Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ8132

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
AWB 12/415
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

gebruik van percelen landbouwgrond; dubbelclaim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/415

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2013 in de zaak tussen

A, te B, appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lamain-Nuijen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van appellants bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 22 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 16 november 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Appellant was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant (relatienummer 200775163) is eigenaar van de gewaspercelen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 en heeft deze percelen opgegeven in zijn aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag 2010. Dezelfde gewaspercelen, met enigszins gewijzigde nummering, zijn ten behoeve van de Subsidie Natuur en Landschap (SNL) ook opgegeven door de gebruiker van de percelen Boerderij Breevoort (relatienummer 202380674), een vennootschap onder firma waarin appellant deelneemt. Desgevraagd heeft appellant op 20 oktober 2010 telefonisch verklaard dat hij de percelen niet in gebruik heeft. Later heeft hij die verklaring gehandhaafd en toegevoegd dat hij de percelen heeft opgegeven omdat hij ervan uitging dat de eigenaar van de grond bedrijfstoeslag moest aanvragen in plaats van de grondgebruiker.

2. Verweerder kent geen bedrijfstoeslag toe omdat de afgekeurde oppervlakte groter is dan 20 % van de goedgekeurde oppervlakte en sluit appellant uit voor € 2.522,40 omdat sprake is van opzettelijke dubbele opgave. Verweerder wijzigt deze beslissing in het bestreden besluit in zoverre dat verweerder de opzet laat vervallen. Dit heeft echter niet tot gevolg dat aan appellant bedrijfstoeslag 2010 wordt toegekend.

3.1 Appellant voert in de eerste plaats aan dat uit verweerders besluitvorming niet blijkt dat hier slechts sprake is van een administratieve dubbele opgave die voortvloeit uit het opzetten van een nieuwe bedrijfsvorm waarin appellant volledig deelneemt en een daarmee gepaard gaande onduidelijkheid over de verzilvering van toeslagrechten. Aangezien verweerder niet onder ogen heeft gezien dat hier geen sprake is van een echte dubbelclaim, is het bestreden besluit in strijd met het beginsel dat verweerder de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en een besluit doet berusten op een deugdelijke motivering.

Het College oordeelt hieromtrent als volgt. Om de percelen op te kunnen geven voor de uitbetaling dienden deze op de peildatum 15 mei 2010 tot het bedrijf van appellant te behoren op grond van artikel 35, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009. In navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010 (C-61/09, Landkreis Bad Dürkheim) heeft het College in eerdere uitspraken (CBb 6 juli 2012, LJN: BX4913 en CBb 18 oktober 2012, LJN: BY1553) geoordeeld dat voor de vraag of percelen tot het bedrijf van een landbouwer behoren, beslissend is of de landbouwer over een gebruikstitel beschikt die hem de bevoegdheid verleent om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken, en of de landbouwer de percelen ook feitelijk daarvoor heeft gebruikt.

Hoewel appellant deelneemt in de vennootschap onder firma Boerderij Breevoort is niet gesteld of gebleken dat hij in 2010 zelf geen landbouwer meer is in de zin van artikel 2, aanhef en onder a van Verordening (EG) nr. 73/2009. Niet in geschil is dat appellant het gebruik van deze percelen niet had op de peildatum 15 mei 2010. Dit leidt ertoe dat verweerder deze terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor de uitbetaling van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010.

3.2 Appellant heeft verder aangevoerd dat verweerder voor 2012 de werkwijze heeft gehanteerd dat hij landbouwers direct na ontvangst van de Gecombineerde opgave met een e-mail waarschuwt dat een dubbelclaim is geconstateerd. De landbouwer kan dan nog tijdig zijn aanvraag wijzigen. Volgens appellant is het telefoongesprek van 20 oktober 2010 zo'n waarschuwing en niet het moment waarop de landbouwer in kennis wordt gesteld van de onregelmatigheden in de verzamelaanvraag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, waarna wijzigingen in die aanvraag niet langer zijn toegestaan.

Het College overweegt dat niet in geschil is dat de door appellant geschetste werkwijze in 2010 nog niet gehanteerd werd. Op verweerder rust naar het oordeel van het College niet de rechtsplicht om de opgaven van 2010 te beoordelen alsof daarop de in 2012 geïntroduceerde werkwijze was toegepast. Voorts is gesteld noch gebleken dat de aanvraag van appellant voor 2010 anders dan die van anderen is behandeld, zodat van rechtsongelijkheid geen sprake is.

3.3 Het voorgaande betekent dat voor het corrigeren van de door appellant gemaakte fout alleen ruimte bestaat als geoordeeld moet worden dat deze een kennelijke fout als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 oplevert. Volgens appellant is er sprake van een dergelijke fout omdat de door relaties vanuit één adres gedane opgave verweerder vanwege de daarin gelegen inconsistentie onsamenhangend had moeten voorkomen.

Het College heeft in vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 20 mei 2011, LJN: BQ6205) bepaald dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien (de behandelend ambtenaar in dienst van) verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen. Niet valt in te zien hoe het de behandelend ambtenaar in een oogopslag duidelijk had moeten zijn dat appellant niet het gebruik had van de percelen die hij in de aanvraag heeft opgenomen. Van een onsamenhangende of tegenstrijdig ingevulde aanvraag is dan ook geen sprake. Dat dit wel zou kunnen blijken door de Gecombineerde opgave van Boerderij Breevoort v.o.f. bij de aanvraag te betrekken overschrijdt de reikwijdte van een summier onderzoek.

3.4 Het standpunt van appellant dat de financiële gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn, kan hem evenmin baten. De opgelegde sanctie vloeit rechtstreeks voort uit artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dat voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997,C-354/95, National Farmers Union), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

3.5 Ingevolge artikel 73 van genoemde verordening blijft die korting achterwege als appellant feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins bewijst dat hem geen schuld treft. Appellants betoog dat hij er abusievelijk vanuit is gegaan dat hij als eigenaar van de grond ook de toeslagrechten diende te verzilveren vat het College op als een beroep op deze uitzondering. Dit betoog slaagt echter niet. Vaststaat immers dat appellant feitelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt, nu is gebleken dat hij de percelen niet in beheer had op de peildatum 15 mei 2010. Appellant heeft naar het oordeel van het College niet bewezen dat hem geen schuld treft aan de foutieve opgave van het perceel. Hij is zelf verantwoordelijk voor de juistheid van zijn opgave. Het bij hem levende misverstand komt om die reden voor zijn rekening.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven