Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:125

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
AWB 12/1058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht; gemotiveerde betwisting door betrokkene van de door appellante gestelde feiten en omstandigheden; in dit geval is onvoldoende vast komen te staan dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijst moet worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants, geldigheid: 2014-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1739

Uitspraak


College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummer: 12/1058 1 april 2014

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam] , te [woonplaats], appellante van een uitspraak van de accountantskamer van 12 oktober 2012, met nummer 12/645 WTRA AK.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 8 november 2012, bij het College binnengekomen op 9 november 2012, hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 26 maart 2012 door appellante ingediend tegen [betrokkene] (hierna: betrokkene).

De accountantskamer heeft bij brief van 3 december 2012 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 27 december 2012 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 4 maart 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante en betrokkene zijn in persoon verschenen. Betrokkene is bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. J.C.J. Wouters.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van die klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0315), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Appellante voert – samengevat – aan dat zij vertrouwde op de expertise van betrokkene. Zij heeft hem om fiscaal advies gevraagd, in het kader van het opzetten van een eigen bedrijfje in het fokken van katten, omdat zij zelf niet begreep hoe zij de belastingpapieren in moest vullen. Betrokkene kwalificeerde haar plannen fiscaal als “startende onderneming”, terwijl zij nog geen activiteiten verrichtte. Appellante stelt dat zij het niet op deze manier wilde; zij wilde rustig opstarten maar zich heeft laten meeslepen door betrokkene. Hij hield vol dat sprake was van een (startende) onderneming, en hij heeft dit volgehouden, ook nadat de belastingdienst de (eerste) aangifte niet accepteerde. Betrokkene heeft niet met haar inhoudelijk gesproken over de aangiftes en het maken van bezwaar. Evenmin over de mogelijkheid dat de belastingdienst haar niet als een startende ondernemer zou beschouwen. Van uitgebreid overleg is geen sprake geweest. Appellante heeft de fiscale adviezen van betrokkene overgenomen: daarvoor had zij hem ingehuurd. Het ontbreekt haar aan de kennis om dat zelf te kunnen doen. Appellante kon niet weten dat hij fiscaal fout zat. Nu zit zij met de gevolgen van het onjuiste advies van betrokkene, aldus appellante. Zij verwijst ook naar de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, waarin bevestigd wordt dat in haar geval geen sprake was van een onderneming. Bovendien zijn de rekeningen door het (toenmalige) kantoor van betrokkene gecrediteerd en terugbetaald, waaruit kan worden afgeleid dat wordt erkend dat er een fout is gemaakt.

3.2

Betrokkene voert – samengevat – aan dat hij wel uitgebreid met appellante heeft gesproken over (de aard van) haar plannen, de toekomst en de (fiscale) mogelijkheden, waaronder een eigen onderneming. Samen met appellante is hij tot de conclusie gekomen dat dit, gelet op de ambities van appellante, met het oog op de toekomst mogelijk was. Hij heeft appellante gewezen op de mogelijkheid dat de belastingdienst haar niet als een startende ondernemer zou beschouwen. Zij hebben herhaaldelijk overleg gehad, bijvoorbeeld over het maken van bezwaar. Appellante heeft reeds met ingang van 1 april 2010, derhalve vóór het boekenonderzoek van 5 juli 2010, haar ondernemingsactiviteiten beëindigd. Dat was een beslissing van appellante zelf; betrokkene kan daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden. Indien appellante het bedrijf daadwerkelijk gestalte had gegeven door middel van het ontplooien van ondernemingsactiviteiten dan was er volgens betrokkene fiscaal niets aan de hand geweest. Voorts kan uit de creditering van de gefactureerde werkzaamheden door het toenmalige kantoor van betrokkene niet worden opgemaakt dat wordt erkend dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.3

Het College overweegt als volgt.

Voorop staat, dat het in deze tuchtprocedure in beginsel aan klager (in dit geval appellante) is om de feiten en omstandigheden te stellen en – in het geval van gemotiveerde betwisting daarvan – aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de accountant (in dit geval betrokkene) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Het College stelt vast dat betrokkene de door appellante gestelde feiten en omstandigheden gemotiveerd heeft betwist. In essentie brengen appellante en betrokkene ieder een eigen versie van de wijze van advisering door betrokkene naar voren.
Het College ziet onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene, in aanmerking genomen de aard van de destijds door appellante voorgenomen bedrijfsactiviteiten en haar duidelijke ambities dienaangaande, bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting over zowel 2008 als 2009 een standpunt heeft ingenomen inzake de kwalificatie van de (voorgenomen) activiteiten van appellante als onderneming, dat redelijkerwijs niet verdedigbaar was. De enkele omstandigheid dat de belastingdienst dit standpunt achteraf niet heeft geaccepteerd, en dat de rechtbank Leeuwarden (sector bestuursrecht; belastingkamer) de belastingdienst hierin gelijk heeft gegeven, maakt dit niet anders. Niet aannemelijk is geworden dat betrokkene appellante niet heeft gewezen op de mogelijkheid dat zij door de belastingdienst voor de inkomstenbelasting niet als ondernemer zou worden beschouwd. Het oordeel van de accountantskamer dienaangaande acht het College juist.

Weliswaar heeft het (toenmalige) kantoor van betrokkene besloten om de bij appellante voor de dienstverlening van betrokkene in rekening gebrachte bedragen terug te betalen dan wel de facturen te crediteren nadat het bezwaar tegen de aanslag over 2009 was afgewezen, doch er zijn onvoldoende aanwijzingen dat dit is gebeurd vanwege een erkenning van onjuiste advisering, zoals appellante veronderstelt.

Wat de resterende onderdelen van de klacht van appellante betreft is het College van oordeel dat de accountantskamer deze op juiste gronden ongegrond heeft verklaard. Het College verwijst dan ook naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak.

Nu de bewijslast bij appellante ligt en zij – gezien de gemotiveerde betwisting door betrokkene – haar standpunt niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken door dit bijvoorbeeld te onderbouwen met stukken, kan niet worden vastgesteld dat betrokkene zodanig is tekortgeschoten in zijn advisering aan appellante dat hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt zou moeten worden gemaakt.

3.4

Het hoger beroep is ongegrond.

3.5

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. C.J. Waterbolk en mr. P. Fortuin in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.H. Broier