-rapport niet afdoen, reeds omdat dit rapport geen onderscheid maakt tussen de percelen 1, 2 en 7 en dus niet gebruikt kan worden voor de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 1. Ook het gegeven dat verweerder de grond onder de bomen in 2011 wel zou hebben geaccepteerd kan appellant niet baten, omdat in het kader van de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte de AAN-laag jaarlijks wordt geactualiseerd en derhalve de beoordeling van die subsidiabele oppervlakte ieder jaar opnieuw plaatsvindt en op zichzelf staat.


Het voorgaande brengt het College tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 1 voor het jaar 2012 onjuist heeft vastgesteld.

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kerkhoven