Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:156

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 14/195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit inzake het houden van een waak- of heemhond. Last onder bestuursdwang tot aanpassing van het buitenverblijf van een hond. Geen waakhond. Geen schending van de in art. 36 lid 1 en 37 neergelegde normen inzake gezondheid, welzijn en verzorging vanwege het enkele feit dat gedetailleerde voorschriften over de huisvesting niet zijn nageleefd.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, geldigheid: 2014-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/195

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. van Harteveld-van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft verweerder verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd strekkende tot aanpassing van de huisvesting van diens hond.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 2 april 2014 heeft verweerder de termijn om de last uit te voeren verlengd tot 23 april 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

Verweerder heeft het besluit van 26 maart 2014 gebaseerd op een toezichtrapport van 24 maart 2014, opgesteld door G.J. van den Boogaard, districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Dit rapport vermeldt de volgende bevindingen:

“Op donderdag 13 maart 2014 omstreeks 11.00 heb ik (…) een controle uitgevoerd naar huisvesting van een herdershond aan de (…) te [woonplaats]. Ter plaatse trof ik niemand thuis. Hierop heb ik het perceel gelegen achter de woning aan de (…) betreden teneinde de controle uit te kunnen voeren zonder de aanwezigheid van de bewoner.
Op de achterplaats zag ik een ren, vermoedelijk een omgebouwde kippenren aan de linkerzijde van het perceel. Ik zag dat dit dezelfde ren betrof die ik bij de eerdere controle op 5 februari 2014 had aangetroffen. Ik zag dat er, anders dan bij de vorige controle door middel van houten beplating een gedeelte van de ren was afgescheiden, en nu vermoedelijk dienst deed als nachtverblijf voor de in de ren aanwezige herdershond.
Ik zag dat er in dit afgescheiden nachtverblijf geen tochtschot aanwezig was. Ik zag dat er in dit nachtverblijf een standaard stond met daarin 2 bakken, en dat 1 van deze bakken gevuld was met zuiver water.
Door middel van meting zag ik dat de buitenren een oppervlakte had van totaal 5,5 m2.
Het Waak- en Heemhondenbesluit spreekt over een tochtvrij nachtverblijf. Dit kan uitsluitend bereikt worden door een tochtschot in het nachtverblijf aan te brengen, zodat er geen directe aanvoer van een luchtstroom mogelijk is in het nachtverblijf.
Verder spreekt het Waak- en Heemhondenbesluit over een ren oppervlakte van 7 m2 exclusief het nachtverblijf.”

Het rapport vermeldt als overtreden wettelijke bepalingen artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) en artikel 3 en 4 van het Waak- en Heemhondenbesluit.
Als te nemen maatregelen noemt het rapport dat de huisvesting van de hond dient te gaan voldoen aan het Waak- en Heemhondenbesluit.

2.2

Het besluit van 26 maart 2014 vermeldt onder verwijzing naar het toezichtrapport dat bij de controle op 13 maart 2014 is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de hond van verzoeker is aangetast en dat de in het toezichtrapport genoemde overtredingen zijn vastgesteld. Verzoeker wordt opgedragen voor 2 april 2014 te zorgen dat de huisvesting van de hond zodanig is dat deze op juiste wijze gehouden kan worden en dat dit niet het welzijn en de gezondheid van de hond benadeelt. Verzoeker wordt met betrekking tot de huisvesting van de hond geadviseerd zich te houden aan de richtlijnen gesteld in het Besluit inzake het houden van een waak- of heemhond. Het is algemeen bekend en aanvaard dat het voor het welzijn van honden het beste is dat ze conform de eisen van dat Besluit worden gehouden. In dit Besluit, dat als bijlage bij het besluit van 26 maart 2014 is gevoegd, is precies te lezen wat de eisen zijn waar de houder van waak- en heemhonden zich aan moet houden.

3.

Verzoeker voert aan dat in de last niet is benoemd welke overtreding zou zijn gepleegd en evenmin wat verweerder concreet van hem verwacht. De aanschrijving is in strijd met de wet en ook de wettelijk te betrachten zorgvuldigheid en een deugdelijke afweging van belangen is achterwege gelaten. Als al sprake is van enige overtreding, wat verzoeker betwist, dan is het een zeer geringe afwijking. De gevolgen van toepassing van bestuursdwang zijn onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Het Besluit waak- en heemhonden uit 1962 is onverbindend dan wel achterhaald althans ondergeschikt aan de kernbepalingen van de Gwd. De hond van verzoeker is kerngezond en springlevend en enige aanpassing van het hok en/of de ren op basis van dit Besluit zal geen verschil maken. De gestelde begunstigingstermijn is ultrakort. Er dreigt door de last een onomkeerbare situatie.


4. Ingevolge artikel 36, eerste lid, Gwd, is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

Ingevolge artikel 37 Gwd is het de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Het Besluit inzake het houden van een waak- of heemhond (Stb. 1962, 585, hierna: Besluit) luidt voor zover van belang als volgt.

Artikel 2
(…)
6. Op het terrein, waar de hond zich bevindt, moet aanwezig zijn een uitsluitend voor de hond bestemd en voor deze bereikbaar vocht- en tochtvrij hok van deugdelijk materiaal, welk hok, behoudens een voldoende ruime ingang naar de tochtgang, aan alle zijden en van boven doelmatig afgesloten dient te zijn. Het hok moet verder voldoen aan de volgende eisen:
a. het moet verdeeld zijn in twee door een schot van elkaar gescheiden delen, namelijk een slaapplaats en een tochtgang;
(…)
c. de tochtgang moet van de slaapplaats gescheiden zijn door een tot het dak doorlopend schot, dat aan de achterkant een voldoende ruime doorgang moet hebben om de hond de gelegenheid te geven van de tochtgang in de slaapruimte te komen;
(…)

Artikel 3
Het is de eigenaren of gebruikers van erven, landerijen of andere terreinen verboden daarop een hond te houden, die is ingesloten in een ren, indien niet is voldaan aan de in artikel 4 gestelde eisen.

Artikel 4
1. De ren moet uitsluitend bestemd zijn voor het verblijf van de hond en moet verder voldoen aan de volgende eisen:
a. de afmetingen moeten bedragen:
hoogte: ten minste 2 meter;
oppervlakte: ten minste 7 vierkante meter, met dien verstande, dat de afmeting van de
kortste zijde niet minder dan 1 meter mag bedragen;
(…)
2. In of in verbinding met de ren moet zich een hok bevinden, dat voldoet aan de in artikel 2, zesde lid, genoemde eisen. De ruimte, ingenomen door een zich in de ren bevindend hok, mag niet in mindering komen van de in het eerste lid, onder a, genoemde minimum-oppervlakte van de ren.

Artikel 6
(…)
2. De in dit besluit gestelde verboden gelden niet, indien de houder van een hond aannemelijk maakt, dat hij het dier niet houdt als waak- of heemhond.

5.1

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat in de last niet is benoemd welke overtreding zou zijn gepleegd. Door de verwijzing in het besluit van 26 maart 2014 naar het toezichtrapport, dat als bijlage bij het besluit is gevoegd, blijkt dat het gaat om artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwd en de artikelen 3 en 4, in samenhang met artikel 2, zesde lid, van het Besluit. Nu het Besluit eveneens als bijlage bij het besluit van 26 maart 2014 is gevoegd, is – hoewel de opgedragen maatregel in eerste instantie globaal is omschreven – toch voldoende duidelijk welke maatregelen van verzoeker verwacht worden. Dit betreft het vergroten van de oppervlakte van de ren naar ten minste 7 m2 en het aanbrengen van een schot in het verblijf dat voldoet aan de eisen van artikel 2, zesde lid, van het Besluit, in het toezichtrapport aangeduid als tochtschot.

5.2

Voor zover de last is gebaseerd op de gestelde overtreding van voormelde bepalingen uit het Besluit overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Hoewel in artikel 3 van het Besluit in algemene zin wordt gesproken over het houden van een hond die is ingesloten in een ren, blijkt uit artikel 6, tweede lid, dat de voorschriften van het Besluit slechts van toepassing zijn op waak- of heemhonden. In het Besluit is geen definitie van een waak- of heemhond gegeven en dit is ook niet het geval in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de dierenbescherming, dat de wettelijke grondslag vormt voor het Besluit. De toelichting op die bepaling (Kamerstukken II, 1954/55, 3868, nr. 3, blz. 6) vermeldt dat het Besluit ertoe strekt minimumeisen te stellen voor de behandeling van waakhonden, die destijds vaak zeer slecht was, in de gevallen waarin deze honden zijn vastgelegd of opgesloten.
Een waakhond is volgens Van Dale: wachthond, hond die huis en erf bewaakt. Een heem is volgens Van Dale een besloten erf rondom een boerenwoning, zodat kan worden aangenomen dat een heemhond – in Van Dale omschreven als: hofhond – een waakhond is op een boerderij.
Uit een en ander volgt dat het Besluit niet van toepassing is op alle honden, maar slechts op honden die worden gehouden met het doel huis en erf te bewaken.

Uit het toezichtrapport blijkt niet dat de hond van verzoeker als waakhond werd gehouden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat de hond als gezelschapsdier wordt gehouden, dat hij ’s nachts in de ren verblijft en overdag soms, maar doorgaans niet als verzoeker of zijn gezinsleden thuis zijn. Verweerder heeft dat niet betwist.

Onder deze omstandigheden kan de hond naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als waakhond, zodat het Besluit in dit geval niet van toepassing is. De last kan derhalve niet worden gebaseerd op overtreding van het Besluit.

5.3

Voor zover de last is gebaseerd op de gestelde overtreding van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwd overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Uit het besluit van 26 maart 2014, zoals toegelicht ter zitting, kan worden opgemaakt dat hieraan de opvatting ten grondslag ligt dat de voorschriften uit het Besluit, in het bijzonder inzake de afmetingen van de ren en het tochtschot, als een nadere invulling van deze bepalingen van de Gwd kunnen worden aangemerkt, in die zin dat het niet naleven van deze voorschriften leidt tot benadeling van de gezondheid en het welzijn van een hond respectievelijk het onthouden van de nodige verzorging. Deze opvatting acht de voorzieningenrechter niet juist. De in deze bepalingen van de Gwd neergelegde vage normen vergen naar hun aard een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval alvorens kan worden geconcludeerd of deze normen al dan niet zijn geschonden (Kamerstukken II, 1984/85, 16447, nr. 7, blz. 30). Daarmee verdraagt zich niet dat schending van deze normen wordt aangenomen vanwege het enkele feit dat gedetailleerde voorschriften over de huisvesting, zoals neergelegd in het Besluit, niet zijn nageleefd. Zo is de aanwezigheid van een tocht- en vochtvrij hok weliswaar noodzakelijk voor het welzijn van een in een ren verblijvende hond, maar is het van de omstandigheden van het geval afhankelijk – bijvoorbeeld de ligging van de ren, de aanwezigheid van natuurlijke beschutting – hoe dat hok moet worden vormgegeven. Dat geldt ook voor de maatvoering van de ren, waarbij bijvoorbeeld een rol kan spelen hoe groot de hond is en hoe lang deze in de ren pleegt te verblijven.

Uit het toezichtrapport blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de gezondheid en het welzijn van de hond van verzoeker als gevolg van de oppervlakte van de ren en het ontbreken van een tochtschot in het verblijf zijn benadeeld. Uit de beschrijving van de situatie ter plekke, waarbij foto’s en een situatieschets ontbreken, kan dat niet worden opgemaakt. Voorts is er geen beschrijving van de hond zelf en van de wijze waarop deze door verzoeker wordt gehouden. Verzoeker heeft daarentegen onweersproken verklaard dat de hond kerngezond en springlevend is, hetgeen er niet op wijst dat de gezondheid en het welzijn van de hond door de wijze van huisvesting in het gedrang zijn gekomen.

Op basis van deze gegevens kan niet worden vastgesteld dat verzoeker artikel 36, eerste lid, of artikel 37 van de Gwd heeft overtreden. Hoewel de voorzieningenrechter niet geheel uitsluit dat verweerder in bezwaar zal kunnen motiveren dat de wijze van huisvesting zorgt voor een benadeling van de gezondheid en het welzijn van de hond, zijn daarvoor thans geen aanwijzingen. De voorzieningenrechter houdt het er derhalve voor dat verzoeker ten tijde van het opleggen van de last de Gwd niet overtrad. Voor zover er niettemin een overtreding zou zijn, lijkt deze gering te zijn.

6.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van 26 maart 2014 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974,-. (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 26 maart 2014 tot zes weken na bekendmaking van de

beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan

verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.

w.g. E. Dijt w.g. P.M. Beishuizen