Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ8135

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
AWB 11/1063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2010; procesbelang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/1063

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2013 in de zaak tussen

A, te B, appellant,

(gemachtigde: mr. E. Zonderland-Knijn)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van de C.V. C (hierna: de vennootschap) voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 20 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een nader verweerschrift ingediend.

Het College heeft partijen onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 september 2012, LJN: BY0527 verzocht toestemming te verlenen voor het achterwege laten van een zitting.

Partijen hebben toestemming verleend. Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Met haar Gecombineerde opgave 2010 heeft de vennootschap uitbetaling van bedrijfstoeslag 2010 aangevraagd en daarvoor een aantal gewaspercelen met volgens haar opgave een totale oppervlakte van 87.90 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de hoogte van de bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 16.189,64 (inclusief modulatiekorting). Hierbij is verweerder uitgegaan van 29,15 beschikbare toeslagrechten en een definitieve geconstateerde oppervlakte van 29.15 ha. Uit de toelichting op het besluit blijkt dat verweerder onder meer de gewaspercelen 13 en 14 kleiner heeft gemeten dan volgens de opgave van de vennootschap.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. Appellant is van mening dat gewaspercelen 13 en 14 ten onrechte zijn afgekeurd. Appellant gebruikt de grond overwegend voor landbouwdoeleinden. Beide percelen worden gebruikt voor voerproductie en daarvoor bemest. De productie wordt volledig aan de eigen veestapel gevoerd. Het gaat dus om bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. De landbouwactiviteit ondervindt geen noemenswaardige hinder van niet-landbouwactiviteiten. De percelen voldoen dus aan het begrip 'subsidiabele oppervlakte'.

4. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de gewaspercelen 13 en 14 bermen zijn. Zij vervullen een wegenbouw- en verkeerskundige functie. Dergelijke grond kan niet als subsidiabele oppervlakte worden aangemerkt.

In zijn aanvullend verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat appellants beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat appellant al zijn toeslagrechten uitbetaald heeft gekregen.

5. Als vereiste voor de ontvankelijkheid van een beroep geldt dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden. Bij gebreke daarvan moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het College overweegt dienaangaande, mede onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 26 september 2012, als volgt.

In alle geschillen over de gemeten oppervlakten die betrekking hadden op besluiten betreffende de bedrijfstoeslag over het jaar 2009 heeft het College procesbelang aangenomen. Daarbij is van belang geacht dat verweerder eerst een voorschotbeslissing heeft genomen op basis van de bij hem bekende gegevens, en pas daarna onderzoek heeft verricht naar de juiste oppervlakte van de opgegeven percelen. Als bij dat onderzoek een kleinere oppervlakte werd vastgesteld dan bij de voorschotbeslissing was aangenomen, werd wel berekend wat de consequenties waren voor het recht op uitbetaling van toeslagrechten, maar werd, conform de tevoren uitgestippelde lijn, van terugvordering van een eventueel teveel uitbetaald bedrag afgezien. Verweerder heeft deze werkwijze gevolgd om landbouwers de gelegenheid te geven om de nieuwe meetresultaten (onder meer in bezwaarprocedures) ter discussie te stellen, en om te voorkomen dat landbouwers bij de besluitvorming inzake de toeslagrechten over het jaar 2010 plotseling geconfronteerd zouden worden met gewijzigde opvattingen over de (juiste wijze van vaststelling van de) oppervlakte van hun percelen, met mogelijk direct sancties vanwege een onjuiste opgave. Ook met het oog op de mestwetgeving had deze werkwijze het voordeel dat landbouwers de tijd kregen om onder ogen te zien wat de gevolgen waren van verweerders nieuwe benadering, en dat eventuele onjuistheden - anders dan in bezwaar- of beroepsprocedures tegen reeds opgelegde sancties - ter discussie gesteld konden worden.

6. Kort gezegd kwam het erop neer, dat een besluit waarbij de uitbetaling van toeslagrechten werd toegekend, als voorschotbesluit werd aangemerkt, ten einde bij een tweede besluit, dat dan als definitieve toekenningsbeslissing werd aangeduid, een wijziging in de motivering te kunnen aanbrengen. Die wijziging zou pas in de daarop volgende jaren soms belangrijke gevolgen voor de uitbetaling van toeslagrechten kunnen hebben, maar in die jaren slechts met het risico dat financieel ingrijpende sancties worden opgelegd en in stand gelaten, in rechte kunnen worden aangevochten. In die situatie heeft het College procesbelang aangenomen. Immers, niet ontkend kon worden dat het in een volgend jaar uitlokken van een voor beroep vatbaar besluit door het indienen van een aanvraag of het uitrijden van mest op basis van een eigen opvatting over de oppervlakte van percelen, om op die wijze verweerders benadering van het meten van oppervlakten te kunnen aanvechten, een onevenredig belastende weg zou zijn.

7. In het jaar 2010 is niet een vergelijkbare onverwachte wijziging in de meetmethoden aangebracht. Landbouwers zijn geïnformeerd over de gewijzigde meetmethoden en hebben zich inmiddels op de resultaten van verweerders nieuwe benadering kunnen instellen. Voorts hebben zij de gelegenheid gekregen om eventuele aanpassingen in de Gecombineerde opgave aan te brengen. Dit betekent dat het normale vereiste voor ontvankelijkheid, namelijk dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden, onverkort van toepassing is.

8. In deze procedure geldt als uitgangspunt dat appellant 29,15 toeslagrechten heeft met een totale waarde van € 17.162,65. Met toepassing van de hier verder niet ter discussie staande modulatiekorting heeft verweerder bij het bestreden besluit het totale beschikbare bedrag aan bedrijfstoeslag uitgekeerd omdat 29.15 ha geconstateerd was. Een vergroting van de door verweerder gemeten oppervlakte door ook de hiervoor bij randnummer 1 genoemde percelen mee te tellen, zou daaraan niets kunnen toevoegen. Gelet hierop is bij appellant geen sprake van enig te honoreren procesbelang. Daarmee is niet gezegd dat de discussie over de door verweerder (niet) als landbouwgrond aangemerkte oppervlakte voor appellant ook in 2010 niet een groot belang kan hebben, maar dat is geen belang waarover het College in een beroepsprocedure tegen een besluit inzake de vaststelling van de over het jaar 2010 uit te betalen bedrijfstoeslag uitspraak kan doen.

9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

10. De door verweerder in 2009 gevolgde werkwijze is de oorzaak geweest van een zekere onduidelijkheid over de mogelijkheid om in beroep de meting van percelen ter toetsing aan het College voor te leggen, ook als dat geen direct gevolg voor de uitbetaling van de toeslagrechten kan hebben. Verweerder dient de gevolgen daarvan te dragen. Derhalve acht het College het passend verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

De proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 472,-- waarbij is uitgegaan van verleende rechtsbijstand bij het opstellen van het beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar bestaat gelet op artikel 7:15, tweede lid, Awb geen aanleiding, nu het primaire besluit niet is herroepen.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 472,-- (zegge:

vierhonderdtweeënzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht van € 152,-- (zegge: honderdtweeënvijftig euro)

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. M.J. van Veen