Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ8125

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
AWB 12/319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting; lichtintensiteit varkensstal; gelegenheid tot herstel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/319

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2013 in de zaak tussen

maatschap A en B, te C, appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. H.V. Qualm).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 5 % op de aan appellante voor het jaar 2011 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 2 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herroepen, het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting op 3 % vastgesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Op 16 november 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Appellante werd vertegenwoordigd door A. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Appellante heeft voor 2011 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd.

Op 3 augustus 2011 vond bij appellante een controle plaats vanwege het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel. Daarbij zijn overtredingen geconstateerd van de hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Daarmee zijn de randvoorwaarden om in aanmerking te komen voor landbouwsteun overtreden. In verband daarmee is aan appellante bij besluit van 5 oktober 2011 een korting op de uit te betalen subsidies van 3 % opgelegd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2 Op 19 augustus 2011 vond bij appellante een controle plaats door de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID). Daarbij is geconstateerd dat in één afdeling van de stallen 70 varkens in strijd met artikel 10, eerste lid, Varkensbesluit niet de beschikking hadden over een lichthoeveelheid van minimaal 40 lux. Gemeten is een hoeveelheid van 20 tot 40 lux. Appellante en de controleur van de AID hebben gesproken over de mogelijkheid de lichthoeveelheid te verhogen door de TL-lampen te reinigen. Volgens de controleur was echter ook daarna 40 lux niet haalbaar. Bij het primaire besluit is aan appellante op basis van de bevindingen bij de controle een verhoging van de randvoorwaardenkorting tot 5 % opgelegd in verband met de overtredingen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij het herziene besluit van 26 juni 2012 heeft verweerder de korting die was gebaseerd op de overtreding van de hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong laten vallen en de subsidiekorting op 3 % vastgesteld.

3. Appellante voert aan dat de controleur van de AID op haar verzoek een hercontrole heeft uitgevoerd. Als gevolg van een verbouwing hingen de TL-lampen toen scheef en werd aan de achterkant geen 40 lux gemeten. Onder de schijnrichting van de lamp was de lichtintensiteit echter 50 tot 100 lux op dierniveau. De controleur bleef bij zijn mening dat er niet in de gehele stal 40 lux was. Artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit vereist dit echter ook niet. Appellante voert verder aan dat hij geen controleverslag heeft ontvangen. Naar zijn mening ligt er voorts een met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strijdige onevenredigheid in het feit dat een melkgerelateerde steunaanvraag wordt gekort op basis van een niet-naleving in de varkenshouderij. Dit geldt nog meer ten aanzien van de korting op de SNL-subsidie aangezien met betrekking tot die subsidie aan alle voorwaarden is voldaan. Aanvullend heeft appellante opgemerkt dat vier TL-armaturen van 36 watt 13.400 lux opleveren. Bij een staloppervlakte van 112 m² levert dat 119 lux per m² op. Voorts merkt appellante op dat zij heeft aangeboden de lampen schoon te maken, maar dat de controleur dat niet toestond omdat niet aan de norm zou kunnen worden voldaan.

4.1 Het College overweegt als volgt. Volgens artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit bedraagt de lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag. De Nota van Toelichting bij het Varkensbesluit vermeldt onder andere dat de aanscherping van de norm van 12 lux naar 40 lux tot gevolg heeft dat bedrijven waar de lichtintensiteit in de stallen wordt verwezenlijkt met daglicht extra voorzieningen zullen moeten treffen. In het bijzonder in lange, diepe stallen kan de voorgeschreven lichtintensiteit van ten minste 40 lux gedurende acht uur per dag niet meer worden bereikt met daglicht, maar zal ter ondersteuning kunstlicht moeten worden aangebracht.

4.2 In beginsel mag worden afgegaan op de inhoud van de door een opsporingsambtenaar in het rapport fysieke controle vermelde waarnemingen en feiten, en ligt het op de weg van een betrokkene om gerede twijfel te zaaien omtrent de juistheid van het proces-verbaal, bijvoorbeeld door een contra-expertise in het geding te brengen. Tegenover de verklaring van de controleur dat op 19 augustus 2011 geen lichtintensiteit van minimaal 40 lux werd gemeten stelt appellante slechts dat er – bij de hercontrole – onder de lampen meer dan 40 lux werd gemeten. Over die hercontrole heeft zij verder geen concrete gegevens kunnen overleggen. Om die reden ziet het College onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van inhoud van het rapport fysieke controle en gaat het College ervan uit dat de lichtintensiteit verticaal op dierhoogte gemeten niet ten minste 40 lux bedroeg. Daarmee heeft appellante niet voldaan aan de randvoorwaarden voor Europese inkomenssteun zoals bepaald in artikel 4 en bijlage II van Verordening (EG) nr. 73/2009 in verband met Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens, artikel 3 en bijlage 1, onder 17.24 van de Regeling en artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit.

4.3.1 Artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalt echter dat in naar behoren gemotiveerde gevallen de lidstaten kunnen besluiten dat geen verlaging wordt toegepast wanneer een geval van niet-naleving, gelet op de ernst, de omvang en het permanente karakter ervan, als van gering belang moet worden beschouwd. Artikel 3 van de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Beleidsregels) bepaalt dat – gelet op de beoordeling van de niet-naleving van de norm aan de hand van de omvang, de ernst en het al dan niet permanente karakter – de minister, in afwijking van artikel 2 van de Beleidsregels, besluit dat sprake is van een niet-naleving van gering belang zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bij de niet-naleving van de in het tweede lid bedoelde randvoorwaarden voor zover de niet-naleving onmiddellijk of binnen de aan de landbouwer door de controleambtenaar mede te delen periode aantoonbaar is hersteld. Blijkens het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder y, van de Beleidsregels betreffen de in het eerste lid bedoelde randvoorwaarden de eisen gesteld in artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht dat onmiddellijk wordt hersteld.

4.3.2 Uit het vorenstaande leidt het College af dat indien bij een fysieke controle een te lage lichtintensiteit in een varkensstal wordt geconstateerd, aan een landbouwer op diens verzoek de gelegenheid behoort te worden geboden om deze overtreding te herstellen. Appellante heeft ook aan de controleur aangeboden door middel van reiniging van lampen de vereiste minimale lichtintensiteit te behalen en aldus de overtreding te herstellen. De controleur is echter niet ingegaan op dit aanbod omdat hij van mening was dat ook na het schoonmaken van de verlichting de vereiste lichtintensiteit niet zou worden gehaald. Appellante heeft beargumenteerd aangevoerd, dat dat wel mogelijk zou zijn geweest. Het College kan niet vaststellen of de controleur terecht geoordeeld heeft dat de vereiste lichtintensiteit niet kon worden behaald.

Onder deze omstandigheden concludeert het College dat de controleur appellante de gelegenheid had moeten bieden om haar gelijk te bewijzen. Nu dat niet gebeurd is, stelt het College vast dat verweerder bij de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vastgehouden aan de door hem ter zake van de overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit aan appellante opgelegde randvoorwaardenkorting.

4.3.3 Het College concludeert dan ook dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

5. Het beroep is gegrond. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit te vernietigen en aan appellante voor het jaar 2011 geen randvoorwaardenkorting op te leggen.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 juni 2012, voor zover aangevochten;

- herroept het primaire besluit van 4 januari 2012;

- bepaalt dat aan appellante voor het jaar 2011 geen randvoorwaardenkorting wordt opgelegd;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 310,-- (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven