Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:150

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
AWB 12/586
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EHEC, aanvraag steun actiefonds en noodfonds voor uit de markt nemen van producten, voorafgaande melding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/586

7700

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2014 in de zaak tussen

Coöperatie Coforta U.A., appellante

(gemachtigde: mr. E. Dans),

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Alam).

Procesverloop

Appellante heeft bij fax van 18 juni 2012, bij het College ontvangen op die datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 mei 2012 (het bestreden besluit).

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de hoogte van de uitkering uit het EHEC-schadefonds gedeeltelijk gegrond verklaard. Voor zover in beroep van belang heeft verweerder het bezwaar, gericht tegen de afwijzing tot vergoeding voor lid-teler Cualin ongegrond, verklaard.

Bij brief van 28 augustus 2012 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Daarop is door appellante gereageerd bij brief van 14 augustus 2013.

Op 4 december 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht. Voor appellante is voorts verschenen [naam 1] en [naam 2]. Voor verweerder is voorts verschenen [naam 3].

Overwegingen

1.

Op 18 juni en 22 juni 2011 zijn Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 585/2011 en nr. 543/2011 van de Commissie in werking getreden met maatregelen ter ondersteuning van de sector groenten en fruit in het kader van de crisis rond de EHEC-bacterie (het zogenaamde Noodfonds en Actiefonds). Uitvoeringsverordening 543/2011 is per 22 juni 2011 in de plaats getreden van Verordening (EG) nr. 1580/2007. Tot uiterlijk 11 juli 2011 konden producenten van onder andere sla, tomaten en komkommers steun aanvragen van de Unie in verband met het uit de markt nemen, niet-oogsten of groen oogsten van producten wegens de EHEC-crisis.

Verordening 1580/2007 bepaalde, voor zover hier van belang:

"Artikel 79

Voorafgaande melding van verrichtingen voor het uit de markt nemen van producten

1.

De producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties melden elke door hen geplande verrichting voor het uit de markt nemen van producten aan de bevoegde nationale autoriteiten aan de hand van een schriftelijk of elektronisch bericht. Deze melding bevat met name de lijst van de producten waarvoor interventie wordt toegepast, alsmede de belangrijkste kenmerken van die producten uit het oogpunt van de betrokken handelsnormen, een schatting van de hoeveelheid van elk betrokken product, de beoogde bestemming van de uit de markt genomen producten en de plaats waar zij overeenkomstig artikel 110 kunnen worden gecontroleerd. De melding bevat tevens een normcontrolecertificaat waarin staat dat de uit de markt genomen producten voldoen aan de in artikel 77 bedoelde handelsnormen of minimumeisen.

(…)"

Uitvoeringsverordening 543/2011 bepaalt, voor zover hier van belang:

"Artikel 78

Voorafgaande melding van het uit de markt nemen van producten

1.

Telkens wanneer de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties van plan zijn producten uit de markt te nemen, melden zij dit aan de nationale bevoegde autoriteiten aan de hand van een schriftelijk of elektronisch bericht.

Deze melding bevat met name de lijst van de producten waarvoor interventie wordt toegepast, alsmede de belangrijkste kenmerken van die producten uit het oogpunt van de betrokken handelsnormen, een schatting van de hoeveelheid van elk betrokken product, de beoogde bestemming van de uit de markt genomen producten en de plaats waar zij overeenkomstig artikel 108 kunnen worden gecontroleerd.

De melding bevat tevens een certificaat waarin staat dat de uit de markt genomen producten voldoen aan de in artikel 76 bedoelde handelsnormen of minimumeisen.

(…)"

Uitvoeringsverordening 585/2011 bepaalt, voor zover hier van belang:

"Artikel 3

Toepasselijkheid van de voorschriften

Tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn Verordening (EG) nr. 1234/2007, Verordening (EG) nr. 1580/2007 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van toepassing op producentenorganisaties en de leden ervan en mutatis mutandis op de in artikel 5 bedoelde producenten."

2.

Appellante heeft voor haar lid Cualin, tomatenteler gevestigd in Spanje, een drietal meldingen van schadegevallen gedaan bij verweerder. De schade was ontstaan door het uit de markt nemen van producten in verband met de EHEC-crisis. In alle drie de gevallen heeft appellante de melding gedaan nadat de producten uit de markt waren genomen. Verweerder heeft bij besluit van 7 oktober 2011 de hoogte van het bedrag dat wordt uitgekeerd uit het Noodfonds en het Actiefonds ten behoeve van EHEC schade lager vastgesteld dan door appellante was aangevraagd.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift, voor zover het zich richtte tegen afwijzing van schadevergoeding aan Cualin, ongegrond verklaard. Verweerder heeft als volgt overwogen. Voor Cualin heeft appellante melding gemaakt van 21 interventies met betrekking tot het uit de markt nemen van producten. Bij brief van 28 februari 2012 heeft appellante aanvullende informatie over de interventies opgestuurd. Deze informatie is gekoppeld aan de door appellante gedane meldingen teneinde te verifiëren of de producten daadwerkelijk uit de markt zijn genomen en zijn afgevoerd naar een verwerker. Deze koppeling kon worden gemaakt. De meldingen van appellante zijn echter gedaan ruim nadat de producten zijn afgevoerd. Had verweerder een controleur naar Spanje willen sturen om te controleren dat de producten uit de markt waren genomen en waren afgevoerd, dan was dat door de late meldingen van appellante niet meer mogelijk geweest. Dit is in strijd met artikel 78 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011. Aangezien het vooraf melden van interventies een harde eis is die gesteld wordt aan het kunnen uitbetalen van schadevergoeding, kan voor de meldingen van appellante niet worden uitbetaald.

4.

Appellante voert in beroep het volgende aan. De late meldingen kunnen niet aan appellante worden tegengeworpen. Het vereiste van een melding vloeit voort uit Europese Verordeningen, echter dit moet niet worden gezien als een constitutief vereiste, maar veeleer als een controlemiddel. De producten van Cualin voldeden aan de gestelde eisen en appellante heeft middels documentatie aangetoond dat de producten van Cualin daadwerkelijk uit de markt zijn genomen en zijn afgevoerd. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook erkend. Het kan appellante evenmin worden tegengeworpen dat zij de interventies niet vooraf gemeld heeft omdat verweerder heeft aangegeven dat buitenlandse leden van Nederlandse producentenorganisaties niet in aanmerking kwamen voor schadevergoeding uit het Noodfonds en het Actiefonds. De reden hiervoor was dat verweerder niet over de benodigde capaciteit beschikte om bij buitenlandse leden te controleren. Vertegenwoordigers van verweerder hebben tijdens meerdere gelegenheden dit standpunt ingenomen. Voorts heeft verweerder niet gereageerd op e-mails van appellante waarin zij vraagt hoe om te gaan met schadegevallen bij buitenlandse leden. Verweerder had op deze e-mails moeten reageren indien hij van mening was geweest dat de handelwijze van appellante ten aanzien van het uit de markt nemen van producten zonder voorafgaande melding niet juist was. Desnoods had verweerder de e-mails van appellante van 8 juni 2011 en 15 juni 2011 als voorafgaande meldingen moeten aanmerken. Verweerder had in het geval van Cualin kunnen kiezen voor een administratieve controle in plaats van een fysieke controle van 100% en had zodoende tegemoet kunnen komen aan het praktische bezwaar dat Cualin is gevestigd in Spanje. Appellante was voorts niet in staat om voor Cualin vrachtbrieven op te stellen omdat deze door verweerder ter beschikking zouden worden gesteld. Dit is echter nooit gebeurd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder autonoom een werkwijze gehanteerd die niet werd voorgeschreven door de Europese regelgeving en daarmee zelfs in strijd was. Deze onrechtmatige werkwijze maakte het recht op schadevergoeding voor buitenlandse leden illusoir. Buitenlandse leden die naar eer en geweten zoveel mogelijk aan de materiële eisen van de toepasselijke Verordeningen hebben voldaan mogen niet de dupe worden van de onrechtmatige werkwijze van verweerder.

5.1

Tussen partijen is in geschil of verweerder appellante terecht geen schadevergoeding heeft toegekend voor haar lid-teler Cualin uit het Noodfonds en het Actiefonds ten behoeve van de EHEC crisis. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2

In de eerste plaats overweegt het College dat – zoals door appelante in haar beroepschrift is opgemerkt – verweerder, voor zover hier van belang, enkel Uitvoeringsverordening 543/2011 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Uitvoeringsverordening 543/2011 is op 22 juni 2011 inwerking getreden. Dit tijdstip is later gelegen dan het tijdstip van een aantal van de meldingen van appellante. Op deze meldingen is de voorganger van Uitvoeringsverordening 543/2011 – Verordening 1580/2007 – van toepassing. Het bestreden besluit is in zoverre niet volledig. Het College stelt vast dat de relevante bepalingen van Uitvoeringsverordening 543/2011 en Verordening 1580/2007 (respectievelijk artikel 78 en artikel 79), zoals hiervoor weergegeven, wat betreft tekst en strekking in overeenkomen. Het feit dat verweerder niet beide bepalingen aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd behoeft naar het oordeel van het College geen gevolgen te hebben voor het bestreden besluit.

5.3

Vervolgens overweegt het College dat, blijkens de tekst van artikel 78 van Uitvoeringsverordening 543/2011 en artikel 79 van Verordening 1580/2007, de melding van een producentenorganisatie dat men van plan is producten uit de markt te nemen, het beginpunt is van de procedure die gevolgd dient te worden om voor steun in aanmerking te komen ten aanzien van producten die vervolgens daadwerkelijk uit de markt zijn genomen. Anders dan appellante is het College van oordeel dat de melding voorafgaand aan het uit de markt nemen van producten, geen procedureel voorschrift betreft, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een eventuele toekenning van steun. Een aanvraag voor steun kan pas aan de orde zijn nadat een voorgenomen interventie is gemeld en de interventie is toegestaan. Van appellante had verwacht mogen worden dat zij begreep dat zonder voorafgaande melding geen steun zou worden toegekend aan haar lid-teler Cualin. De vergelijking die appellante maakt met een uitspraak van het College van 11 maart 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2409) gaat niet op omdat in die zaak, anders dan in het onderhavige geschil, wèl aan alle eisen voor steun was voldaan.

5.4

Het College volgt appellante niet in haar stelling dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij de interventie niet vooraf heeft gemeld omdat verweerder had medegedeeld dat in het buitenland geen controles zouden worden uitgevoerd. Ondanks dat appellante voornemens was vooraf een melding in te dienen, heeft zij vervolgens zelf besloten dat, op basis van deze mededeling van verweerder, voorafgaand melden geen zin had. Geplaatst tegen de duidelijke achtergrond van artikel 78 van Uitvoeringsverordening 543/2011 en artikel 79 van Verordening 1580/2007, waarvan appellante op de hoogte was dan wel had kunnen en moeten zijn, moet het risico van deze beslissing, voor rekening van appellante komen.

5.5

Het betoog van appellante dat de e-mails van 8 juni 2011 en 15 juni 2011 zo nodig kwalificeren als voorafgaande meldingen volgt het College evenmin. Blijkens de tekst van artikel 78 van Uitvoeringsverordening 543/2011 en artikel 79 van Verordening 1580/2007 moet een voorafgaande melding een aantal punten bevatten, zoals de lijst van de producten waarvoor interventie wordt toegepast, alsmede de belangrijkste kenmerken van die producten, een schatting van de hoeveelheid, de beoogde bestemming van de uit de markt genomen producten en de plaats waar zij kunnen worden gecontroleerd. Voornoemde e-mails zijn naar het oordeel van het College in (te) algemene bewoordingen opgesteld om op zichzelf als voorafgaande meldingen te kunnen kwalificeren, en zijn veeleer gericht op het verkrijgen van medewerking van verweerder dan op het doen van een voorafgaande melding. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het College geen sprake van abnormale of onvoorzienbare omstandigheden. Dat oordeel staat een geslaagd beroep op overmacht in de weg.

6.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.

w.g. M. Munsterman w.g. J. van Santvoort