Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA1170

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/145
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

AAN-laag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/145

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2013 in de zaak tussen

A, te B, appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 16 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het primaire besluit deels herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder het bestreden besluit vervangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2013. Appellant is verschenen. Voor verweerder is de genoemde gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Appellant heeft voor 2010 om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht en hiervoor 15 percelen met een totale oppervlakte van 20.52 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld. Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 1.07 ha afgekeurd en onder oplegging van een aanvullende korting appellants bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 6.746,51 (inclusief modulatiekorting). Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar hiertegen gedeeltelijk gegrond verklaard. De oppervlakten van de percelen 9, 10, 11, 12, 13 en 15 zijn gewijzigd vastgesteld en appellant is een bedrag van € 44,- (inclusief modulatiekorting) nabetaald.

2. Appellant voert aan dat de percelen 12, 13 en 14 door verweerder zijn gemeten en volgens die meting een oppervlakte van 1.55 ha hebben. Volgens het pachtcontract is de oppervlakte in totaal 2.25 ha en volgens eigen opgave van appellant 2.12 ha. De verschillen zijn te groot en leiden ertoe dat aan appellant een te hoge korting is opgelegd. Een medewerker van verweerder heeft aangegeven dat de percelen vanaf papier lastig zijn te meten. Om die reden is appellant van mening dat alleen een onderzoek ter plaatste uitsluitsel biedt en verzoekt hij om een fysieke veldinspectie.

3. Verweerder stelt dat constatering van oppervlakten door middel van een administratieve controle in overeenstemming is met de artikelen 28 en 29 van Verordening (EG) nr. 1122/2009.

Een referentieperceel is een geografisch begrensde oppervlakte met een - in het Geografisch informatiesysteem (GIS) geregistreerde - unieke identificatie in het identificatiesysteem van de lidstaat als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 73/2009. Het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen wordt opgezet op basis van kaarten of kadastrale documenten of andere cartografische gegevens. Daarbij wordt ingevolge artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 gebruik gemaakt van technieken op basis van GIS, bij voorkeur inclusief orthobeelden van lucht- of satellietopnamen, met een homogene norm die een precisie waarborgt die ten minste overeenkomt met die van kaarten op schaal 1:10000.

Verweerder ziet geen reden voor een fysieke veldinspectie aangezien de referentiepercelen en de perceelsgrenzen op basis van de luchtfoto van het betreffende premiejaar, al dan niet in combinatie met luchtfoto's uit eerdere jaren, duidelijk zijn waar te nemen. De werkwijze om op basis van deze duidelijk zichtbare perceelsgrenzen op de luchtfoto de perceelsoppervlakte te berekenen is de technisch beste methode om perceelsoppervlakten vast te stellen en dient bij voorkeur te worden gehanteerd. Een GPS-meting bij een veldinspectie is dus niet nauwkeuriger dan de metingen op basis van luchtfoto's en heeft geen toegevoegde waarde. In het geval van appellant bestaat geen aanleiding om hiervan af te wijken. Voor de identificatie van de referentiepercelen is de luchtfoto derhalve het aangewezen middel. Verweerder is van mening dat de oppervlakte van de percelen 12, 13 en 14 juist is vastgesteld en verwijst hierbij naar de foto's van deze percelen.

Op grond van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is verweerder gehouden een korting op te leggen indien de afgekeurde oppervlakte groter is dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte. Verweerder heeft geen mogelijkheid om hiervan af te wijken.

4. Het College overweegt als volgt. Een lidstaat moet administratieve controles uitvoeren op steunaanvragen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, waaronder de verificatie van de subsidiabele oppervlakte. Ter ondersteuning hiervan is een lidstaat op basis van Verordening (EG) nr. 73/2009 en Verordening (EG) nr. 1122/2009 verplicht om een systeem voor de identificatie van referentiepercelen op te zetten. In Nederland is dit systeem gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Deze topografische percelen kunnen bestaan uit één of meerdere gewaspercelen. Met ingang van premiejaar 2009 zijn alle referentiepercelen opnieuw vastgesteld. Samen vormen zij de AAN-laag.

Het College stelt vast dat verweerder de door appellant opgegeven en thans in geding zijnde gewaspercelen 12, 13 en 14 heeft gecontroleerd aan de hand van de referentiepercelen. Gelet op artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is de functie van het systeem van referentiepercelen, (Agrarisch Areaal Nederland, 'AAN-laag') - dat in Nederland op luchtfoto's is gebaseerd - om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte. Blijkens artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van deze verordening dient verweerder bij wijze van administratieve kruiscontrole de opgegeven percelen landbouwgrond met (de oppervlakte van) de referentiepercelen te vergelijken om na te gaan of de percelen landbouwgrond als zodanig voor steun in aanmerking komen. Dat verweerder de AAN-laag heeft gebruikt om te controleren of en zo ja in hoeverre de door appellant opgegeven gewaspercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden is dus in overeenstemming met de regelgeving. Verweerder heeft in dit geval de oppervlakte van het door appellant opgegeven perceel landbouwgrond niet gemeten en ook niet hoeven meten. Verweerder kan immers ook zonder het perceel landbouwgrond te meten vaststellen of de opgegeven oppervlakte als zodanig de maximale subsidiabele oppervlakte van het referentieperceel te boven gaat.

Wat betreft de eventuele noodzaak van een controle ter plaatse in dit geval overweegt het College dat appellant geen voldoende concrete argumenten heeft aangedragen die erop duiden dat het vaststellen van de referentiepercelen op basis van de luchtfoto's tot onjuiste of onbetrouwbare resultaten heeft geleid en dat een controle ter plaatse het geëigende middel is om tot een juiste oppervlaktevaststelling te komen. Het College ziet daarom niet in dat verweerder een controle ter plaatse had moeten verrichten.

5. Appellant is het verder niet eens met de door verweerder opgelegde aanvullende korting en stelt dat deze onevenredige nadelige gevolgen voor hem heeft. Verweerder stelt terecht dat hij op grond van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is gehouden een korting toe te passen door de steun te berekenen op basis van de geconstateerde oppervlakte verminderd met tweemaal het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, aangezien dat verschil meer dan 3 % maar minder dan 20 % bedraagt. Ingevolge artikel 73 van Verordening (EG) nr. 1122/2209 blijft de korting achterwege als appellant feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins bewijst dat hem geen schuld treft. Nu niet kan worden gesteld dat appellant juiste gegevens heeft verstrekt en het College evenmin is gebleken dat appellant in dit geval geen schuld treft, biedt dit artikel hier geen soelaas. Artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2209 laat daarnaast geen ruimte voor een belangenafweging zodat verweerder bij zijn beslissing aan de nadelige gevolgen van die korting geen betekenis kan toekennen. Appellants beroep op het evenredigheidsbeginsel kan daarom niet slagen. Partijen zijn het erover eens dat geen sprake is van opzet, maar het al dan niet bestaan van opzet leidt niet tot een lagere korting voor appellant.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven