Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:169

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
AWB 12/914
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2014/10

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/914

13950

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2014 in de zaak tussen

Stichting Terwille, appellante

(gemachtigde: E. de Vos),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigde: mr. H.M. den Herder).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerster het door appellante en Menzis (voor het zorgkantoor Groningen) gezamenlijk aan haar gerichte verzoek van 15 februari 2011, strekkende tot wijziging van het budget van appellante over 2010, afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het daartegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013, waarbij de gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd.

Overwegingen

1.

In het kader van het systeem van macrobudgettering voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) heeft verweerster naar aanleiding van een aanwijzing van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2009 voor het jaar 2010 de beleidsregel contracteerruimte 2010 vastgesteld. In deze beleidsregel is voorzien in twee budgetrondes, namelijk (vóór) 1 november 2009 en (vóór) 1 november 2010 (dit laatste wordt ook wel de herschikkingsronde genoemd). In deze beleidsregel is bepaald dat het budgetformulier voor de datum van 1 november 2009 bij verweerster moet worden ingediend, dat productieafspraken die na de uiterste inzenddatum van 31 oktober 2009 worden ingediend worden beschouwd en afgehandeld als aanvullende productieafspraken, en dat aanvullende productieafspraken die worden ingediend na de uiterste inzenddatum van 31 oktober 2010 niet meer kunnen leiden tot een mutatie van de aanvaardbare kosten 2010 en zonder inhoudelijk oordeel worden afgewezen.
In de met ingang van 1 januari 2011 geldende beleidsregel nacalculatie (CA-300-457, onder 4.2), is bepaald dat de laatstelijk door verweerster vastgestelde productieafspraak met betrekking tot het jaar t de bovengrens is voor hetgeen over dat jaar voor bekostiging in aanmerking komt en dat overproductie daarom niet wordt vergoed maar voor rekening en risico van de betreffende zorgaanbieder komt.

Appellante heeft op 28 oktober 2009 samen met het zorgkantoor aan verweerster verzocht haar budget voor 2010 – voorlopig – vast te stellen op € 100.004,-, welk verzoek door verweerster is ingewilligd. In het kader van de herschikkingsronde hebben appellante en het zorgkantoor verweerster op
27 oktober 2010 verzocht het budget 2010 gewijzigd vast te stellen op € 194.920,-.
Bij tariefbeschikking van 8 december 2010 heeft verweerster het budget overeenkomstig dat verzoek vastgesteld. Tegen deze tariefbeschikking is geen bezwaar gemaakt.

2.

Appellante verleent extramurale AWBZ-zorg aan (onder meer) verslaafden die verblijven in de opvangboerderij de Spetse Hoeve van Stichting Teen Challenge, een niet AWBZ erkende instelling. Voor de financiering van de zorg aan deze verslaafden werd gebruik gemaakt van een persoonsgebonden budget (pgb), een via het zorgkantoor verstrekte subsidie op grond van de Regeling subsidies AWBZ. In verband met een dreigende forse overschrijding van het subsidieplafond, heeft het toenmalige kabinet besloten per 1 juli 2010 geen nieuwe instroom van pgb-houders toe te staan. Naar aanleiding van een in de Tweede Kamer aangenomen motie heeft de minister hierop twee uitzonderingen mogelijk gemaakt. Eén daarvan heeft betrekking op de situatie dat een AWBZ-verzekerde wil verblijven in een wooninitiatief dat zonder pgb-verlening in zijn (voort)bestaan wordt bedreigd en de zorg voor overige in dat initiatief verblijvende verzekerden daardoor in gevaar komt.

Op grond van deze uitzondering heeft het zorgkantoor Groningen aanvankelijk, in de periode van
1 juli tot 1 oktober 2010, het verstrekken van pgb’s ten behoeve van nieuw in de Spetse Hoeve verblijvende verslaafden gecontinueerd. Vanaf 1 oktober 2010 is het zorgkantoor zich op het standpunt gaan stellen dat voor iedere verzekerde eerst – via haar afdeling zorgbemiddeling – een passend aanbod voor zorg in natura moest worden gedaan. Appellante is nadien bekend geworden met deze aanvullende voorwaarde, alsmede met het feit dat het zorgkantoor voornemens was de zes vanaf 1 oktober 2010 nieuw in de Spetse Hoeve verblijvende cliënten over te plaatsen. Omdat appellante dit onwenselijk vond – de door het zorgkantoor voorgestelde alternatieven zijn volgens haar minder “verslavingsvrij” en bovendien biedt zij daar geen begeleiding – heeft zij ermee ingestemd deze cliënten voor zorg in natura bij haar onder te brengen.

3.

Op 20 januari 2011 heeft appellante het zorgkantoor gevraagd haar budget voor 2010 te verhogen met € 24.665,- zodat de door haar vanaf 1 oktober 2010 gemaakte kosten voor de zes nieuwe cliënten van Teen Challenge gedekt zouden kunnen worden. Het zorgkantoor heeft appellante op
14 februari 2011 bericht niet aan dat verzoek tegemoet te kunnen komen omdat verweerster er niet mee akkoord gaat dat na 1 november 2010 nog wijzigingen in het budget worden verwerkt.
Vervolgens hebben appellante en het zorgkantoor verweerster bij brief van 15 februari 2011 gezamenlijk verzocht het budget 2010 van appellante alsnog te verhogen met € 24.665,-.

4.

Verweerster wijst er op dat op het gezamenlijke herschikkingsverzoek van appellante en het zorgkantoor bij de tariefbeschikking van 8 december 2010 is beslist, en dat die beschikking onaantastbaar is geworden. Daarom dient het verzoek van 15 februari 2011 te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van deze definitief geworden beschikking. Gelet op de vaste jurisprudentie van het College ligt het op de weg van de indiener van een dergelijk verzoek om nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden naar voren te brengen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd voldoet daar niet aan. Het is verweerster niet duidelijk waarom appellante en het zorgkantoor, gelet op het sinds 1 oktober 2010 gewijzigde standpunt van het zorgkantoor, daarmee geen rekening hebben gehouden in hun herschikkingsverzoek dat immers nog op 31 oktober 2010 kon worden ingediend. Voorts stelt verweerster dat appellante, indien zij zoals zij betoogt daadwerkelijk pas na die datum op de hoogte is gekomen van het gewijzigde standpunt van het zorgkantoor, daarin in ieder geval reden had moeten vinden om bezwaar te maken tegen de tariefbeschikking naar aanleiding van de herschikkingsronde. Verweerster wijst er voorts op dat in de onderhavige zorgkantoorregio de mogelijkheid bestond nieuwe cliënten op te nemen bij wel AWBZ-erkende zorgaanbieders, maar dat appellante om haar moverende redenen bleef vasthouden aan (niet AWBZ erkend) verblijf in de Spetse Hoeve. Verweerster neemt aan dat appellante hiervoor zorginhoudelijke argumenten had, maar uiteindelijk wordt de kwaliteit van de zorg beoordeeld door het zorgkantoor. Als appellante van mening is dat het zorgkantoor haar onjuist heeft voorgelicht over de financiering van de zorg voor de na 1 oktober 2010 in de Spetse Hoeve opgenomen verslaafden, staat voor haar een civiele schadevergoedingsprocedure open. Handelingen van het zorgkantoor kunnen verweerster echter niet worden aangerekend.

5.

Appellante voert aan dat haar niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de tariefbeschikking van 8 december 2010. Zij ging er naar aanleiding van haar contacten met het zorgkantoor van uit dat de door haar na 1 oktober 2010 geleverde extra zorg in natura voor vergoeding in aanmerking zou komen. Het is volgens appellante niet ongebruikelijk dat dergelijke extra zorg nog bij de nacalculatie wordt verrekend. Bovendien heeft appellante zich – nog net – binnen de bezwaartermijn tegen de op 10 december 2010 verzonden tariefbeschikking tot het zorgkantoor gewend, namelijk op 20 januari 2011, met het verzoek de na 1 oktober 2010 geleverde extra zorg in natura voor vergoeding in aanmerking te brengen.

6.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet geheel duidelijk geworden of appellante al voor de uiterste indieningstermijn in het kader van de herschikkingsronde (31 oktober 2010) bekend was met de gewijzigde opstelling van het zorgkantoor, maar voor het College staat in ieder geval vast dat appellante daarmee bekend was binnen de bezwaartermijn tegen de uit deze herschikkingsronde voortvloeiende tariefbeschikking, die op 21 januari 2011 verstreek.


Verweerster heeft het verzoek van 15 februari 2011 terecht aangemerkt als verzoek om terug te komen van die tariefbeschikking en heeft gemotiveerd waarom aan dit verzoek geen gevolg kan worden gegeven. Met verweerster constateert het College dat het op de weg van appellante lag om bij dat verzoek nieuwe feiten dan wel gewijzigde omstandigheden aan te voeren en dat appellante hieraan niet heeft voldaan. De argumenten die door appellante zijn aangevoerd zijn naar het oordeel van het College door verweerster terecht en op goede gronden niet als dergelijke feiten en/of omstandigheden aangemerkt.

Indien en voor zover appellante al heeft vertrouwd op ongeclausuleerde mededelingen van de zijde van het zorgkantoor, geldt dat dit niet aan verweerster – de voor (definitieve) vaststelling van het budget verantwoordelijke instantie – kan worden tegengeworpen. Dat appellante in eerdere jaren slechts te maken heeft gehad met het zorgkantoor en niet tevens met verweerster, maakt dit niet anders.

Overigens wijst het College er nog op dat uit de gedingstukken blijkt dat het zorgkantoor er de voorkeur aan gaf dat binnen haar regio vanaf 1 oktober 2010 nieuwe intramurale verslavingszorg zou worden geboden door daarvoor erkende AWBZ -instellingen en dat het appellante is geweest die uitdrukkelijk aan opvang in de Spetse Hoeve de voorkeur gaf.

Voorts heeft verweerster voldoende gemotiveerd dat en waarom de stelling van appellante, inhoudend dat extra productie nog bij de nacalculatie kan worden vergoed, onjuist is. Dat verweerster bij de nacalculatie over het onderhavige budgetjaar (2010) wel rekening heeft gehouden met overproductie voor de functie ‘begeleiding extra’, vindt naar verweerster onweersproken heeft gesteld zijn grondslag in het feit dat binnen het budget van appellante tegelijkertijd sprake was van een onderproductie voor de functie ‘begeleiding’.

7.

De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van der Ham, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

w.g. M.A. van der Ham w.g. C.G.M. van Ede