Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA1512

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
AWB 10/645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Subsidievaststelling conform subsidieverlening. Formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 10/645

27300 Kaderwet EZ-subsidies

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2013 in de zaak tussen

Stichting Springland, te Haarlem, appellante

gemachtigden: A en B, respectievelijk voorzitter en directeur van appellante,

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

gemachtigden: mr. E.M. Hendriks en drs. ing. H.J. Boomsma.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft verweerder de aan appellante verleende subsidie voor het project "Don Quichot in Holland" (hierna: project) vastgesteld op een bedrag van € 135.505,82. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat op basis van de vastgestelde subsidie en de reeds verstrekte voorschotten (€ 160.000,-) een bedrag van € 24.494,18 te veel is betaald. Verweerder heeft appellante verzocht dit bedrag binnen zes weken terug te storten.

Bij besluit van 4 juni 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2012.

Gemachtigden van partijen zijn ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Het College neemt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten als vaststaand aan.

Bij brief van 20 oktober 2008 heeft appellante de toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en verweerder verzocht om een bijdrage van € 300.000,- voor het project. Op 10 december 2008 heeft een medewerker van VROM per email aan appellante bericht dat zijn ministerie met verweerder overleg heeft gepleegd en dat in dat overleg is bevestigd dat zij gezamenlijk voor € 200.000,- willen participeren in het project. Voorts is appellante bericht dat de contacten en financiering via verweerder zullen lopen. Op 21 januari 2009 heeft appellante op instigatie van verweerder een schriftelijk verzoek om subsidie ingediend. Op 20 februari 2009 heeft een medewerker van verweerder bericht dat subsidie mogelijk is tot de toezegging van € 200.000,-, als aangetoond is dat subsidiabele kosten zijn gemaakt. In de bijlage van die email bevindt zich een document met de titel “Formule subsidietoewijzing Don Quichot”. Daarin is onder meer vermeld dat het toe te wijzen subsidiebedrag maximaal € 200.000,- is, uitgaande van de totale begroting van € 1.800.000,-, d.w.z. 11% van de subsidiabele kosten. Bij besluit van 10 april 2009 heeft verweerder op grond van artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies subsidie verleend voor ten hoogste € 200.000,-, onder de mededeling dat het bedrag van de subsidie 11% van de subsidiabele kosten zal bedragen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

2. In dit geschil is aan de orde de vraag of verweerder de subsidie terecht op 11% van de subsidiabele kosten, zijnde € 135.505,82, heeft vastgesteld.

Appellante heeft gesteld dat verweerder de subsidie op € 200.000,- had moeten vaststellen. Daartoe heeft zij met een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verwezen naar (onder meer) de email van een medewerker van VROM van 10 december 2008, waarin verweerder volgens appellante zonder voorbehoud heeft toegezegd dat € 200.000,- aan subsidie zal worden toegekend. De 11%-voorwaarde kan appellante, naar zij stelt, niet worden tegengeworpen. Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gevolg van zijn besluit dat vanwege de lagere subsidie voor appellante een faillissement dreigt. Appellante acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Niet in geschil is dat appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit tot subsidieverlening van 10 april 2009, zodat deze beslissing tussen partijen in rechte vaststaat. Dat appellante om haar moverende redenen geen bezwaar heeft aangetekend tegen dit besluit, kan hier niet aan afdoen. Op grond van het bepaalde in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb moet de subsidie na een besluit tot subsidieverlening overeenkomstig de subsidieverlening worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat bezwaren die in wezen zijn gericht tegen de subsidieverlening, niet meer kunnen worden ingebracht tegen vaststelling van de subsidie.

Het College stelt vast dat ìn het besluit tot subsidieverlening is vermeld dat het bedrag van de uiteindelijke subsidie ten hoogste zal worden vastgesteld op € 200.000,- en dat het bedrag van de subsidie 11% van de subsidiabele kosten zal bedragen. Voorts moet worden vastgesteld dat de gronden die appellante in het beroep tegen de subsidievaststelling heeft ingediend alle in wezen zien op het besluit tot subsidieverlening. Aan een beoordeling daarvan komt het College, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe. Meer in het bijzonder wijst het College erop dat de email van een medewerker van VROM van 10 december 2008, waarop appellante zich heeft beroepen, dateert van vóór de subsidieverlening en dat de daaraan ontleende beroepsgrond van appellante inhoudt dat de beslissing tot subsidieverlening niet overeenstemt met de in de email gedane toezegging, doordat in die beslissing een voorwaarde is gesteld die niet in de email is genoemd. Daarmee ziet ook deze beroepsgrond - wat daarvan overigens verder ook zij - in wezen op het besluit tot subsidieverlening en geldt daarvoor dat het College aan een beoordeling daarvan niet toekomt.

Het College komt dan ook tot de conclusie dat verweerder de subsidie terecht heeft vastgesteld op 11% van de subsidiabele kosten. Nu de door appellante opgegeven subsidiabele kosten € 1.231.871,17 bedroegen, heeft verweerder de subsidie terecht op 11% van dat bedrag, zijnde € 135.505,82 bepaald.

4. Het argument dat appellante niet in staat is het teveel betaalde bedrag terug te storten, betreft een invorderingskwestie. Deze kwestie kan in de voorliggende zaak niet aan de orde komen, omdat het bestreden besluit daarop niet ziet. Naar het College ter zitting duidelijk is geworden, heeft verweerder na de hoorzitting aan appellante gevraagd haar verzoek om niet tot invordering over te gaan, te onderbouwen. Aldus heeft appellante de gelegenheid gehad haar argument in te brengen in een procedure waarin dit argument in de beoordeling kan worden betrokken.

5. Het College komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en dr. B. Hessel, in aanwezigheid van mr. N.W.A. Verrijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. N.W.A. Verrijt

Afschrift verzonden aan partijen op: