Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:177

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/304 AWB 13/305 AWB 13/306
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

starttarief, exceptieve toetsing

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 13/304, 13/305, 13/306

11237

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2014 in de zaken tussen

[bedrijf], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. W.P.M. Remie),

en

Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H.J. Anthonissen).

Procesverloop

Bij een drietal facturen van 26 oktober 2012, 9 november 2012 en 23 november 2012 (primaire besluiten) heeft verweerder bij appellante bedragen ten behoeve van keuringswerkzaamheden in rekening gebracht.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 maart 2013 (bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de facturen van 26 oktober 2012 en 9 november 2012 deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij deze primaire besluiten herroepen en bepaald dat een bedrag aan appellante zal worden gerestitueerd.
Bij besluit van 14 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar tegen de factuur van 23 november 2012 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2014.

Voor appellante is verschenen haar gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door drs. R. van der Weijden en drs. K.J. Polaris.

Overwegingen

1.

Appellante exploiteert een slachthuis en uitsnijderij. Voor de keuringswerkzaamheden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is appellante retributies verschuldigd, bestaande uit een starttarief en een bedrag per kwartier dat door een officiële dierenarts of assistent aan de werkzaamheden is besteed. Tussen partijen is in geschil de hoogte van het starttarief dat op de facturen in rekening is gebracht.

2.

Op grond van artikel 19 van de Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden I (Regeling), zoals destijds luidend, bedraagt het starttarief voor de officiële controles ter zake van het slachten van pluimvee en gekweekte lagomorfen € 101,90. In artikel 20 is bepaald dat, in afwijking van artikel 19, in een slachthuis dat niet meer behandelt dan 10 grootvee-eenheden (GVE) per week met een maximum van 125 GVE per kwartaal, het slachttarief voor deze controles € 55,98 bedraagt.

Op grond van Bijlage I bij de Regeling worden voor de berekening van het aantal GVE omrekeningcoëfficiënten gebruikt waarbij voor pluimvee, lagomorfen en klein vrij wild een omrekeningsfactor van 0,007 wordt gehanteerd.

3.

Verweerder stelt zich bij de bestreden besluiten van 14 maart 2013 op het standpunt dat is gebleken dat in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 september 2012 op het bedrijf van appellante gemiddeld 5410 stuks pluimvee per week zijn geslacht. Blijkens de omrekeningsfactor van 0,007 komt dat neer op 37,9 GVE. Dit betekent dat het reguliere (hogere) starttarief ten bedrage van € 101,90 bij appellante in rekening moet worden gebracht.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat dit tarief met ingang van het eerstvolgende kwartaal, vanaf 1 oktober 2012, bij appellante in rekening moet worden gebracht. De primaire besluiten van 26 oktober 2012 en 9 november 2012 worden in zoverre herroepen en aan appellante zal een bedrag van in totaal € 183,68 worden gerestitueerd.

4.

Appellante voert allereerst aan dat de Regeling ter zake van het starttarief onverbindend is vanwege het disproportionele karakter ervan. De wijze waarop in de Regeling wordt gedifferentieerd tussen kleine slachterijen (minder dan 10 GVE per week) en de overige slachterijen (meer dan 10 GVE per week) heeft tot gevolg dat het vaste bedrag van het starttarief moet worden gedeeld over veel minder dieren dan bij een grote slachterij. Volgens appellante zou er in de Regeling ook nog een onderscheid moeten worden gemaakt tussen de grote slachterijen en slachterijen zoals die van appellante. Een andere mogelijkheid is dat een vast bedrag per dier in rekening wordt gebracht.

5.

Het College is van oordeel dat dit betoog niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.

De rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften kan bij wege van exceptieve toetsing worden beoordeeld in het kader van een beroep. Volgens vaste jurisprudentie kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere - algemeen verbindende - regeling dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.

Het College stelt vast dat van strijd met een hogere regeling geen sprake is. In artikel 27, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 882/2004 (verordening) is immers bepaald dat de lidstaten vergoedingen of heffingen kunnen innen ter dekking van de kosten van de officiële controles. Verweerder heeft hieraan invulling gegeven met de Regeling. Blijkens de toelichting op de (oorspronkelijke) regeling (Stcrt. 2007, nr. 247, blz. 38) is met de inwerkingtreding van de nieuwe retributieregeling per 1 maart 2008 het principe van kostendekkendheid van toepassing. De verordening beschrijft de kaders waarbinnen de retributies door een lidstaat mogen worden vastgesteld. De ondergrens wordt gevormd door de minimumtarieven, opgenomen in de bijlagen bij de verordening. De bovengrens voor de retributies wordt gevormd door de door de lidstaat werkelijk gemaakte kosten; de totale retributies per lidstaat mogen niet uitstijgen boven deze kosten. De in de regeling neergelegde retributies liggen binnen de hiervoor beschreven bandbreedte, aldus de toelichting. Voorts is in de toelichting vermeld dat op grond van artikel 27, vijfde lid, van de verordening rekening moet worden gehouden met de belangen van kleine ondernemingen. Dit heeft ertoe geleid dat ten aanzien van deze beperkte groep ondernemingen het principe van kostendekkendheid niet wordt toegepast. Voor zover de kosten van de NVWA hierdoor niet worden gedekt door de retributies, komen deze ten laste van de overheid.

Voorts blijkt uit de toelichting dat het starttarief dat in rekening wordt gebracht betrekking heeft op de kosten die gemoeid zijn met de reis- en (voor-)administratietijd per medewerker van de NVWA alsmede de reiskosten per NVWA-medewerker.

Blijkens de toelichting bij de per 1 juli 2009 gewijzigde regeling (Stcrt. 2009, nr. 84) – die ten grondslag ligt aan onderhavige primaire besluiten – is (nogmaals) te kennen gegeven dat de verplichting om ingevolge de verordening rekening te houden met de belangen van kleine ondernemingen bij de tariefbepaling van belang is. Voor de slachthuizen waar niet meer dan 10 GVE per week met een maximum van 125 GVE per kwartaal wordt geslacht geldt nog steeds een lager tarief.

Gezien deze toelichting, waarbij het principe van kostendekkendheid als uitgangspunt is genomen en ook rekening is gehouden met de belangen van kleine slachterijen, kan niet worden geoordeeld dat de regelgever buiten de grenzen van de Verordening is getreden.

Het College ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat de Regeling in strijd is met de algemene rechtsbeginselen. De systemen die appellante voorstaat, bieden wellicht een fijnmaziger systeem van retributies, maar dat biedt op zich zelf onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het thans gehanteerde systeem als onevenredig dient te worden beoordeeld. Bovendien heeft appellante bij haar stelling dat een kleine slachterij voor de kosten van de keuringswerkzaamheden per dier 100 keer duurder uit kan zijn dan een grote slachterij, slechts rekening gehouden met het starttarief en niet met het kwartiertarief, op grond waarvan per kwartier dat door een officiële dierenarts of assistent aan de werkzaamheden is besteed, een bedrag in rekening wordt gebracht.

6.

Het betoog van appellante dat in onderhavig geval sprake is van een gedoogsituatie, slaagt niet. Verweerder heeft bij appellante het verkeerde starttarief in rekening gebracht. Er is derhalve geen sprake van het door verweerder afzien van handhavend optreden tegen een overtreding van appellante.

7.

Voorts is het College van oordeel dat verweerder, anders dan appellante heeft betoogd, niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door met ingang van 1 oktober 2012 het juiste, reguliere, starttarief bij appellante in rekening te brengen.

Allereerst is niet gebleken dat verweerder appellante een toezegging heeft gedaan dat ook na 1 oktober 2012 het verlaagde starttarief - in weerwil van het aantal slachtingen dat plaatsvindt op het bedrijf van appellante - bij haar in rekening zal worden gebracht. Gelet hierop kan het College appellante niet volgen in haar ter zitting ingenomen stelling dat zij is overgegaan tot een verbouwing van het bedrijf omdat zij er vanuit mocht gaan dat voor haar het lagere startarief zou blijven gelden.

Voorts is, gelet op hetgeen partijen ter zitting dienaangaande hebben verklaard, voor het College komen vast te staan dat tijdens het bezoek door medewerkers van NVWA aan het bedrijf van appellante op 3 juli 2012 te kennen is gegeven dat het verkeerde starttarief voor appellante werd gehanteerd, alsmede dat tijdens het bedrijfsbezoek op 11 september 2012 kenbaar is gemaakt dat, na raadpleging van de registratie van slachtaantallen, direct duidelijk was dat op het bedrijf van appellante meer dan 10 GVE werd geslacht.

Tot slot wijst het College erop dat volgens vaste jurisprudentie een bestuursorgaan niet gehouden is een gemaakte fout ook in andere gevallen te herhalen.

8.

De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2014.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.M. Beishuizen