Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:160

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 13/279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursdwang

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, geldigheid: 2014-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/279

11201

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.C.Q. Bult).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant een kostenbeschikking opgelegd.

Bij besluit van 8 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2014.

Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Aan appellant is bij besluit van 16 februari 2011 een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van bepalingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Daarbij is aan appellant een aantal maatregelen opgelegd.

Bij hercontrole op 9 maart 2011 op het bedrijf van appellant is geconstateerd dat niet aan alle opgelegde maatregelen is voldaan. Daarop heeft verweerder besloten tot ten uitvoerlegging van de last onder bestuursdwang en heeft 13 runderen van appellant meegevoerd en in beslag genomen. De voorzieningenrechter van het College heeft bij uitspraak van 18 mei 2011 geoordeeld dat de last onder bestuursdwang rechtmatig was en dat de 13 runderen terecht zijn meegevoerd en opgeslagen. De last onder bestuursdwang is niet meer in geschil.

Verweerder heeft vervolgens een drietal kostenbeschikkingen van 22 juli 2011, 24 oktober 2011 en
10 augustus 2012 aan appellant opgelegd.

2.

Thans is de derde kostenbeschikking - van 10 augustus 2012 -, welke verweerder heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit, in geschil. Bij dit besluit heeft verweerder bij appellant de opvangkosten van de dieren van de maanden juni 2011 en september 2011 in rekening gebracht. De kosten bedragen € 3867,50.

3.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

4.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de kosten genoemd in de kostenbeschikking van 10 augustus 2012 redelijkerwijs niet ten laste van hem dienen te komen.

Het enkele tijdsverloop tussen juni 2011 - toen de kosten van opvang zijn gemaakt - en het moment dat de kosten bij appellant in rekening zijn gebracht - de kostenbeschikking van 10 augustus 2012 -, biedt daarvoor onvoldoende grondslag. Appellant is immers bij de last onder bestuursdwang op de hoogte gesteld van het feit dat de kosten van bestuursdwang bij hem in rekening zouden worden gebracht. Bovendien was appellant op de hoogte van het feit dat zijn runderen in maart 2011 zijn meegevoerd en opgeslagen en dat deze runderen in september 2011 zijn verkocht.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van het College voldoende gemotiveerd uiteengezet welke kosten het betreft en waarom de dieren deze tijd in bewaring zijn gebleven. Volgens verweerder vertegenwoordigden de in beslag genomen runderen, die niet waren geregistreerd in het Identificatie en registratiesysteem, geen marktwaarde. Appellant wilde zijn dieren niet laten vernietigen en heeft derhalve ingestemd met het laten verrichten van een DNA-verwantschapsonderzoek teneinde de identiteit van de runderen te kunnen achterhalen. Dit onderzoek, waarvan op voorhand is afgesproken dat dit voor rekening van appellant zou komen, heeft enige tijd geduurd omdat de door appellant aangeleverde haarmonsters aanvankelijk niet allemaal voldeden aan de vereisten om onderzoek te kunnen verrichten. Uiteindelijk is van 12 runderen de identiteit bepaald en is deze partij runderen in zijn geheel verkocht. Door de gezamenlijke verkoop hadden de runderen bovendien een hogere waarde, aldus verweerder. Appellant heeft dit niet dan wel onvoldoende weersproken.

5.

Gelet op het vorenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2014.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.M. Beishuizen