Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA0932

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/574
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

AAN-laag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/574

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2013 in de zaak tussen

A, te B, appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 22 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013. Appellant is verschenen. Voor verweerder de genoemde gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Op 30 december 2010 ontvangt appellant een besluit over de bedrijfstoeslag 2010 waarin staat dat hem een bedrag van € 505,15 wordt toegekend op basis van een definitieve oppervlakte van perceel 1 en 3 van 1.40 ha. Op 10 mei 2011 verkoopt appellant zijn toeslagrechten. Op 19 juli 2011 herziet verweerder dit besluit. Hij stelt de definitieve oppervlakte vast op 1.40 (goedgekeurd 1.20 en afgekeurd 0.20 ha) en kent aan appellant geen bedrijfstoeslag toe aangezien deze als gevolg van een korting onder de minimumgrens van € 500,- komt. Appellant maakt op 24 juli 2011 hiertegen bezwaar. Voor 2011 verzoekt appellant om uitbetaling van zijn toeslagrechten en geeft hiervoor een oppervlakte van 1.39 ha op. Verweerder kent – op basis van de in aanmerking genomen oppervlakte van 1.40 ha (goedgekeurd 1.23 (inclusief slotenmarge van 0.02 ha) en afgekeurd 0.17 ha) en een korting – geen bedrijfstoeslag toe aangezien deze onder de minimumgrens van € 500,- komt. Appellant maakt tegen dit besluit bezwaar.

2. In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat de beslissing omtrent de bedrijfstoeslag 2010 in rechte vaststaat. Appellant heeft zijn bezwaar immers ingetrokken.

3.1 Volgens appellant kan het bezwaar van 24 juli 2011 echter niet als ingetrokken worden beschouwd omdat de intrekking was gebaseerd op onjuiste informatie van verweerder.

3.2 Het College is van oordeel dat het bezwaar van 24 juli 2011 niet als ingetrokken kan worden beschouwd en overweegt daartoe als volgt. Artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaar schriftelijk kan worden ingetrokken en dat dit tijdens het horen ook mondeling kan. Vaststaat dat een medewerker van verweerder met appellant belt op 25 november 2011 in het kader van het project 'andere aanpak'. Dit is geen horen als bedoeld in artikel 6:21 Awb. De toen gedane mededeling van appellant is om die reden geen intrekking als bedoeld in het tweede lid van artikel 6:21 Awb. Voorts stuurt verweerder op 25 november 2011 een intrekkingsbevestiging waarop appellant niet reageert. Hiermee is naar het oordeel van het College niet voldaan aan het vereiste dat bezwaar schriftelijk wordt ingetrokken, aangezien van een van appellant uitgaande schriftelijke intrekking geenszins is gebleken.

4.1 In de aanloop naar de behandeling ter zitting heeft verweerder in het verweerschrift het bestreden besluit aangevuld met de uiteenzetting op grond waarvan de over 2010 vastgestelde bedrijfstoeslag juist is. Dit heeft verweerder ter zitting herhaald. Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van het College voldoende aanleiding om ervan uit te gaan dat met de beslissing op bezwaar van 7 maart 2012 niet alleen beslist is op het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag over 2011, maar (subsidiair) ook op het bezwaar van 24 juli 2011 tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag over 2010. Het College zal in de beoordeling dan ook de bedrijfstoeslag 2010 betrekken.

4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor beide jaren het perceel voldoende nauwkeurig is begrensd ten opzichte van greppels, bomen en afscheidingen om de oppervlakte te kunnen constateren op 1.21 ha. Dat in eerdere jaren een aangevraagde oppervlakte van 1.40 ha is goedgekeurd is geen reden om deze oppervlakte thans ook goed te keuren, omdat het mogelijk is dat bij een beoordeling van de aanvraag niet elke onregelmatigheid wordt opgemerkt en dat een eerdere goedkeuring bij een later besluit wordt herroepen. Voor 2010 en 2011geldt dat de goedgekeurde oppervlakte correct is vastgesteld op 1.21 ha zodat bij een gemiddelde waarde per toeslagrecht van € 360,82 de bedrijfstoeslag onder € 500,- blijft.

4.3 Met betrekking tot de stelling van appellant dat op het moment van verkoop van de toeslagrechten op 30 mei 2011 de uitbetaling van bedrijfstoeslag over 2010 gelet op het besluit van

30 december 2010 definitief was, overweegt het College dat verweerder op basis van de Europese regelgeving de plicht heeft om de juiste beteelbare oppervlakte van een perceel vast te stellen. Dat appellant er bij de verkoop van de toeslagrechten vanuit is gegaan dat de vaststelling van 30 december 2010 juist was, is begrijpelijk, maar staat er niet aan in de weg dat verweerder mocht terugkomen op een eerdere vaststelling indien blijkt dat deze vaststelling onjuist was. In zoverre slaagt het argument van appellant dat het besluit van 30 december 2010 hoe dan ook recht geeft op uitbetaling van de bedrijfstoeslag over 2010 niet.

Dit brengt het College vervolgens bij de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de goedgekeurde oppervlakte van zijn perceel voor de jaren 2010 en 2011 onjuist heeft vastgesteld.

4.4 Volgens appellant is de beteelde oppervlakte van dit perceel 1.40 ha. Hij baseert zich daarbij op het feit dat de loonwerker volgens zijn factuur van 19 mei 2009 1.37 ha heeft ingezaaid. Daarnaast heeft appellant zelf nog 0.03 ha ingezaaid. Tevens stelt appellant dat volgens het kadaster de oppervlakte van het perceel 1.60 ha is, zodat bij een oppervlakte van tuin en bebouwing van 0.21 ha een beteelde oppervlakte van 1.39 ha resteert.

Het College overweegt als volgt. Het College stelt vast dat verweerder het gewasperceel heeft gecontroleerd aan de hand van het referentieperceel. Gelet op artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is de functie van het systeem van referentiepercelen (de AAN-laag) - dat in Nederland op luchtfoto's is gebaseerd - om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte. Blijkens artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van deze verordening dient verweerder bij wijze van administratieve kruiscontrole de opgegeven percelen landbouwgrond met (de oppervlakte van) de referentiepercelen te vergelijken om na te gaan of de percelen landbouwgrond als zodanig voor steun in aanmerking komen. Dat verweerder de AAN-laag heeft gebruikt om te controleren of en zo ja in hoeverre, appellants perceel de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijdt, is dus in overeenstemming met de regelgeving. Verweerder heeft in dit geval de oppervlakte van het door appellant opgegeven perceel landbouwgrond niet gemeten en ook niet hoeven meten. Verweerder kan immers ook zonder het perceel landbouwgrond te meten vaststellen of de opgegeven oppervlakte als zodanig de maximale subsidiabele oppervlakte van het referentieperceel te boven gaat.

Naar het oordeel van het College is op de luchtfoto van het door appellant opgegeven perceel zichtbaar dat de daarop geprojecteerde lijn de gehele subsidiabele oppervlakte omvat, die ook door verweerder is geaccepteerd. Hier komt bij dat appellant geen concrete argumenten aangedraagt die erop duiden dat het vaststellen van het referentieperceel op basis van de luchtfoto's tot onjuiste of onbetrouwbare resultaten heeft geleid. Dit brengt het College tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de oppervlakte van zijn perceel voor de jaren 2010 en 2011 onjuist heeft vastgesteld.

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Onder deze omstandigheden bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. E. van Kerkhoven