Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA1015

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/206
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening Gwd; Varkensbesluit; last onder bestuursdwang; maatvoering van troggen; belang van verzoekster weegt in dit geval zwaarder dan belang van verweerder; toewijzing verzoek; schorsing maatregelen tot uitspraak in bodemzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/206

11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

A v.o.f., te B, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 januari 2013 (primaire besluiten) heeft verweerder verzoekster lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd), het Varkensbesluit en het Besluit welzijn productiedieren.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft verzoekster zich gewend tot de voorzieningenrechter van het College en verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brieven van 8 april 2013 heeft verzoekster nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 10 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Namens verzoekster is daar verschenen B, bijgestaan door mr. Smaling. Verweerder was vertegenwoordigd door mr. Tieleman. Namens verweerder is tevens verschenen C, toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoekster heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening beperkt tot de in de primaire besluiten opgelegde (en bij het bestreden besluit gehandhaafde) maatregelen, die zien op de maatvoering van de troggen (te weten: maatregel 4). Met deze maatregelen is haar aangezegd er zorg voor te dragen dat, indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, de lengte van de rechte trog zodanig is dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.

Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe de uitvoering van deze maatregelen te schorsen.

3. Verzoekster voert – samengevat – aan dat niet kan worden ontkend dat sprake is van een overtreding, maar dat nog wel een belangenafweging moet worden gemaakt voordat tot handhaving kan worden overgegaan. Van belang is dat de bedrijfsvoering op het bedrijf van verzoekster, die voorziet in een voederfrequentie van 18 maal per dag met tussenpozen van een half uur tot anderhalf uur, in feite op één lijn kan worden gesteld met onbeperkt voeren. Daardoor is gegarandeerd dat elk individueel varken dagelijks voldoende voedsel tot zich kan nemen. Verweerder heeft niet weersproken dat de varkens in goede conditie zijn en geen agressie vertonen. Verzoekster verwijst ook naar enkele verklaringen van dierenartsen. Onbeperkt voeren is bovendien achterhaald. Er zijn nog maar weinig varkenshouders die op die wijze voeren. Bij onbeperkt voeren stijgt het spekpercentage van de varkens aanzienlijk, terwijl de consument mager varkensvlees verlangt. In feite is sprake van gedateerde regelgeving. Om te voldoen aan de maatregelen, moet een aanzienlijke investering worden gedaan. Verzoekster heeft dit voedersysteem al vijftien jaar in gebruik. Er is ook sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat alleen verzoekster aangeschreven is, terwijl zij niet de enige is die niet onbeperkt voedert.

4. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat verzoekster in strijd met artikel 11, tweede lid, Varkensbesluit handelt. Dat de varkens in een goede conditie verkeren en er geen gevolgen van agressie zichtbaar zijn, maakt dat niet anders. Verweerder heeft geen ruimte om van een algemeen verbindend voorschrift af te wijken. Verweerder verwijst ook naar wetenschappelijk onderzoek over groepshuisvesting van varkens. Door deze voederwijze van verzoekster is niet onbeperkt voedsel beschikbaar en kan er onrust en agressie ontstaan. Het dierenwelzijn wordt daardoor benadeeld. Verzoekster kan er op verschillende manieren voor zorgen dat zij niet meer in overtreding is. Zij kan ad libitum gaan voeren, en niet langer met tussenpozen. Daarnaast kan zij een automatisch individueel voedersysteem installeren of de lengte van de trog aanpassen. De begunstigingstermijn, die is verlengd tot 20 april 2013, is voldoende om de voorgeschreven maatregelen te realiseren.

5. De maatregelen, waar het in dit geding om gaat, zijn gebaseerd op artikel 11, tweede lid, Varkensbesluit. Dit artikel luidt als volgt:

“Artikel 11

1. Het voedersysteem in groepshuisvesting waarborgt dat alle varkens voldoende voedsel tot zich kunnen nemen, zelfs in aanwezigheid van concurrenten.

2. Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.”

6. De voorzieningenrechter stelt enerzijds vast dat artikel 11, tweede lid, Varkensbesluit een duidelijke eis stelt met betrekking tot de wijze van voederen van varkens en verzoekster niet betwist dat haar wijze van voederen daar strikt genomen niet aan voldoet. Anderzijds is het betoog van verzoekster er in de kern op gericht dat die bepaling achterhaald is en dat zij met haar voedersysteem juist in de geest daarvan handelt, zodat overtreding daarvan er niet toe kan en mag leiden dat er handhavend wordt opgetreden door middel van de onderhavige last onder bestuursdwang. In dat verband lijkt het voedersysteem dat verzoekster hanteert in de praktijk geen – uit een oogpunt van dierenwelzijn – onwenselijke situatie op te leveren en er ook toe te leiden dat elk individueel varken dagelijks voldoende te eten krijgt.

Het betoog van verzoekster roept vragen op met betrekking tot de rechtmatigheid van de last onder bestuursdwang, die zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat deze vragen in een bodemprocedure (door een meervoudige kamer) worden beantwoord. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarop vooruit te lopen door het geven van een (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel, en zal zich daarom beperken tot een beoordeling van de vraag of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

7. De termijn waarbinnen verzoekster aan de aangezegde maatregelen dient te voldoen, verloopt (na verlenging van de termijn door verweerder) op 20 april 2013. Het spoedeisende belang is daarmee gegeven.

8. Met betrekking tot het belang van verweerder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder onmiskenbaar een zwaarwegend belang heeft bij naleving van artikel 11, tweede lid, Varkensbesluit, dat immers ziet op de gezondheid en het welzijn van dieren.

Aan de andere kant is duidelijk dat het onmiddellijk treffen van de door verweerder verlangde maatregelen voor verzoekster behoorlijk ingrijpend is en hoe dan ook grote bedrijfseconomische consequenties zal hebben. Verzoekster heeft toegelicht dat het aanpassen van de troggen aan de regelgeving betekent dat ook de hokken en stallen aangepast dienen te worden en dat die hele operatie een aanzienlijke investering vergt zowel in tijd als in geld. Het overgaan op het voederen ad libitum in de door verweerder gewenste zin is qua investering minder ingrijpend, maar dit zou betekenen dat varkens worden afgeleverd met een hoger spekpercentage dan tegenwoordig door de markt wordt gevraagd.

Gesteld noch gebleken is voorts dat in dit geval sprake is van een zodanig slechte gezondheids- of welzijnssituatie van de varkens op het bedrijf van verzoekster dat onmiddellijk ingrijpen nodig is. In het toezichtrapport van het onderzoek op 17 december 2012 is daarover geen opmerking gemaakt die daartoe aanleiding zou geven. Weliswaar heeft verweerder gesteld dat het door verzoekster gehanteerde systeem mogelijk zou kunnen leiden tot enige onrust en agressie bij de varkens tijdens het voeren, maar dat is tijdens het bewuste onderzoek niet geconstateerd. Verweerder heeft ook niet betwist dat verzoekster het door haar gehanteerde voedersysteem al vijftien jaar in gebruik heeft. Gelet daarop is onvoldoende aannemelijk te achten dat hier sprake is van een uit een oogpunt van dierengezondheid en -welzijn zeer onwenselijke situatie, waaraan op korte termijn een einde dient te worden gemaakt.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat onmiddellijke uitvoering van de in geschil zijnde maatregelen onevenredig nadeel oplevert voor verzoekster en dat het belang van verzoekster bij schorsing daarvan zwaarder weegt dan het belang van verweerder om uit oogpunt van dierenwelzijn meteen handhavend op te treden.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit en de primaire besluiten, voor zover het betreft de maatregelen die zien op de maatvoering van de trog, worden geschorst tot het College uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak.

Het College zal zich inspannen de behandeling van dit beroep door een meervoudige kamer te bespoedigen.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

11. Tot slot dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht, voor zover het de voorlopige voorziening betreft, te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit en de primaire besluiten, voor zover het betreft de maatregelen die zien op de maatvoering

van de trog, tot het College uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan verzoekster;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. P.H. Broier

Afschrift verzonden aan partijen op: