Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:159

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-01-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 11/109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vakheffing Productschap, overdracht vordering, rechtsgeldige overdracht, voortbestaan rechtspersoon na ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/109

Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2014 in de zaak tussen

Tulip Innovation B.V., te De Kwakel, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. R.J.T. Kamstra

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2007 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante

om restitutie van vakheffing bloembollen afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het hiertegen

gerichte bezwaar beslist.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben

laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Bij beslissing van 7 november 2012 heeft het College het onderzoek heropend.

Bij brief van 14 december 2012 heeft appellante nadere stukken ingediend, waarop

verweerder bij brief van 20 december 2012 heeft gereageerd.

Op 11 oktober 2013 heeft de nadere zitting plaats gevonden. Partijen waren opnieuw vertegenwoordigd door hun gemachtigde.



Overwegingen

1.

Bij brief van 30 mei 2005 heeft appellante aan verweerder meegedeeld dat aan haar

een vordering is gecedeerd door Bulb Quest B.V. Deze vordering betreft een door Bulb Quest

bij verweerder ingediende aanvraag van 23 december 2003 om restitutie van vakheffing, ter

waarde van € 550.092,--.Van de cessie is een akte van cessie opgemaakt op 26 oktober 2004.

Appellante heeft verzocht om het bedrag van de restitutie aan haar uit te betalen.

2.

Bij besluit van 6 april 2007 heeft verweerder het verzoek van appellante om restitutie

afgewezen. Volgens verweerder bestaat geen recht op restitutie nu de vakheffing

nooit is afgedragen aan verweerder. Tegen dit besluit heeft Bulb Quest B.V. bij brief van
9 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 31 oktober 2007 heeft de gemachtigde van appellante verweerder meegedeeld dat appellante haar heeft verzocht de behandeling van het bezwaar over te nemen en de gronden van het bezwaar ingediend.

3.

Bij besluit van 22 december 2010 heeft verweerder het bezwaar van appellante

ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld.

4.

Verweerder heeft het bestreden besluit onder meer doen steunen op de overweging dat er geen sprake is van een geldige cessie van de gestelde vordering, omdat N.M.A. Oudendijk, die de akte van cessie namens appellante als directeur heeft ondertekend, niet bevoegd is namens appellante op te treden. De akte is om die reden nietig. Aan de voorwaarden voor levering van een vordering op naam, zoals neergelegd in artikel 3:94, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), is derhalve niet voldaan. Ter zitting van het College van
17 oktober 2012 heeft verweerder nog aangevoerd dat op het moment dat de levering rechtsgeldig voltooid werd, door mededeling van de cessie aan de debiteur, in casu verweerder, bij brief van 30 mei 2005, Bulb Quest B.V. niet langer bevoegd was over de vorderingsrechten te beschikken. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat op 23 februari 2005 is geregistreerd dat Bulb Quest B.V. is opgeheven. Zij is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig waren met ingang van 19 januari 2005. Nu Bulb Quest B.V. niet beschikkingsbevoegd was ten tijde van de levering, is de vordering niet rechtsgeldig overgedragen.

5.

Appellante betwist dat de akte van cessie niet aan de vereisten voldoet. Ondertekening

van de akte door de ontvanger is niet noodzakelijk. Mocht dit wel zo zijn, dan is aan dat

vereiste voldaan. De heer Oudendijk was wel degelijk bevoegd om namens appellante te tekenen. Ten tijde van de overeenkomst, waarvan de akte van 26 oktober 2004 het

schriftelijke bewijs is, was de heer Oudendijk directeur van Oudendijk International B.V., de

bestuurder van appellante. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat Bulb Quest B.V. ten tijde van de mededeling van de cessie niet beschikkingsbevoegd was, heeft appellante aangevoerd dat het ten eerste zeer aannemelijk is dat al eerder mededeling van de cessie is gedaan, hoewel zij dit niet meer kan aantonen met stukken, en ten tweede dat Bulb Quest B.V. na haar ontbinding is blijven bestaan voor de vereffening van haar vermogen en dus ook nog beschikkingsbevoegd was op 30 mei 2005. Dit volgt uit artikel 2:19, vijfde lid, BW. Appellante verwijst in dit verband naar de uitspraak van het College van 1 februari 2012, in de zaak AWB 09/1285 (ECLI:NL:CBB:2012:BV3421).

6.1

Het College overweegt het volgende. Aan de orde is de vraag of verweerder het

verzoek van appellante om uitbetaling van de, volgens haar, aan haar overgedragen vordering

terecht heeft afgewezen, omdat de overdracht niet rechtsgeldig zou zijn geschied.

6.2

Het College zal eerst ingaan op de ondertekening van de akte. Voor de levering is in dit geval ingevolge artikel 3:94, eerste lid, BW, naast de mededeling aan de schuldenaar, een akte vereist, als bedoeld in artikel 156 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin is bepaald dat akten ondertekende geschriften zijn, bestemd om tot bewijs te dienen. De wet vereist, anders dan voor onroerende zaken, niet een notariële of een ‘tussen partijen opgemaakte akte’. Op grond van artikel 3:94 BW juncto artikel 156 Rv is het minimum een door de schuldeiser-cedent ondertekend geschrift dat tot levering van de daarin aangeduide vordering strekt. Daaraan is in dit geval voldaan. Verweerder heeft de afwijzing dus niet kunnen baseren op het argument dat er geen sprake is van de vereiste akte.

6.3

Voor de overdracht van de vordering is echter, ingevolge artikel 3:84, eerste lid, BW ook noodzakelijk dat de vervreemder op het moment van de levering bevoegd is over het goed te beschikken. Het College stelt vast dat er geen bewijs is voor de stelling dat de voor de levering vereiste mededeling aan verweerder eerder dan op 30 mei 2005 is gedaan. Uit het handelsregister blijkt dat Bulb Quest B.V. op dat moment niet meer bestond. In artikel 2:19, vijfde lid, BW is bepaald dat een rechtspersoon na ontbinding blijft bestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Het College heeft op grond van die bepaling in de uitspraak van 1 februari 2012, waarnaar appellante verwijst, geoordeeld dat de rechtspersoon in kwestie bevoegd was in rechte op te treden om de haar toekomende baten op te eisen. In dit geval ligt dat echter anders. Het overdragen van de vordering kan niet als een handeling worden gezien die nodig is voor vereffening van het vermogen van Bulb Quest B.V. Door de overdracht zou de restitutie-aanspraak immers tot het vermogen van appellante gaan behoren. Dat betekent dat de vordering niet is overgedragen, maar dat deze, voor zover dat kan worden beoordeeld op grond van de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, tot het vermogen van Bulb Quest B.V. is blijven behoren. Verweerder heeft de aanvraag van appellante om (uitbetaling van) de restitutie daarom terecht afgewezen.

7.

Gelet op het vorenstaande zal het College het beroep van appellante ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. C.M. Wolters en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2014.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk