Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA0934

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit personenvervoer 2000; Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten; besluit schorsing chauffeurskaart; voorlopige voorziening getroffen; besluit geschorst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1455

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

13/236 23 april 2013

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoeker

gemachtigde: mr. A. Kilinç

tegen

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

gemachtigden: mr. M.B. Gschwind en S. Schotte.

1. De procedure

Bij besluit van 25 maart 2013 heeft verweerder de chauffeurspas van verzoeker voor het verrichten van taxivervoer vanaf die datum voor twaalf weken geschorst.

Verzoeker heeft op 5 april 2013 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij faxbericht van 8 april 2013 heeft verzoeker zich gewend tot de voorzieningenrechter van het College met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudend dat verweerder hangende de beslissing op bezwaar verweerder de chauffeurspas aan verzoeker terug geeft.

Bij faxbericht van 10 april 2013 heeft verweerder een reactie op het verzoek en de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij faxbericht van 17 april 2013 heeft verweerder op verzoek van de voorzieningenrechter van het College diverse processen-verbaal van 23 maart 2013 ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 18 april 2013, waarbij verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wegenverkeerswet 1994 luidt voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 6

Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat."

Het Besluit personenvervoer 2000 (het Besluit) luidde tot 1 oktober 2011 voor zover thans van belang als volgt:

" Artikel 77

(…)

2. Onze Minister kan de chauffeurspas intrekken indien:

(…)

c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het eerste lid overlegt

(…)

4. Onze Minister kan de chauffeurspas schorsen voor een door hem te bepalen periode, indien naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij schorsing noodzakelijk acht in het belang van veilig taxivervoer.

5. De chauffeurspas kan in ieder geval worden geschorst (…) indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van een geval als bedoeld in het tweede lid."

Het Besluit personenvervoer 2000 (het Besluit) luidt sedert 1 oktober 2011 voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 81

(…)

3. Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige (…) chauffeurskaart.

(…)

Artikel 82

1. Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd: (…)

c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden;

(…)

6. Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van (…) een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel (…) c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder (…) opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn (…) de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 83

(…)

8. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

(…)

d. de verlening, afgifte, weigering, schorsing, intrekking en inname van de boordcomputerkaarten en de gronden daarvoor;

(…) "

In de met ingang van 1 oktober 2011 in werking getreden Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (de Regeling) is voor zover hier van belang bepaald:

"Artikel 10

(…)

3. De chauffeurskaart en (…) kunnen worden ingetrokken:

(…)

c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 82, zesde lid, van het Besluit;

(…)

4. Een chauffeurskaart kan voor een termijn van ten hoogste 12 weken worden geschorst in het belang van veilig taxivervoer danwel bij vermoeden van een geval als bedoeld in het derde lid.

(…)"

Met betrekking tot de toepassing van artikel 77, vierde lid, van het Besluit (oud) - zoals dit tot 1 oktober 2011 luidde - heeft verweerder het 'Handhavingsbeleid voor het gebruik van de bevoegdheid van het vierde lid van artikel 77 van het Besluit' (het Beleid) opgesteld, dat als volgt luidt:

" Artikel 1 (relevante feiten)

Relevante feiten zijn de feiten die worden genoemd in de bijlage.

Artikel 2 (schorsingsgronden; omstandigheden)

De IVW besluit tot schorsing van een chauffeurspas als de houder van de chauffeurspas is veroordeeld of wordt verdacht van het plegen van een relevant feit en dit feit is gepleegd tijdens de uitoefening van het beroep van taxichauffeur en een (…) opsporingsambtenaar (…) hierdoor schade heeft geleden of hiervan hinder heeft ondervonden.

Artikel 3 (verdenking)

De in artikel 2 bedoelde verdenking moet geheel of gedeltelijk zijn gebaseerd op de eigen waarneming door een inspectuer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, of op een melding van de politie of een justitiële dienst.

Artikel 4 (schorsingstermijn)

1. De chauffeurspas wordt geschorst voor de duur van twaalf weken, of tot het tijdstip dat de houder van de geschorste chauffeurspas een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag overlegt, als de laatstgenoemde termijn korter is.

2. Indien voorzienbaar is dat de behandeling van de aanvraag van de chauffeur om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn genomen kan worden, kan deze termijn met ten hoogste vier weken worden verlengd."

Aan de toelichting op het Beleid ontleent het College het volgende:

" Algemeen

(…)

Schorsing indien spoed geboden is

Soms is het echter wenselijk een taxichauffeur al vóór de intrekking van diens chauffeurspas te kunnen verbieden zijn beroep uit te oefenen.

Daartoe dient schorsing; de IVW zal deze bevoegdheid gebruiken als de beslissing over afgifte van een nieuwe VOG niet kan worden afgewacht.

Het kan naar het oordeel van de IVW in het belang van veilig taxivervoer noodzakelijk zijn een chauffeurspas te schorsen, als op grond van de feiten en omstandigheden aanmerkelijk gevaar bestaat dat de houder ervan zich in de uitoefening van het beroep van taxichauffeur in de nabije toekomst opnieuw ernstig zal misdragen. Ook als de onrechtmatige gedraging van de chauffeur grote animositeit binnen of jegens (een deel van) de taxisector heeft veroorzaakt, of het risico daarop in ernstige mate heeft vergroot, kan onmiddellijk ingrijpen gewenst zijn. Van deze animositeit of het vergrote risico daarop kan bijvoorbeel blijken uit berichten in de media, of uit klachten van klanen, chauffeurs, taxiondernemers of branchevertegenwoordigers.

(…)

Artikel 2 (schorsingsgronden)

Naast de aard en de ernst van de gepleegde feiten zijn de omstandigheden waaronder deze feiten gepleegd zijn van belang. De IVW acht reëel gevaar voor de veiligheid van taxivervoer aannemelijk indien de feiten zijn gepleegd in de uitoefenening van het beroep van taxichauffeur, jegens de personen die een direct belang hebben bij de betrouwbaarheid van de chauffeur. (…) Onder de genoemde omstandigheden is het gerechtvaardigd de chauffeur direct te verbieden zijn beroep uit te oefenen omdat de chauffeur zich tijdens de uitoefening van zijn vak ernstig heeft misdragen, juist jegens die personen die bij uitstek van wangedrag door taxichuaffeurs gevrijwaard moeten blijven. Dergelijke incidenten gaan vaak gepaard met negatieve publiciteit die een nadelig effect op de sector als geheel heeft. Ook omdat onder die omstandigheden de kans op (escalatie van) conflicten groot is, is snelle interventie dan vereist."

In de bijlage is artikel 6 in verbinding met artikel 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ("Gekwalificeerd veroorzaken verkeersongeval met als gevolg dood of (zwaar) lichamelijk letsel door schuld") als relevant feit aangemerkt.

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker is sinds 2002 werkzaam als zelfstandig taxichauffeur.

- Op 24 augustus 2012 is hem een chauffeurspas verstrekt met een geldigheidsduur tot en met 19 december 2015.

- Blijkens het op 23 maart 2013 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de Politie Amsterdam-Amstelland is verzoeker op vrijdagavond 22 maart 2013 op de C te D vanuit stilstand met lage snelheid tegen een dienstdoende politieagent belast met motorsurveillance (motorrijder) gereden, nadat hij van deze motorrijder een stopteken had gekregen. Deze motorrijder heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen bestaande uit een kneuzing van zijn linkeronderbeen en enkel. Hij heeft hiervan aangifte gedaan. Verzoeker is verdacht van overtreding van artikel 287 in verbinding met artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en is in verzekering gesteld. Tevens is hij verdacht van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

- Vanwege de voetbalwedstrijd Nederland – Estland was S. Schotte voornoemd, inspecteur bij de Inspectie Leefomgeving en Transport van verweerder, ter plekke aanwezig. Nadat verzoeker na zijn aanhouding naar het politiebureau was gebracht en aldaar bekend werd waar hij van werd verdacht, heeft S. Schotte de chauffeurspas van verzoeker per direct geschorst.

- Vervolgens heeft verweerder op 25 maart 2103 het schorsingsbesluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

De chauffeurspas is - blijkens het besluit van 25 maart 2013 - geschorst omdat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) en daarnaast omdat het handelen van verzoeker op 22 maart 2013 dusdanig ernstig en bijzonder moet worden aangemerkt dat een schorsing noodzakelijk is in het belang van veilig taxivervoer.

Volgens verweerder heeft het incident gelet op het Beleid op juiste gronden geleid tot het besluit tot schorsing van de chauffeurskaart van verzoeker. Het feit dat verzoeker door het intrekken van de chauffeurskaart zijn werkzaamheden niet meer kan uitoefenen en als gevolg daarvan wellicht in financiële problemen komt te verkeren is - hoe vervelend die situatie voor verzoeker ook is - niet als een bijzondere omstandigheid te bestempelen omdat dit geldt voor elke chauffeur wiens chauffeurskaart wordt ingetrokken. Verweerder acht het niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat in dit verband minder gewicht wordt toegekend aan het (financiële) belang bij het kunnen blijven uitoefenen van het beroep van verzoeker dan aan het algemene belang om verzoeker dit niet langer toe te staan. Verweerder is van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het uit het oogpunt van bescherming van het maatschappelijk belang ongewenst is dat taxichauffeurs die niet kunnen aantonen dat zij aan de eis van betrouwbaarheid voldoen - en daarmee niet kunnen aantonen dat hun de zorg voor het welzijn en de veiligheid van passagiers kan worden toevertrouwd - nog langer de bevoegdheid behouden als taxichauffeur werkzaam te zijn.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat het besluit ten onrechte gebaseerd is op het oude wettelijke kader. Voorts heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat indien verzoeker een nieuwe VOG overlegt, geen andere beletselen bestaan tegen de teruggave van de chauffeurskaart aan verzoeker.

4. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker voert aan dat hij geen inkomsten heeft als hij niet als taxichauffeur mag werken. Hierdoor ontstaan allerlei betalingsmoeilijkheden.

Ten aanzien van het vermoeden dat verzoeker als gevolg van het incident van 22 maart 2013 niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG benadrukt verzoeker dat het incident een ongeluk betrof. Op die datum is hij met lage snelheid tegen een politieagent aangereden nadat hij reeds met zijn taxi was gestopt. Doordat verzoeker tijdens stilstaand zijn hoofd uit het raam stak om de politieagent een vraag te stellen is zijn rechtervoet van de rem afgegleden - mede gelet op zijn beperking aan zijn linkerbeen - en kwam de auto (een Mercedes automaat die toen niet in zijn vrij stond) in beweging waardoor hij de politieagent raakte. Na aanhouding en verhoor op het bureau is hij op 23 maart 2013 op vrije voeten gesteld. Dat was niet gebeurd indien politie en justitie van mening waren dat het hier poging tot doodslag betrof. Alvorens tot schorsing over te gaan had verweerder het onderzoek van politie en justitie moeten afwachten. Nu verzoeker niet strafrechtelijk is veroordeeld en niet aannemelijk is dat dit zal gebeuren - gelet op de aard van het incident - zal een VOG hem niet mogen worden ontzegd. Om die reden zal de chauffeurspas niet mogen worden ingetrokken en mag deze niet worden geschorst.

Evenmin kan op grond van bovengenoemde omstandigheden worden aangenomen dat het handelen van verzoeker op 22 maart 2013 zo ernstig en bijzonder was dat een schorsing noodzakelijk is in het belang van veilig taxivervoer. De schorsing is dan ook disproportioneel.

Voorts is volgens verzoeker het schorsingsbesluit ondeugdelijk gemotiveerd door slechts te verwijzen naar het proces-verbaal van bevindingen, dat niet bij dat besluit is gevoegd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan de voorzieningenrechter van het College, hangende beroep bij het College of hangende de beslissing op bezwaar indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

5.2 Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening: de schorsing van de chauffeurspas heeft immers tot gevolg dat verzoeker niet meer als taxichauffeur werkzaam zal kunnen zijn en geen inkomsten meer heeft uit dat beroep.

5.3 Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staat of het besluit van 25 maart 2013 naar voorlopig oordeel in rechte stand kan houden. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.4.1 Verweerder hanteert als grondslag voor de schorsing in de eerste plaats dat het handelen op

22 maart 2013 dusdanig ernstig en bijzonder was dat schorsing noodzakelijk is in het belang van veilig taxivervoer en in de tweede plaats dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze (dubbele) grondslag thans in artikel 10, vierde lid van de Regeling staat. Vóór 1 oktober 2011 stond deze grondslag in respectievelijk het vierde en het vijfde lid van artikel 77 van het Besluit. De voorzieningenrechter acht het zeer onzorgvuldig dat verweerder in besluiten als hier aan de orde - nog steeds - verwijst naar bepalingen die sinds 1 oktober 2011 niet meer bestaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar zijn eerdere uitspraken van 24 augustus 2012 (LJN: BX6793) en 30 november 2012 (LJN: BY4822). De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het onjuiste wettelijke kader in de beslissing op bezwaar zal worden hersteld en dat verweerder - zoals ter zitting door deze gesteld - terstond maatregelen zal nemen om besluiten als deze in het vervolg op het vigerende wettelijke kader te baseren.

5.4.2 Met betrekking tot artikel 77, vierde lid, van het Besluit (oud) voerde verweerder het in rubriek 2.1 weergegeven beleid. Ook in onderhavige zaak beroept verweerder zich op dit beleid en geeft aan dat het beleid aangemerkt moet worden als beleid in het kader van de toepassing van artikel 10, vierde lid, van de Regeling. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt dat het beleid niet op artikel 10, vierde lid, van de Regeling als geheel betrekking kan hebben maar uitsluitend op het gedeelte van dit artikel dat gaat over schorsing in het belang van veilig taxivervoer. Artikel 77, vierde lid, van het Besluit (oud) betrof immers alleen de schorsing in het belang van veilig taxivervoer. In zoverre passen het Beleid en de toelichting daarop niet naadloos op artikel 10, vierde lid, van de Regeling.

5.4.3 Gegeven het kader van het aan de orde zijnde verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter het Beleid en de toelichting thans echter tot uitgangspunt nemen van zijn beoordeling, voor zover hier van toepassing.

5.4.4 Met betrekking tot de schorsing voor zover deze is gegrond op het belang van het veilig taxivervoer (eerste gedeelte van artikel 10, vierde lid, van de Regeling) overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de toelichting op het Beleid komt naar voren dat er situaties kunnen zijn waarin het wenselijk is om vóór de intrekking van de chauffeurskaart de taxichauffeur de bevoegdheid tot het uitoefenen van zijn beroep te kunnen ontzeggen ("schorsing indien spoed geboden is"). Volgens die toelichting kan zo'n situatie aan de orde zijn als op grond van feiten en omstandigheden aanmerkelijk gevaar bestaat dat de houder van de chauffeurskaart zich in de uitoefening van zijn beroep in de nabije toekomst opnieuw ernstig zal misdragen. Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder zich, voordat hij tot schorsing overgaat, die feiten en omstandigheden dient te kennen en zich ervan dient te vergewissen dat inderdaad aanmerkelijk gevaar voor herhaling bestaat. Gelet op de ter zitting geschetste werkwijze van verweerder bij het nemen van het onderhavige schorsingsbesluit komt het de voorzieningenrechter echter voor dat de schorsing bij wijze van automatisme, zonder gedegen kennis van de relevante feiten en omstandigheden en zonder de in het kader van de toepassing van artikel 10, vierde lid, van de Regeling vereiste belangenafweging heeft plaatsgevonden en reeds is geschied op het moment dat de inspecteur van de Leefomgeving en Transport op het politiebureau ter ore kwam dat verzoeker aangehouden was op verdenking van overtreding van artikel 6 van de Wegensverkeerswet 1994, één van de artikelen genoemd in de bijlage bij het Beleid van verweerder. Voor de voorzieningenrechter staat vast dat verweerder niet alle feiten en omstandigheden bij het nemen van het schorsingsbesluit op 25 maart 2013 kon kennen, aangezien ter zitting van de voorzieningenrechter is komen vast te staan dat verweerder toen de al op 23 maart 2013 opgemaakte processen-verbaal niet had opgevraagd en dus niet op de hoogte was en kon zijn van de inhoud daarvan - met name ook van het verhoor van verzoeker en de overige processen-verbaal waaruit de toedracht van het incident kon blijken - en deze derhalve niet bij het besluit heeft kunnen betrekken. In zoverre is overigens ook de verwijzing op de eerste bladzijde van het besluit van 25 maart 2013 naar 'het proces-verbaal van bevindingen van het regiokorps Politie Amsterdam-Amstelland', waar het besluit mede op is gebaseerd, onjuist. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij het proces-verbaal van bevindingen en de overige processen-verbaal pas heeft opgevraagd nadat de voorzieningenrechter ten behoeve van de behandeling van het onderhavige verzoek om overlegging van deze stukken had gevraagd.

De voorzieningenrechter overweegt dat denkbaar is dat zich situaties kunnen voordoen waarin - op grond van artikel 10, vierde lid, van de Regeling - onmiddellijke schorsing van de chauffeurskaart onmiskenbaar noodzakelijk is en waarin de ontvangst van een proces-verbaal niet kan worden afgewacht. Gelet op de toedracht van het incident van

22 maart 2013 blijkend uit het proces-verbaal van bevindingen en de overige processen-verbaal die erbij zijn gevoegd vermag de voorzieningenrechter, naar voorlopig oordeel, niet in te zien dat voor verweerder reden bestond om aan te nemen dat de ontvangst van het proces-verbaal niet kon worden afgewacht. Dit geldt te meer nu - op basis van het Beleid van verweerder - voor een schorsing in verband met veilig taxivervoer noodzakelijk is dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat de houder van de chauffeurskaart in de nabije toekomst zich opnieuw ernstig zou misdragen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in het onderhavige geval door verweerder ten onrechte geen aandacht besteed aan het verband tussen het incident - de feiten en omstandigheden blijkend uit de vorenbedoelde processen-verbaal - en de kans op herhaling, dan wel aan de omstandigheden die volgens verweerder de verwachting zouden rechtvaardigen dat verzoeker, die reeds sinds 2002 als taxichauffeur werkzaam is, zich in de nabije toekomst (opnieuw) zou misdragen en het veilig taxivervoer in gevaar zou brengen.

5.4.5 Met betrekking tot de schorsing voor zover deze is gegrond op het vermoeden dat verzoeker niet of niet tijdig een nieuwe VOG kan overleggen (tweede gedeelte van artikel 10, vierde lid, van de Regeling) overweegt de voorzieningenrechter dat het Beleid hierop geen betrekking heeft. Dat laat echter onverlet dat wel de algemene eis blijft gelden dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Aan een vermoeden van het bestaan van een situatie als hier bedoeld moet dus een onderzoek ten grondslag liggen dat aan die eis voldoet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan daarvan echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gesproken.

5.4.6 Uit het voorgaande volgt dat verweerder, naar voorlopig oordeel, bij het voorbereiden en nemen van het besluit ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening is verzocht, heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4, 3:46 en - voor zover het besluit het oog heeft op het belang van veilig taxivervoer - 4:84 van de Awb. Gelet op het vorenoverwogene, mede gezien de belangen die voor verzoeker, die voor zijn inkomen van zijn beroep als taxichauffeur afhankelijk is, op het spel staan zal het verzoek worden toegewezen als hierna te melden.

5.5 De voorzieningenrechter overweegt ter voorlichting aan partijen dat het vorenoverwogene de bevoegdheid van verweerder onverlet laat om over te gaan tot intrekking van de chauffeurspas van verzoeker indien deze de door verweerder verlangde nieuwe VOG als bedoeld in artikel 82, zesde lid, van het Besluit niet blijkt te kunnen overleggen.

5.6 Verweerder dient op grond van artikel 8:75 Awb in de proceskosten van verzoeker te worden veroordeeld. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 472,- per punt).

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 25 maart 2013;

- bepaalt dat deze schorsing voortduurt tot zes weken na de dag waarop verweerder zijn besluit op het bezwaar van

verzoeker heeft bekend gemaakt, of zoveel eerder als het geschil op en andere wijze tot een einde zal zijn gekomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 944,- (zegge: negenhonderdvierenveertig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,- (zegge: honderdzestig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. E. van Kerkhoven