Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ8470

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
AWB 10/628
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Bestuurlijke boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/628 9 april 2013

16005 Meststoffenwet

Bestuurlijke boete

Uitspraak op het hoger beroep van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 april 2010 in het geding tussen appellante

en

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna: de minister,

gemachtigde van appellante: B,

gemachtigde van de minister: mr. A.H. Spriensma-Heringa.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 23 mei 2010 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 april 2010 (AWB 09/1156). Bij brief van 19 juni 2010 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 16 september 2010 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Op 27 februari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij hebben partijen zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante is tevens verschenen D.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2 Bij besluit van 20 december 2008 heeft de minister appellante wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (hierna: Msw) bestuurlijke boetes voor een bedrag van in totaal € 14.967,- opgelegd. Deze bestuurlijke boetes zijn appellante opgelegd omdat zij in het jaar 2006 de gebruiksnorm dierlijke mest en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden met respectievelijk 1.453 kilogram stikstof uit dierlijke mest en 872 kilogram fosfaat uit alle meststoffen.

2.3 Bij besluit van 11 juni 2009 (hierna: bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister appellantes bezwaar tegen het besluit van

20 december 2008 ongegrond verklaard.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht, zijn vermeld onder 2.4 van de uitspraak waarnaar wordt verwezen.

4. Het standpunt van appellante in hoger beroep

Appellante heeft betoogd dat zij, door in haar administratie de betreffende, door haar afgevoerde biggen die op dat moment zwaarder waren dan 25 kg aan te merken als vleesvarkens, niet de wettelijke regels heeft overtreden maar juist correct heeft toegepast, zodat de minister ten onrechte de betreffende boetes heeft opgelegd. Zij heeft zich daarbij beroepen op de brochure “Mestbeleid 2006: tabellen”, omdat in die brochure ‘vleesvarkens’ als volgt worden omschreven:

" (…) varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen die afkomstig zijn van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg."

Op grond van die omschrijving, zo heeft appellante gesteld, mogen varkens zwaarder dan 25 kg worden aangemerkt als vleesvarkens. Voorts heeft appellante gesteld, dat tijdens het horen door een medewerker van de minister is bevestigd dat varkens van 25 kilo en zwaarder als vleesvarkens mogen worden aangemerkt. Tot slot heeft appellante gewezen op de ‘Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 juli 2008, nr. TRCJZ/2008/1579, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, Stcrt 2008, nr 132, p. 20 (hierna: Wijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Daarbij is artikel 102 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gewijzigd, in die zin dat de veehouder niet langer kon kiezen om de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren ofwel te baseren op de forfaitaire gehalten per dier ofwel op de forfaitaire gehalten per kilogram levend gewicht. De wijziging beoogt, zo wordt gesteld in de toelichting bij de Wijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, dat de veehouder bij de administratieve verantwoording voor wat betreft de hoeveelheid stikstof en fosfaat in staldieren zo veel mogelijk uitgaat van het gewicht van de dieren en de forfaitaire gehalten per kilogram levend gewicht. Vóór deze wijziging, zo heeft appellante gesteld, was het derhalve toegestaan om forfaitaire gehalten per dier te hanteren, dus ook voor varkens die zwaarder waren dan 25 kg mocht de forfaitaire norm van vleesvarken worden gehanteerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of het oordeel van de rechtbank, dat appellante de betreffende, door haar afgevoerde biggen in haar administratie niet had mogen opnemen met diercategorienummer Va4 maar had moeten opnemen met diercategorienummer Va3, juist is. Het antwoord op deze vraag is van belang omdat de forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat per dier voor vleesvarkens hoger zijn dan voor biggen. Als de betreffende, door appellante afgevoerde biggen terecht in haar administratie zijn opgenomen met diercategorienummer Va4 (vleesvarkens) heeft appellante, zo heeft zij betoogd, een grotere hoeveelheid stikstof en fosfaat afgevoerd en heeft zij de gebruiksnorm dierlijke mest en de fosfaatgebruiksnorm, anders dan de minister stelt, niet, dan wel in mindere mate, overschreden.

5.2 In artikel 102, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet is bepaald dat als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D, tabel III. In bijlage D (Diergebonden normen), tabel III (betreft de “aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102”), worden, voor zover hier van belang, de categorieën ‘Biggen van ongeveer 10 weken (ca 25 kg)’ en ‘Vleesvarkens’ genoemd, en voor elk van die categorieën de forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat per dier en de forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat per kg lichaamsgewicht aangegeven.

In de brochure ‘Mestbeleid 2006: tabellen’, waarnaar appellante en de minister hebben verwezen, zijn tabellen opgenomen, waaronder tabel 4 (“Diergebonden normen”), waarin diersoorten en –categorieën worden omschreven. De omschrijvingen, voor zover hier van belang, zijn:

"Biggen (gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn aangeleverd en worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6 weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg)”, en

“Vleesvarkens (varkens die worden gehouden voor de slacht vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot ca. 110 kg. Ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf exact 25 kg)."

In tabel 7 (“Forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat in dieren”) in de brochure ‘Mestbeleid 2006: tabellen’ wordt voor beide omschrijvingen het diercategorienummer aangegeven: voor ‘Biggen van ongeveer 10 weken oud (ca. 25 kg)’ diercategorienummer Va3 en voor ‘Vleesvarkens’ diercategorienummer Va4.

5.3 Appellante heeft gesteld dat zij, waar het gaat om het in de administratie opnemen van het diercategorienummer, ten aanzien van de door haar afgevoerde varkens de keuze had tussen de diercategorienummers Va3 en Va4, omdat de betreffende biggen zwaarder waren dan 25 kg. Anders dan appellante meent, volgt uit bijlage D, tabel III, en de tabellen in de brochure ‘Mestbeleid 2006: tabellen’ niet dat zij die keuze heeft. Ook niet als het biggen betreft die zwaarder zijn dan 25kg.

De omschrijving in bijlage D, tabel III, en in tabel 4 van de brochure van de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ sluit aan bij de praktijk, waarin, zo is namens appellante ter zitting bevestigd, biggen, die niet in het eigen bedrijf worden gemest (voor de slacht gehouden), in de regel worden afgeleverd aan een mesterij op een leeftijd van 10 weken; deze biggen wegen dan in de regel (iets) minder dan 25 kg. De bij de mesterij aangeleverde biggen, die in die mesterij voor de slacht worden gehouden, wegen derhalve ca. 25 kg of iets lichter. Ter zitting heeft appellante voorts bevestigd dat zij voor de betreffende, door haar afgeleverde biggen de geldende biggenprijs heeft ontvangen (al dan niet met een toeslag in verband met het feit dat de biggen zwaarder waren dan 25 kg).

Uit tabel 7 van de brochure - de tabel die van toepassing is op staldieren die worden aan- en afgevoerd - volgt, in aansluiting op de hiervoor beschreven praktijk, dat de diercategorieën ‘biggen’ en ‘vleesvarkens’ geen overlappende, maar elkaar uitsluitende diercategorieën zijn. Door de fokkerij op een leeftijd van 10 weken afgeleverde varkens zijn voor die fokkerij biggen; voor de mesterij, waar die biggen worden aangeleverd en voor de slacht worden gehouden, zijn het vleesvarkens. De omstandigheid dat biggen, die de fokkerij niet zelf voor de slacht gaat houden, niet altijd op een leeftijd van 10 weken (en ca. 25 kg) kunnen worden afgeleverd, zodat deze bij aflevering zwaarder kunnen zijn dan 25 kg, maakt dit niet anders. Bij biggen die op het moment dat zij worden afgeleverd zwaarder zijn dan 25 kg bestaat dus niet de vrijheid om deze in de administratie op te nemen als ‘vleesvarken’. De keuze die appellante, blijkens bijlage D, tabel III, wel had, was de keuze om in haar administratie voor de betreffende, door haar afgeleverde biggen gebruik te maken van forfaitaire gehalten per dier, dan wel per kg lichaamsgewicht. Appellante heeft in haar administratie voor de betreffende, door haar afgeleverde biggen gekozen voor forfaitaire gehalten per dier.

5.4 Het beroep van appellante op de Wijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet kan, mede gelet op 5.3, niet slagen, omdat met die wijziging de keuze tussen het gebruik maken van forfaitaire gehalten per dier of van forfaitaire gehalten per kg lichaamsgewicht is komen te vervallen. Daaruit kan, anders dan appellante heeft gesteld, niet worden afgeleid dat voor veehouders als appellante de keuze zou hebben bestaan om biggen zwaarder dan 25 kg in de administratie op te nemen met diercategorienummer Va4 in plaats van Va3.

5.5 Het betoog van appellante dat tijdens het horen in bezwaar is bevestigd dat zij terecht de betreffende, door haar afgeleverde biggen in haar administratie heeft opgenomen met diercategorienummer Va4 treft ook geen doel. Het door appellante overgelegde verslag van de hoorzitting biedt voor dat betoog geen steun. In dat verslag is slechts opgenomen dat de medewerker van de minister die met appellante heeft gesproken “zegt nog niet te hebben kunnen achterhalen waarom de werkwijze van de heer Hulshof nu precies is afgekeurd. Dit zal ze nog nader moeten uitzoeken”. In het bestreden besluit is vervolgens het standpunt van de minister, dat appellante in haar administratie niet het juiste diercategorienummer heeft gebruikt voor de betreffende, door haar afgeleverde biggen, uitgebreid toegelicht.

5.6 Het College komt tot de slotsom dat de in 5.1 weergegeven vraag bevestigend moet worden beantwoord, zodat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.7. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding

6. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, mr. H. Bolt en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.C. Bannink