Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:123

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
AWB 13/247
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:1251, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vrijstelling van verplichte deelname bedrijfstakpensioenfonds; niet aangetoond dat sprake is van tenminste dezelfde aanspraken

Wetsverwijzingen
Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 7, geldigheid: 2014-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummer 13/247 1 april 2014

28201


Uitspraak op het hoger beroep van:

[bedrijf], te [vestigingsplaats], appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2013, met kenmerk ROT 12/4361 (ECLI:NL:RBROT:2013:1251), in het geding tussen

appellante

en

de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, verweerster (hierna: StiPP).

Gemachtigde van appellante: mr. J.W. Janssens.

Gemachtigde van StiPP: mr. D. Bruinse-Pot.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 10 april 2013 – aangevuld bij brief van 9 juli 2013 – hoger beroep ingesteld tegen de bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank).

StiPP heeft bij brief van 8 augustus 2013 gereageerd op het (aanvullend) hoger beroepschrift.

Op 18 februari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigde.

2 De grondslag van het geschil

2.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2

Appellante is sinds 1 februari 2011 verplicht aangesloten bij StiPP. Zij heeft verzocht om vrijstelling op grond van artikel 5, eerste lid, Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit). Bij primair besluit van 26 april 2012 heeft StiPP appellantes verzoek afgewezen, omdat appellante niet heeft aangetoond dat aan haar pensioenregeling ten minste dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend als aan de pensioenregeling van StiPP en daarom niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit.

2.3

Bij de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2012, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft StiPP de in bezwaar nader overgelegde stukken beoordeeld en geconcludeerd dat niet is voldaan aan artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit, zodat het verzoek op die grond alsnog dient te worden afgewezen.

3 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

4 De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1

Het – samengevatte – standpunt van appellante.

Ten onrechte verbindt StiPP aan het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 5, eerste lid, Vrijstellingsbesluit de eis dat sprake dient te zijn van tenminste dezelfde aanspraken als bedoeld in artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit. Deze afwijzingsgrond kent dat besluit niet. Aangezien vaststaat dat aan de voorwaarde van artikel 5, eerste lid, is voldaan, moet de vrijstelling worden verleend. Voor toepassing van aanvullende weigeringsgronden biedt de wet naar de mening van appellante geen ruimte. Wel kan aan de te verlenen vrijstelling vervolgens het in artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit genoemde voorschrift verbonden worden.
Voorts betwist appellante dat geen sprake is van tenminste dezelfde aanspraken als bedoeld in artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit. Omdat het volgens appellante gaat om een totale beoordeling kan, ook als haar pensioenregeling een afwijking laat zien ten opzichte van de regeling van StiPP, nog steeds sprake zijn van dezelfde aanspraken. De rechtbank heeft dit miskend, door geen aanvullend onderzoek te bevelen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat het standpunt van StiPP voldoende was gemotiveerd, nu appellante tegenover die stelling een verklaring heeft overgelegd van de actuaris van haar pensioenverzekeraar (van 5 juli 2012) waaruit blijkt dat wel sprake is van tenminste dezelfde aanspraken. In hoger beroep heeft zij nog een aanvullende verklaring van dezelfde actuaris (van 8 mei 2013) overgelegd naar aanleiding van een wijziging van haar pensioenregeling. Het is volgens appellante aan StiPP om aan te geven op grond waarvan zij deze verklaring(en) niet zou willen aannemen.

4.2

Het – samengevatte – standpunt van StiPP.

Voordat een vrijstelling op grond van artikel 5, eerste lid, Vrijstellingsbesluit kan worden verleend, moet worden onderzocht of aan de verplichte voorwaarden wordt voldaan. Een werkgever dient, op grond van artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit, te beschikken over een pensioenregeling met tenminste dezelfde aanspraken. Volgens StiPP blijkt uit de nota van toelichting bij het Vrijstellingsbesluit dat de verplicht gestelde pensioenregeling zoals het bedrijfspensioenfonds die kent, bij een andere uitvoerder ondergebracht dient te worden. Daarvan kan alleen op onderdelen in positieve zin worden afgeweken. Dit gaat verder dan een collectieve toets op 100% gelijkwaardigheid. In feite moet StiPP’s pensioenregeling één-op-één overgenomen worden. Daaraan voldoet de pensioenregeling van appellante niet. De actuaris van StiPP heeft gekeken naar appellantes pensioenregeling en naar de overgelegde verklaring van de actuaris van appellantes pensioenverzekeraar. Uit de daarbij gevoegde bijlage, waarin op deelnemersniveau de uitkomsten van de berekening worden vermeld, blijkt dat de deelnemers gemiddeld genomen 0,3% vooruit gaan bij een overgang naar appellantes pensioenregeling. Op individueel niveau geldt echter dat meer dan de helft van de deelnemers een achteruitgang ondervindt. Aangezien ook appellantes actuaris reeds tot die conclusie was gekomen, was nader onderzoek niet nodig.
De nu in hoger beroep overgelegde aanvullende verklaring van de actuaris van 8 mei 2013 ziet volgens StiPP op een wijziging van appellantes pensioenregeling, die blijkbaar pas na de uitspraak van de rechtbank heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft de rechtbank dan ook geen rekening kunnen houden bij haar beoordeling. Die verklaring is voorts niet binnen de daarvoor in het Vrijstellingsbesluit opgenomen termijn ingediend, zodat die niet meer kan worden gebruikt om aan te tonen dat (met terugwerkende kracht) is voldaan aan artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit. Het staat appellante overigens wel vrij een nieuw verzoek om vrijstelling in te dienen.
StiPP is van mening dat zij niet in strijd handelt met het Vrijstellingsbesluit door appellante de gevraagde vrijstelling te onthouden, nu zij niet heeft aangetoond te voldoen aan artikel 7, zesde lid. Dat is immers een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan, wil de vrijstelling verleend kunnen worden.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

Ter zitting heeft appellante andermaal, nadat een eerder verzoek al bij griffiersbrief van 10 december 2013 was afgewezen, verzocht om de behandeling van deze zaak aan te houden, omdat zij inmiddels bij de kantonrechter een procedure aanhangig heeft gemaakt ten einde de verplichtstelling van de bedrijfspensioenregeling van StiPP te laten toetsen. Het College heeft ook dit herhaalde verzoek afgewezen. Voor de motivering van deze beslissing wordt verwezen naar de griffiersbrief van 10 december 2013. In deze brief is in aanmerking genomen dat geen indicatie is gegeven omtrent de duur van het gevraagde uitstel, zodat de aanvaardbaarheid daarvan in het licht van de bij het College lopende procedure niet goed kan worden beoordeeld. Hetgeen appellante op de zitting ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht, is in essentie een herhaling van hetgeen zij ook aan haar eerdere verzoek ten grondslag heeft gelegd. De verwijzing van appellante naar een andere bij het College aanhangige zaak, waarin wel tot aanhouding is besloten, doet aan het voorgaande niet af. In die zaak is de kantonrechter reeds tot een uitspraak gekomen, terwijl binnen afzienbare termijn de uitspraak van het Gerechtshof op het hoger beroep wordt verwacht.

5.2

Het College volgt appellante niet in haar standpunt, dat de vrijstelling niet geweigerd kon worden op de grond dat zij niet voldeed aan artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit, maar dat vrijstelling had moeten worden verleend en dat daaraan het in die bepaling genoemde voorschrift verbonden had moeten worden. Zoals de rechtbank in § 3.1 van de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, volgt uit artikel 7, zevende lid, Vrijstellingsbesluit dat een vrijstelling pas wordt verleend nadat is aangetoond dat is voldaan aan de in artikel 7 genoemde voorschriften (zie ook de nota van toelichting; Stb. 2007, 572, p. 9).

5.3

Het College is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat in dit geval niet is voldaan aan de in artikel 7, zesde lid Vrijstellingsbesluit neergelegde voorwaarde, dat aan appellantes pensioenregeling tenminste dezelfde aanspraken ontleend worden als aan de pensioenregeling van StiPP. Daartoe overweegt het College als volgt.

Zoals ook uit de respectievelijke nota’s van toelichting (Stb. 2000, 633, p. 20 en Stcrt. 1998, nr. 78, p. 6) blijkt, betekent de in artikel 7, zesde lid, neergelegde voorwaarde dat de verplicht gestelde pensioenregeling van (in dit geval) StiPP feitelijk bij een andere uitvoerder moet worden ondergebracht. Ondergaat die pensioenregeling een wijziging, dan dient ook de vrijgestelde pensioenregeling op dezelfde wijze te worden aangepast. Er wordt dus uitsluitend vrijstelling verleend van verplichte deelname aan de pensioenregeling bij StiPP; op het punt van de inhoud blijft die regeling leidend en bestaat er geen vrijheid om daarvan af te wijken.

Uit de in bezwaar overgelegde verklaring en de bijlage daarbij van de actuaris van appellantes pensioenverzekeraar volgt dat meer dan de helft van de (individuele) deelnemers een achteruitgang ondervindt, indien zij overgaan naar de regeling van appellante. Appellante betwist dit niet. Gelet op artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit kan dan niet worden gezegd dat aan de pensioenregeling van appellante tenminste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van StiPP. Dat de deelnemers er gemiddeld genomen op vooruitgaan, doet daar niet aan af.

5.4

Appellante heeft in hoger beroep de aanvullende verklaring van 8 mei 2013 van de actuaris overgelegd, die is opgesteld naar aanleiding van een wijziging van haar pensioenregeling. Het College is van oordeel dat StiPP terecht geen aanleiding heeft gezien in deze vrijstellingsprocedure de gewijzigde pensioenregeling van appellante alsnog (met terugwerkende kracht) te beoordelen. Uit artikel 1a Vrijstellingsbesluit volgt immers dat, in het kader van de behandeling van een verzoek tot vrijstelling, de daarin nader genoemde termijnen moeten worden gehanteerd. Niet in geschil is dat de aanvullende verklaring van 8 mei 2013 (ruimschoots) buiten de termijn, waarbinnen appellante diende aan te tonen dat zij voldeed aan artikel 7, zesde lid, Vrijstellingsbesluit, is overgelegd. Indien appellante van mening is dat thans wel aan die bepaling wordt voldaan, staat het haar vrij een nieuw vrijstellingsverzoek bij StiPP in te dienen.

5.5

Het College komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6 De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. W.A.J. van Lierop en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
1 april 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.H. Broier