Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:162

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op grond van 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29, geldigheid: 2014-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/171
FutD 2014-1113 met annotatie van Fiscaal up to Date
JONDR 2014/745
ABkort 2014/219
FED 2014/76
JOR 2014/171

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/375

22310

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], appellant

(gemachtigde: mr. G.P. Roth),

en

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten , verweerster

(gemachtigde: mr. H.J. Sachse).


Procesverloop

Appellant en verweerster hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9269).

Verweerster heeft bij het verweerschrift een e-mailbericht van 22 september 2008 overgelegd en daarbij met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van dit stuk. Ter motivering van haar verzoek verwijst verweerster naar haar brief aan de rechtbank van 19 april 2012 en de beslissing van de rechter-commissaris van 9 mei 2012.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

2.

Deze door het College te nemen beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daar tegenover staat dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden.

3.

Het e-mailbericht van 22 september 2008 betreft een mededeling van een tipgever. Verweerster is van mening dat de identiteit van de tipgever alsmede de inhoud van de informatie waaruit de identiteit van de tipgever is af te leiden niet kan worden verstrekt en geheim dient te blijven. Zou dit niet het geval zijn dan bestaat volgens haar de aanmerkelijke kans dat tipgevers in de toekomst terughoudend zijn met het verschaffen van informatie terwijl dit voor het uitoefenen van haar taak als toezichthouder van groot belang is.

4.

Het College is van oordeel dat hetgeen verweerster ter motivering van haar verzoek om beperking van de kennisneming heeft aangevoerd onvoldoende is om deze beperking gerechtvaardigd te achten. Daartoe overweegt het College dat ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht heeft getuigen te ondervragen of te doen ondervragen. De verklaring van de tipgever is, gelet op het Kostovski-arrest (EHRM 20 november 1989 in zaak nr. 11454/85), een getuigenverklaring in de zin van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM:

“ The Court notes that only one of the authors of the statements - namely the person
whose statements were read out at the trial - was, under Netherlands law, regarded as
a ‘witness’ (see paragraph 18 above). However, in view of the autonomous
interpretation to be given to this term (see the Bönischjudgment of 6 May 1985,
Series A no. 92, p. 15, par. 31-32), both authors should be so regarded for the
purposes of Art. 6 par. 3 (d) Convention, since the statements of both of them,
whether read out at the trial or not, were in fact before the court and were taken into
account by it.”

Om de identiteit van een dergelijke getuige geheim te houden, moet er een gegronde reden

zijn (EHRM 28 februari 2013 in zaak nr. 22163/08, Mesesnel tegen Slovenië):


“ As regards the exceptions, the Court, in Al-Khawaja and Tahery (cited above),
referred to two requirements. First, there must be a good reason why the witnesses
could not be examined by the accused and second, when a conviction is based solely
or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the
accused has had no opportunity to examine or to have examined, sufficient
counterbalancing factors, including the existence of strong procedural safeguards,
must be provided (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, §sS 119-47).”

Hieruit volgt dat een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb dat is ingegeven door de wens de identiteit van een tipgever geheim te houden niet zonder meer gerechtvaardigd kan worden geacht.

Het College is van oordeel dat enkel de mogelijke terughoudendheid van tipgevers om verweerster in de toekomst informatie te verschaffen, onvoldoende grond vormt voor het beperken van de kennisneming van het e-mailbericht van 22 september 2008.

Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt derhalve afgewezen.

5.

Het College stuurt het e-mailbericht van 22 september 2008 terug aan verweerster. Verweerster dient binnen twee weken na de verzending van deze beslissing dit stuk aan het College en de andere partij toe te sturen. Stuurt verweerster het stuk niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Beslissing

Het College:

- beslist dat beperking van de kennisneming van het e-mailbericht van 22 september 2008 niet gerechtvaardigd is te achten;

- bepaalt dat dit document wordt teruggezonden aan verweerster;

- verzoekt verweerster binnen twee weken na heden het document aan
het College en de andere partij toe te sturen.

Aldus genomen op 25 april 2014 door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van

mr. M.A. Voskamp als griffier.

w.g. R.C. Stam w.g. M.A. Voskamp