Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:CA0592

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
AWB 11/36
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom en invorderingsbeschikking. Artikel 9 Verordening 1/2005

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/36 18 april 2013

11219 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling dierenvervoer 2007

Uitspraak in de zaak van:

A B.V. te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.Q. Bult, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 10 januari 2011, bij het College binnengekomen op 11 januari 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 december 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen de bij besluit van 29 maart 2010 met toepassing van artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan haar opgelegde last onder dwangsom ter zake van het vervoeren van dieren die niet geschikt zijn voor transport.

Bij brief van 21 januari 2011 heeft appellante de gronden van het beroepschrift aangevuld.

Appellante heeft bij brief van 18 februari 2011, bij het College binnengekomen op 21 februari 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 februari 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 25 oktober 2010 waarbij is besloten tot invordering van een dwangsom van € 5.000,-.

Bij brief van 24 februari 2011 heeft het College aan partijen medegedeeld dat het beroep van appellante tegen het besluit van 7 december 2010 geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 februari 2011. Het beroepschrift van 18 februari 2011 is niet aangemerkt als een afzonderlijk beroep en er is ter zake geen afzonderlijk griffierecht geheven.

Bij brief van 9 maart 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 mei 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens appellante is tevens verschenen ir. A.P.A.M. Wassenberg, directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (hierna: Verordening) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 3

Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

(…)

Artikel 9

Verzamelcentra

1. De exploitanten van verzamelcentra zorgen ervoor dat de dieren behandeld worden overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1.

2. De exploitanten van verzamelcentra die overeenkomstig de communautaire veterinaire wetgeving zijn erkend, moeten bovendien voldoen aan de volgende voorschriften:

(…)

d) zij moeten in geval van niet-naleving van deze verordening door een persoon die zich in het verzamelcentrum ophoudt, en onverminderd eventuele maatregelen van de bevoegde autoriteit, de nodige maatregelen nemen om een einde te maken aan de geconstateerde overtreding en herhaling ervan voorkomen;

(…)

Bijlage I

Technische voorschriften

(…)

Hoofdstuk I

Geschiktheid voor vervoer

1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:

a) wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

(…).”

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 59

Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften van EG-verordeningen.

(…)

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 5:31d

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

(…)

Artikel 5:33

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

(…)

Artikel 5:37

1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

(…).

Artikel 5:39

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

(…).”

In de Regeling dierenvervoer 2007 (Stcrt. 2006, nr. 245; hierna: Regeling) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 9

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3 tot en met 9 en artikel 12 van EG-verordening nr. 1/2005.”

In de Beleidsregels dierenwelzijn 2009 (Stcrt. 2008, nr. 252; hierna: Beleidsregels) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 4 (hoogte dwangsommen)

De hoogte van de dwangsom wordt bepaald met inachtneming van de volgende categorieën:

(…)

b. de last onder dwangsom voor overtredingen bedraagt € 5.000 per week totdat de overtreding is beëindigd, dan wel

€ 5.000 per begane overtreding, met een maximum bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd van

€ 25.000;

(…).

Artikel 6 (overtredingen)

1. Na constatering van een overtreding geeft de minister de vervoerder een eerste schriftelijke waarschuwing.

2. Indien de vervoerder binnen drie jaar na een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid opnieuw een overtreding begaat geeft de minister de vervoerder een tweede schriftelijke waarschuwing waarin wordt aangekondigd dat indien hij binnen drie jaar opnieuw een overtreding begaat een dwangsom wordt opgelegd als bedoeld in artikel 4, onderdeel b.

3. Indien de vervoerder binnen drie jaar na een waarschuwing als bedoeld in het tweede lid een overtreding begaat legt de minister een dwangsom op als bedoeld in artikel 4, onderdeel b.

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een varkensverzamelcentrum.

- In een Diergeneeskundige Verklaring van 21 en 22 september 2009, opgesteld door een toezichthoudend dierenarts van de Voedsel- en Waren Autoriteit (hierna: VWA) naar aanleiding van een controle op 21 september 2009 op het bedrijf van appellante is, onder meer, opgenomen dat een tweetal biggen niet vervoerd mochten worden en niet slachtwaardig waren vanwege hun fysieke staat en dat dezelfde biggen een dag later door de controlerend dierenarts en een VWA-werknemer zijn aangetroffen op een slachthuis.

- Bij brief van 11 november 2009 heeft verweerder aan appellante medegedeeld voornemens te zijn over te gaan tot schorsing van de erkenning van het verzamelcentrum van appellante wegens verschillende overtredingen van de op het bedrijf van toepassing zijnde regelgeving in de maanden september, oktober en november 2009.

- Bij brief van 2 februari 2010 heeft verweerder de bij besluit van 23 december 2009 opgelegde schorsing van de erkenning van appellante per 4 januari 2010 ingetrokken en aan appellante aangekondigd dat een volgende overtreding van de van toepassing zijnde regelgeving zal leiden tot het opleggen van een last onder dwangsom.

- In een Diergeneeskundige Verklaring van 9 maart 2010, opgesteld door een toezichthoudend dierenarts van de VWA naar aanleiding van een controle op 8 maart 2010 bij een slachthuis is, onder meer, opgenomen dat zes biggen zijn aangevoerd in (zeer) slechte fysieke toestand, waarvan er één niet naar het slachthuis had mogen worden vervoerd.

- Bij besluit van 29 maart 2010 heeft verweerder appellante een last onder dwangsom opgelegd met toepassing van artikel 106 Gwd in samenhang met artikel 5:32 van de Awb. De last ziet onder meer op het voorkomen van nieuwe overtredingen van artikel 9 van de Verordening of overtredingen die als gelijksoortig daaraan beschouwd moeten worden. De te verbeuren dwangsom bedraagt € 3.000, € 5.000 of € 10.000 naar gelang de soort en ernst van de overtreding.

- Bij brief van 14 april 2010 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 3 juni 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Op 24 augustus 2010 heeft een aanvullend overleg plaatsgevonden tussen appellante en medewerkers van verweerder.

- In een Diergeneeskundige Verklaring van 17 augustus 2010, opgesteld door een toezichthoudend dierenarts en een controleur veehouderij van de nieuwe VWA (hierna: nVWA) naar aanleiding van een controle op dezelfde datum bij een slachthuis is, onder meer, opgenomen dat 27 biggen (met slachtbliknummers 479326 tot en met 479353 met uitzondering van 479340) zijn aangevoerd van het bedrijf van appellante, waarvan er zes in zodanig slechte fysieke toestand verkeerden dat zij niet naar het slachthuis hadden mogen worden vervoerd.

- Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 5.000,-, die appellante op 17 augustus 2010 wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Verordening heeft verbeurd.

- Bij brief van 4 november 2010 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 7 december 2010 (hierna: bestreden besluit I) heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen de last onder dwangsom van 29 maart 2010.

- Op 18 januari 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar van 4 november 2010.

- Bij besluit van 14 februari 2011 (hierna: bestreden besluit II) heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen de invorderingsbeschikking van 25 oktober 2010.

3. De bestreden besluiten

Bij bestreden besluit I heeft verweerder overwogen dat de last strekt ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding en dat daarom van belang is dat het gaat om overtredingen van hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking. Met het oog daarop wordt de last ingetrokken voor zover deze ziet op overtredingen van voorschriften uit de Regeling preventie.

Ten aanzien van de op 9 maart 2010 geconstateerde overtreding van artikel 9 van de Verordening, overweegt verweerder geen reden te hebben te twijfelen aan de deskundigheid van de officiële dierenarts en ondersteunt verweerder de conclusie dat de big met slachtnummer 812468 niet in staat moet worden geacht te worden vervoerd. Nu de big toch is vervoerd van het verzamelcentrum van appellante naar het slachthuis, heeft appellante het voorschrift zoals bedoeld in Bijlage I, hoofdstuk I, punten 1 en 2, aanhef en onder a van de Verordening overtreden. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom. Verweerder stelt de termijn gedurende welke de last van toepassing is, op drie jaar.

Bij bestreden besluit II heeft verweerder overwogen dat uit de stukken die appellante heeft overgelegd, anders dan zij stelt, niet blijkt dat de 27 biggen door een officiële dierenarts geschikt zijn bevonden voor het voorgenomen vervoer. De stelling van appellante dat de op 17 augustus 2010 op het verzamelcentrum aanwezige dierenarts de biggen zou hebben gezien en geen op- of aanmerkingen zou hebben gemaakt, wordt door de dierenarts niet bevestigd. Dat de biggen zouden zijn geslacht, zoals appellante stelt, wordt niet ondersteund door hetgeen de dierenarts en de controleur van de nVWA verklaren, te weten dat de biggen zijn geëuthanaseerd en ter destructie zijn aangeboden.

Verweerder stelt geen reden te hebben te twijfelen aan de Diergeneeskundige Verklaring, noch aan de verklaring van de dierenarts. Daaruit volgt dat de zes biggen moeten worden geacht niet in staan te zijn geweest om te worden vervoerd. Door dit toch te doen, heeft appellante artikel 9, lid 1, in samenhang met Bijlage I, hoofdstuk I, punten 1 en 2, aanhef en onder a, van de Verordening overtreden.

Voor zover appellante stelt geen tegenbewijs te hebben kunnen leveren, omdat verweerder appellante niet in kennis heeft gesteld van de overtreding en het besluit de biggen te euthanaseren en ter destructie aan te bieden, overweegt verweerder dat verweerder hiertoe niet gehouden was en bovendien niet is gebleken dat verweerder niet had mogen afgaan op hetgeen de dierenarts en de nVWA-controleur hebben verklaard en op foto’s vastgelegd.

Verweerder wijst erop dat verweerder bij brief van 2 februari 2010 een vooraankondiging heeft verzonden waarin gewaarschuwd is voor de oplegging van een last onder dwangsom bij nieuwe overtreding van artikel 9 van de Verordening en bij besluit van 29 maart 2010 de last daadwerkelijk heeft opgelegd. Appellante wist of had redelijkerwijs kunnen weten dat zij van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- zou verbeuren bij overtreding van de last. Voor zover appellante stelt dat een vooraankondiging gestuurd had moeten worden voorafgaand aan het invorderingsbesluit, is dat onjuist.

Ter zitting heeft verweerder hieraan het volgende toegevoegd. Ten aanzien van bestreden besluit I geldt dat de brief van verweerder van 11 november 2009 kan worden aangemerkt als een waarschuwing in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregels en de brief van 2 februari 2010 als waarschuwing in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregels. Op 29 maart 2010 is de last onder dwangsom opgelegd wegens herhaalde overtredingen van artikel 9, eerste en tweede lid, onderdeel d, van de Verordening. Er is sprake van continuïteit in de aan de orde zijnde overtredingen zowel wat betreft de aard (hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking), de mate van overeenkomst met de eerder geconstateerde overtredingen en het tijdsverloop sinds de eerste overtreding.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 22 maart 2011 (AWB 09/422, LJN: BP9353) is van belang dat verweerder op basis van waarnemingen van toezichthoudend dierenartsen van de nVWA heeft geconcludeerd dat appellante op 21 september 2009, 14 januari 2010 en 8 maart 2010 varkens heeft laten vervoeren die niet voor vervoer geschikt waren. Gelet op de gedetailleerde en gemotiveerde beschrijving daarvan in de diergeneeskundige verklaringen, gaat verweerder van de juistheid van die verklaringen uit. Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij op de hoogte had moeten worden gesteld van de overtredingen om tegenonderzoek te kunnen doen, stelt verweerder dat contact met appellante is opgenomen direct op de dag van de constatering van de overtredingen en dat appellante geen reactie heeft gegeven op de bevindingen van de dierenartsen. Appellante heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard niet zozeer bezwaar te hebben tegen de waarneming van de dierenartsen als wel tegen de gevolgtrekking die daaraan verbonden is. Bovendien heeft appellante niet gemotiveerd tot welke andere conclusies een tegenonderzoek hadden kunnen leiden. Appellante is dan ook niet in haar belangen geschaad door de handelwijze van verweerder.

In verband met bestreden besluit II wijst verweerder erop dat niet is vereist dat vooraf gedreigd of gewaarschuwd wordt met invordering van een van rechtswege verbeurde dwangsom. De waarschuwing dat bij een volgende overtreding een dwangsom zal worden verbeurd, is immers bij de last van 29 maart 2010 reeds gegeven.

4. Het standpunt van appellante

Ter zitting van het College heeft appellante de volgende beroepsgronden gehandhaafd.

Appellante betwist dat zij de door verweerder geconstateerde overtredingen heeft begaan. Indien en voor zover zij deze al heeft begaan, is dat niet aan haar te wijten. Gelet hierop is oplegging van een last onder dwangsom niet aan de orde, althans niet proportioneel.

De wijze waarop verweerder zich in het kader van thans voorliggende besluitvorming opstelt, laat appellante geen althans onvoldoende mogelijkheid tot verweer. De gang van zaken komt hierop neer dat appellante achteraf wordt geconfronteerd met de stelling van verweerder dat zij een bepaalde overtreding zou hebben begaan. Ten aanzien van bestreden besluit II geldt in dit verband dat appellante geen weet had van het vervoer van de verzamelplaats naar het slachthuis. Dit vervoer was niet door haar georganiseerd. Verweerder heeft bevestigd dat partijen niet in kennis worden gesteld van een voorval. Dat maakt het voor appellante onmogelijk om zich te verdedigen, aangezien de dieren in kwestie er niet meer zijn althans niet meer in levende toestand. Verweerder gaat enkel af op de diergeneeskundige verklaring. Het is onmogelijk om daar iets tegenover te stellen. Zo wordt aan de diergeneeskundige verklaring de bewijskracht van een authentieke akte toegekend. In de Awb noch in de Gwd of de daarop gebaseerde regelgeving is daarvoor een grondslag aan te wijzen.

Tegen bestreden besluit I heeft appellante voorts aangevoerd dat een aantal voorvallen ook ten grondslag is gelegd aan een last onder dwangsom van 5 januari 2011. Er is aldus sprake van een dubbele bestraffing.

Tegen bestreden besluit II heeft appellante aanvullend aangevoerd dat een vooraankondiging verzonden had moeten worden. Dat een invorderingsbesluit enkel de beslissing bevat om over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen, laat onverlet dat de Awb van toepassing is. De Awb kent ter zake geen uitzondering en er had derhalve een voornemen aan het invorderingsbesluit moeten vooraf gaan.

Ter zitting van het College heeft appellante betoogd dat de groep van 27 biggen, waartoe de zes biggen behoorden wier fysieke toestand aanleiding heeft gegeven tot bestreden besluit II, niet zijn geëuthanaseerd, maar geslacht. Ten bewijze daarvan heeft appellante verwezen naar een bij de stukken gevoegd overzicht van het slachthuis dat is opgesteld voor de vervoerder van de biggen, waarop is opgenomen een partij van 27 biggen met slachtbliknummers 479325 tot en met 479353. Uit het overzicht blijkt niet dat biggen uit deze partij zijn afgekeurd. Volgens appellante zijn deze dieren ook normaal gefactureerd (als zijnde geslacht, niet geëuthanaseerd) en afgerekend. Appellante stelt dat dat is bevestigd door zowel het slachthuis als de vervoerder. Volgens appellante betekent dit dat de dieren fysiek in orde waren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit I, overweegt het College dat appellante de stelling van verweerder dat de big met slachtnummer 812468 op 8 maart 2010 niet in staat was te worden vervoerd van het bedrijf van appellante naar het slachthuis onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. Dat appellante niet zou zijn geïnformeerd over de bevindingen van de dierenarts, acht het College niet aannemelijk nu in de Diergeneeskundige Verklaring is opgenomen dat zowel het slachthuis als de heer A. Wassenberg, directeur van appellante, van de overtreding op de hoogte zijn gesteld. Derhalve is komen vast te staan dat appellante op 8 maart 2010 een overtreding heeft begaan van artikel 9, lid 1, in samenhang met Bijlage I, hoofdstuk 1, punten 1 en 2, aanhef en onder a, van de Verordening. Verweerder was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan appellante een last onder dwangsom op te leggen.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Appellante heeft geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan het College tot een ander oordeel komt.

De stelling van appellante dat sprake zou zijn van dubbele bestraffing, omdat een aantal voorvallen ook ten grondslag is gelegd aan een last onder dwangsom van 5 januari 2011, treft evenmin doel, aangezien bedoelde - latere - last onder dwangsom geen voorwerp is van deze procedure.

Hieruit volgt dat het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond is en verweerder terecht het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom (onder aanpassing van de last) heeft gehandhaafd.

5.2 Het College overweegt voorts dat uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb volgt dat verweerder bij bestreden besluit I tevens had moeten beslissen op het door appellante tegen de invorderingsbeschikking van 25 oktober 2010 gemaakte bezwaar. Uit haar bezwaarschrift van 4 november 2010 was immers duidelijk dat appellante de invorderingsbeschikking betwistte. Nu verweerder bij bestreden besluit II alsnog heeft beslist op het bezwaar van appellante tegen de invorderingsbeschikking en daarmee het aan bestreden besluit I klevende gebrek in wezen heeft hersteld, ziet het College geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden. Daarbij is in aanmerking genomen dat het beroep van appellante niet is gericht tegen besluit I voor zover daarbij is nagelaten te beslissen op het bezwaar tegen de invorderingsbeschikking, en bovendien niet valt in te zien welk belang appellante daarbij - na het nemen van besluit II - nog zou hebben. Eén en ander laat onverlet dat in deze uitspraak tevens zal moeten worden beslist op het beroep van appellante tegen besluit II, waarbij het College overweegt dat het beroep tegen bestreden besluit I reeds wordt geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II, zodat het instellen van afzonderlijk beroep tegen dit laatste besluit niet nodig was. Om deze reden is geen griffierecht geheven voor het beroep tegen bestreden besluit II.

5.3 Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit II, overweegt het College dat de stelling van appellante dat zij geen weet had van het vervoer van de verzamelplaats naar het slachthuis, haar niet kan baten. Op appellante rust immers de plicht tot naleving van de voorschriften in verband met het transport van varkens vanaf haar bedrijf naar het slachthuis, zo volgt uit artikel 9, lid 1 en lid 2, onder d, in samenhang met Bijlage I, hoofdstuk I, punten 1 en 2, aanhef en onder a, van de Verordening. In verband met deze plicht dient appellante wel tijdig op de hoogte te worden gesteld van de bevindingen van de dierenarts en de nVWA-controleur, zodat het toetsen van die bevindingen, bijvoorbeeld door het laten verrichten van een contra-expertise, nog mogelijk is. Het College stelt vast dat de stelling van verweerder dat appellante in kennis is gesteld van de bevindingen van de dierenarts en de nVWA-controleur op 17 augustus 2010, niet wordt ondersteund door de Diergeneeskundige Verklaring van die datum. Daarin is opgenomen dat het slachthuis is geïnformeerd en dat verzocht is om, onder meer, appellante te informeren. Het College overweegt dat in beginsel op verweerder, in zijn hoedanigheid van toezichthouder, de verplichting rust om degene die gehouden is tot naleving van de transportvoorschriften, in dit geval appellante, op de hoogte te stellen van de controle-bevindingen. Dat verweerder zulks aan het slachthuis heeft overgelaten en het slachthuis vervolgens appellante niet tijdig heeft geïnformeerd, komt voor rekening en risico van verweerder. Naar het oordeel van het College treft daarom verweerder het verwijt dat hij in strijd met artikel 3:2 Awb, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, appellante niet tijdig op de hoogte heeft gebracht van de bevindingen van de dierenarts en de nVWA-controleur, en appellante daarmee heeft beperkt in de mogelijkheden om haar verdediging te voeren. Het beroep van appellante slaagt in zoverre. Aldus kleeft een zorgvuldigheidsgebrek aan het primaire besluit, welk gebrek met het bestreden besluit II niet is hersteld. Het bestreden besluit II dient te worden vernietigd.

5.4 Het College ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Appellante heeft gesteld dat de betreffende zes biggen als onderdeel van een groep van 27 biggen niet zijn afgekeurd en geëuthanaseerd, maar zijn geslacht en dat daaruit volgt dat van overtreding van artikel 9 van de Verordening geen sprake kan zijn. Wat er ook zij van de stelling van appellante dat voor de biggen is betaald als waren zij geslacht – een onderbouwing van die stelling ontbreekt – uit de omstandigheid dat de biggen zouden zijn geslacht volgt niet dat zij niet in strijd met artikel 9 van de Verordening naar het slachthuis zijn vervoerd. Voor zover appellante met het overgelegde overzicht van het slachthuis heeft willen betogen dat van vervoer in strijd met artikel 9 van de Verordening geen sprake was, wijst het College erop dat het overzicht geen betrekking heeft op het resultaat van een keuring door de toezichthouder en dat daaraan derhalve niet de betekenis toekomt die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan niet leiden tot het oordeel dat de Diergeneeskundige Verklaring een onjuist of onvolledig beeld geeft van de fysieke toestand van de dieren. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante op 17 augustus 2010 artikel 9, lid 1, van de Verordening heeft overtreden.

De stelling van appellante dat verweerder de invorderingsbeschikking had moeten doen voorafgaan door een vooraankondiging, slaagt evenmin. Voor zover gelet op het bepaalde in artikel 4:12 Awb (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 oktober 2012, LJN: BX8985) al zou moeten worden aangenomen dat verweerder is gehouden tot toepassing van artikel 4:8 Awb bij het nemen van een invorderingsbeschikking, is dit verzuim immers in bezwaar hersteld.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom. Het beroep tegen bestreden besluit I is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit II is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd doch het College zal de rechtsgevolgen ervan in stand laten.

5.6 Het College ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten, bestaande uit de kosten van de door de gemachtigde van appellante verleende rechtsbijstand, worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met wegingsfactor 1 en € 472,- per punt).

5.7 Het College zal tot slot verweerder opdragen het door appellante betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 944,- (zegge: negenhonderdvierenveertig

euro);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,- (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) aan

appellante te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P. M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.M. Beishuizen