Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ4402

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2013
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
AWB 11/585
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang wegens overtreding artikelen 36 en 37 Gezondheids- en welzijnswet voo dieren; meevoeren en opslaan wegens onvoldoende gevolg geven aan de last; kostenverhaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/585 21 februari 2013

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Den Haan, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 juli 2011, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 juni 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 maart 2011, waarbij aan appellant een last onder bestuursdwang is opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste en derde lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, ongegrond verklaard.

Bij brief van 29 augustus 2011 heeft verweerder een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Bij brief van 13 december 2011 heeft verweerder twee beslissingen inzake de vaststelling van de kosten van bestuursdwang en enkele nadere stukken aan het College overgelegd.

Bij brieven van 6 januari 2012 en 27 januari 2012 heeft appellant daarop gereageerd.

Bij brief van 31 mei 2012 heeft verweerder een (aanvullend) besluit van 29 mei 2012 overgelegd, waarin de kosten van bestuursdwang nader worden vastgesteld.

Op 7 juni 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en, namens verweerder, N.S.J. Hoogland, dierenarts in dienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeenter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b.de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen

ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24

1.De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2.De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3.De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan derechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1.De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(...)

Artikel 5:29

1.Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.

2.Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.

3.Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.

4.Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan.

(…)

Artikel 5:31c

1.Het bezwaar, beroep, of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuusdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

(…)

Artikel 5:32

1.Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 maart 2011 hebben J. Smit (districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID) en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar), en C. de Jong (districtsinspecteur van de LID en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar) in gezelschap van N.S.J. Hoogland voornoemd een controlebezoek gebracht aan een volkstuin op [adres], die in eigendom is van en in gebruik is bij appellant en zijn vader. Van dit bezoek is een toezichtrapport (rapportnummer LID/B/15-03-2011/13.00/JSCdJ) opgemaakt.

- De bevindingen van dierenarts Hoogland zijn neergelegd in een proces-verbaal van verhoor van 16 maart 2011. Daarin is het volgende opgenomen. In totaal zijn ongeveer 535 dieren aangetroffen. Een aantal van de eenden en ganzen had een bevuild verenkleed. Dat beeld werd ook waargenomen in de plantenkas, waarin in verschillende hokjes ongeveer 85 sier- en zangvogels werden aangetroffen. De watervogels hadden geen mogelijkheid te zwemmen en zich schoon te maken. De bodem van deze afdelingen bestond uit met uitwerpselen vervuilde natte grond. Het in emmers aangeboden drinkwater was totaal vervuild. Voor verdere details wat betreft het aanwezige voer, drinkwater en strooisel verwijst Hoogland naar de bijlage “Bevindingen N.S.J. Hoogland Bruilwering 15-3-2011”. Voor de derde keer werden dode dieren aangetroffen. Er bleken 40 dode, in meer en minder verre staat van ontbinding verkerende dieren te zijn verpakt in blauwe plastic zakken en papieren zakken. Buiten het terrein werd een veetransportmiddel aangetroffen met een vloeroppervlak van ongeveer 2 vierkante meter, waarin zich een schaap en 5 geiten bevonden. Hoogland is van mening dat het welzijn van de dieren is benadeeld, omdat de aanwezige dieren in vervuilde hokken worden gehouden. Dit veroorzaakt in de afgesloten schuur en plantenkas een stofrijke en benauwde lucht, die schadelijk is voor mens en dier. Adequate klimaatbeheersing ontbreekt nog steeds. Ongeveer 60% van de dieren komt nooit buiten en mist de ruimte om vrij (zonder stress) te kunnen bewegen en hun natuurlijk gedrag te kunnen uiten. Vooral de aanwezige kippen zijn zodanig in groepen gehuisvest dat er geen mogelijkheid is voor het individuele dier om zich af te zonderen van de groep. Rust- en schuilplaatsen ontbreken voor een groot deel van deze dieren. Het schaap en de 5 geiten in de veetrailer kunnen zich niet vrij bewegen in een ruimte van ongeveer twee vierkante meter. Gelet op de toestand waarin de dieren zijn aangetroffen, is naar de mening van Hoogland sprake van het onthouden van de nodige zorg. Bij ongeveer 480 van de 535 aanwezige dieren is wel een opmerking te maken over de wijze van huisvesting, voer- en waterverstrekking. Een groot aantal dieren wordt onvoldoende verzorgd. De aanwezige dieren dienen zo snel mogelijk in een omgeving te worden gebracht waarin ze op een voor hun specifieke natuurlijke manier kunnen leven. Met andere woorden: ruimte en verse lucht. Bovendien dienen de aanwezige eenden en ganzen de beschikking te krijgen over een zwemmogelijkheid. De huidige methode van huisvesting leidt tot beschadiging en vervuiling van hun verenkleed. Alle andere aanwezige dieren dienen uitloop- en uitvliegmogelijkheden te krijgen om aan hun fysiologische behoeften te kunnen voldoen.

- In de bijlage “Bevindingen N.S.J. Hoogland C 15-3-2011”, waarnaar Hoogland in zijn bovengenoemde verklaring verwijst, is per verblijf de feitelijke situatie omschreven. Daarin komt – kort samengevat – naar voren dat een groot aantal verblijven (zeer) vervuild en/of nat is en daarin geen (schoon) water en/of voer aanwezig is.

- Smit en De Jong hebben hun bevindingen neergelegd in een op 17 maart 2011 opgemaakt en ondertekend Rapport van bevindingen. Per verblijf is de door hen aangetroffen feitelijke situatie beschreven. Daaruit blijkt – kort samengevat – dat bij alle verblijven een vieze, penetrante geur van mest en/of stinkende modder geroken wordt en dat een groot deel van de verblijven nat is en/of vervuild is met mest en niet is uitgerust met (schoon) drinkwater en voer.

- De bevindingen van het controlebezoek waren voor verweerder aanleiding appellant bij het besluit van 22 maart 2011 een last onder bestuursdwang op te leggen, waarin hem wordt gelast om vóór 27 maart 2011 de volgende maatregelen te nemen:

1. Alle dieren moeten te allen tijde over een schone en droge rust/schuilplaats kunnen beschikken.

2. Alle dieren moeten te allen tijde over een schone en droge huisvesting kunnen beschikken. U dient daartoe, minimaal, dagelijks alle mest en urine te verwijderen.

3. Alle ruimtes waarin zich dieren bevinden moet goed geventileerd zijn zodat de dieren voldoende frisse lucht tot hun beschikking hebben. Zoals bijvoorbeeld de dieren in de afgesloten schuur en plantenkas.

4. Alle dieren moeten zich in hun huisvesting “vrij” kunnen bewegen en hun bewegingsvrijheid mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat daardoor onnodig lijden of letsel kan worden toegebracht. Bijvoorbeeld door overbezetting/overbevolking en obstakels. Al het pluimvee moet bijvoorbeeld een ruime uitloop hebben zodat zij zich voldoende kunnen bewegen en hun normaal gedrag kunnen vertonen.

5. Alle dieren moeten te allen tijd over vers/schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet te allen tijde goed toegankelijk zijn voor de dieren.

6. Alle dieren moeten een toereikende hoeveelheid gezond en voor de leeftijd en soort geschikt voeder krijgen.

Het genoemde proces-verbaal van verhoor van Hoogland van 16 maart 2011 is achter dit besluit als bijlage bijgevoegd, evenals de bijlage waarnaar Hoogland in zijn in dat proces-verbaal opgenomen verklaring verwijst.

- Op 11 april 2011 hebben Smit, De Jong en Hoogland een hercontrolebezoek gebracht aan de locatie aan [adres]. Van dit bezoek is eveneens een toezichtrapport (rapportnummer LID/B/11-04-2011/11.00/JSCdJ) opgemaakt.

- De bevindingen van dierenarts Hoogland zijn neergelegd in een proces-verbaal van verhoor van 21 april 2011. Hoogland heeft per verblijf beschreven waarom de daarin aanwezige dieren zijn meegevoerd en opgeslagen. Kort samengevat blijkt daaruit dat sprake was van overbevolking, de dieren onvoldoende uitloop hadden, de huisvesting te klein en de ventilatie onvoldoende was. Volgens Hoogland is het op die manier houden van genoemde dieren een duidelijke aantasting van hun welzijn, waarbij de historie duidelijk maakt dat de houders van de dieren juiste huisvesting en goede verzorging niet willen of mogelijk niet kunnen bieden. Van de meegevoerde dieren is zonder redelijk doel de gezondheid of het welzijn benadeeld. Naar zijn mening is de dieren de nodige zorg onthouden.

- De bevindingen van Smit en De Jong zijn neergelegd in een op 21 april 2011 opgemaakt Rapport van bevindingen. Per verblijf is de door hen aangetroffen feitelijke situatie beschreven. Kort samengevat blijkt daaruit dat een groot aantal verblijven te klein is, dat sprake is van overbevolking en van onvoldoende ventilatie. Volgens hen wordt in een groot aantal gevallen niet voldaan aan de in de last onder bestuursdwang opgelegde maatregelen 3 en 4.

- Op grond van de bevindingen van deze hercontrole heeft verweerder op 11 april 2011 174 kippen, 66 eenden, 43 duiven, 11 ganzen, 39 vogeltjes, 1 kwartel, 61 konijnen en 9 cavia’s meegevoerd en opgeslagen. Hiervan is op 11 april 2011 een proces-verbaal als bedoeld in artikel 5:29, tweede lid, Awb opgemaakt en uitgereikt aan appellant.

- Bij brief van 21 april 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de opgelegde last onder bestuursdwang van 22 maart 2011 en tegen het op 11 april 2011 meevoeren en opslaan van de genoemde dieren.

- Op 31 mei 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 14 juni 2011 genomen.

- Bij besluit van 25 juli 2011 heeft verweerder een bedrag van € 40.440,29 aan kosten inzake de toepassing van bestuursdwang bij appellant in rekening gebracht. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 september 2011 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 16 september 2011 heeft verweerder een bedrag van € 19.519,35 aan kosten inzake de toepassing van bestuursdwang bij appellant in rekening gebracht. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 oktober 2010 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 29 mei 2012 heeft verweerder het besluit van 25 juli 2011 herzien en de kosten van bestuursdwang nader vastgesteld op € 37.939,80 en het besluit van 16 september 2011 ingetrokken.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft het bezwaar van appellant tegen het bestuursdwangbesluit van 22 maart 2011 ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat volgens vaste jurisprudentie af mag worden gegaan op de juistheid en volledigheid van de inhoud van de door de opsporingsambtenaar en/of toezichthouders opgestelde processen-verbaal. Slechts wanneer sprake is van een geloofwaardige en consistente betwisting van de juistheid van de waarnemingen, bestaat er aanleiding om nader onderzoek te verrichten. Hiervan is in deze zaak geen sprake, aldus verweerder. Uit niets blijkt dat de feiten en omstandigheden wezenlijk anders zijn dat wat staat omschreven in de processen-verbaal van het rapport van bevindingen en het toezichtrapport. De enkele stellingen van appellant, zonder onderbouwing en objectieve bewijzen, zijn daartoe volgens verweerder volstrekt onvoldoende. Bovendien wordt veel waarde gehecht aan de deskundigheid van de ter plaatse aanwezige dierenarts en toezichthouders. Appellant heeft zijn stellingen in het geheel niet onderbouwd door bijvoorbeeld overlegging van een verklaring van een ter zake deskundige en/of dierenarts.

Aan appellant is sinds 2004 diverse malen mondeling en schriftelijk te kennen gegeven dat de huisvesting en verzorging van zijn dieren niet op orde is en dat hij maatregelen dient te treffen. Volgens verweerder is gesteld noch gebleken dat hij niet zelfstandig onderzoek kon doen of informatie kon verkrijgen van de toezichthouders over de wijze waarop en over de hoeveelheid dieren die hij kon houden op de volkstuin. Van appellant mag, als houder van dieren, worden verwacht dat hij deze op een adequate wijze verzorgt en huisvest.

Niet naleving van de last onder bestuursdwang brengt volgens verweerder de bevoegdheid mee om de last door middel van feitelijk handelen ten uitvoer te brengen. Het meevoeren en opslaan van appellants dieren betreft feitelijk handelen, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Ten overvloede wijst verweerder erop dat de stelling dat alle dieren zijn meegevoerd en opgeslagen feitelijk onjuist is. De dieren die konden achterblijven omdat adequate verzorging en huisvesting was gewaarborgd, zijn achtergebleven. Verweerder laat de door appellant in dit verband naar voren gebrachte argumenten en stellingen daarom buiten beschouwing.

De kostenverhaalbeschikking van 16 september 2011 komt te vervallen. Ten aanzien van de kostenverhaalbeschikking van 25 juli 2011 worden de transportkosten gehalveerd, zodat de kosten van bestuursdwang worden vastgesteld op

€ 37.939,80.

Nu van onrechtmatige beslissingen naar de mening van verweerder geen sprake is, bestaat geen reden de door appellant geleden schade of de proceskosten in bezwaar te vergoeden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant betwist dat hij het welzijn en de gezondheid van zijn dieren heeft benadeeld. Hij houdt van zijn dieren en geeft ze een goede verzorging. Zijn dieren worden gewaardeerd om hun kwaliteit. De zorg die hij aan de dieren besteedt, doet niet onder voor wat gebruikelijk is bij hobby-dierenhouders. Volgens appellant werden de dieren dagelijks voorzien van nieuw voedsel dat in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig was. Bovendien beschikten de dieren over drinktorens waarin dagelijks het water wordt ververst. Verder blijkt uit de foto’s duidelijk dat de dieren meer dan voldoende ruimte hadden, aldus appellant. Hij verwijst ook naar de normering voor de huisvesting van dieren in de intensieve pluimveehouderij en constateert dat zijn dieren veel meer ruimte tot hun beschikking hebben. De huisvesting was daarnaast voldoende droog en schoon, omdat er door het aanvoeren van houtsnippers een droge laag op de soms vochtige ondergrond werd gecreëerd. Appellant stelt verder dat de mest en urine in de hokken met regelmaat en meestal dagelijks werd verwijderd. De hygiëne en klimaatbeheersing waren ruimschoots voldoende. De ruimten voor de eenden en de ganzen waren voorzien van waterbakken. Dat er dan een natte omgeving ontstaat, is volgens appellant onvermijdelijk. De kippen, eenden en ganzen hadden allemaal een ruime uitloop, waarin zij dagelijks rondliepen. De eenden en ganzen hadden zelfs een ren van circa 300 m2 beschikbaar voor 36 dieren. De last onder bestuursdwang is dan ook ten onrechte aangezegd, aldus appellant.

Het is volgens appellant ook onjuist dat de dieren zijn meegevoerd en opgeslagen. Ten onrechte heeft verweerder de daartegen aangevoerde argumenten buiten beschouwing gelaten. Bij het meevoeren is onzorgvuldig, willekeurig en onrechtmatig gehandeld. Appellant betoogt dat hij naar aanleiding van de aangezegde last onder bestuursdwang van 22 maart 2011 maatregelen heeft getroffen om aan de gestelde tekortkomingen tegemoet te komen. Dit betrof voornamelijk de ventilatie in de schuur en in de kas, waar de dichte (winter)deuren zijn vervangen door hordeuren. Ook is een aantal dieren verkocht, waardoor de beschikbare ruimte voor de overblijvende dieren nog groter is geworden dan daarvoor al het geval was. Groot was dan ook zijn verbazing dat op 11 april 2011 nagenoeg alle dieren in beslag zijn genomen, zelfs dieren waarvan tijdens het eerste bezoek is geconstateerd dat hun situatie akkoord was. Het is volgens appellant ook volstrekt onduidelijk waarom niet is volstaan met meeneming van die dieren waarvan de huisvesting volgens de inspecteurs onvoldoende ruim zou zijn. Appellant merkt hierbij nog op dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de telefonische mededeling aan de gemachtigde van appellant dat alleen eenden, kippen en knaagdieren zouden worden meegenomen. Met de inbeslagneming is dan ook onrechtmatig gehandeld, aldus appellant.

De kosten die verweerder heeft gemaakt, waren niet noodzakelijk. Er was immers geen noodzaak om de dieren mee te nemen, aldus appellant. Deze kosten zijn ook onnodig en buitensporig hoog. Het had op de weg van verweerder gelegen hem te waarschuwen dat de kosten in rekening zouden worden gebracht en eveneens te waarschuwen dat verweerder voornemens was kosten van een dergelijke buitensporige hoogte in rekening te brengen. Verweerder heeft voorts in strijd met artikel 5:25, tweede lid, Awb nagelaten te vermelden in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder worden gebracht. Gelet op artikel 5:30, tweede lid, Awb had verweerder de dieren bovendien eerder kunnen verkopen, nu duidelijk had moeten zijn dat de kosten in verhouding tot de waarde van de dieren onevenredig hoog werden. De uiteindelijke kosten staan ook niet in verhouding tot de waarde van de dieren. Het kostenverhaal krijgt hierdoor trekken van een punitieve sanctie en dat is niet toegestaan. De kosten van bestuursdwang horen in redelijkheid niet voor zijn rekening te komen, aldus appellant.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of verweerder terecht zijn besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang en zijn besluit ten aanzien van de kosten van de toepassing van bestuursdwang heeft gehandhaafd.

De last onder bestuursdwang van 22 maart 2011

5.2 Dierenarts Hoogland heeft zijn bevindingen tijdens het bezoek op 15 maart 2011 uitvoerig en gedetailleerd beschreven. Hoogland concludeert daaruit dat over 480 van de 535 dieren een opmerking is te maken over de wijze van huisvesting en de voer- en waterverstrekking en dat een groot aantal dieren onvoldoende wordt verzorgd. Deze bevindingen en conclusie van Hoogland vinden steun in de bevindingen van de bij dit bezoek aanwezige ambtenaren. Appellant betwist weliswaar die bevindingen en conclusie, maar heeft deze betwisting niet onderbouwd. Het College ziet in dit geval dan ook geen aanleiding om niet van deze bevindingen van de dierenarts en de aanwezige ambtenaren uit te gaan. Het College is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat appellant de artikelen 36 en 37 Gwd heeft overtreden. Het betoog van appellant over huisvestingsnormering in de intensieve pluimveehouderij kan daaraan niet afdoen, nu op deze sector een geheel andere wettelijke regeling van toepassing is.

Hieruit volgt dat verweerder de bevoegdheid toekwam een last onder bestuursdwang op te leggen.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van het opleggen van een last onder bestuursdwang, is naar het oordeel van het College in dit geval geen sprake. Uit het toezichtrapport blijkt dat reeds sedert mei 2003 met regelmaat onregelmatigheden zijn geconstateerd ten aanzien van de verzorging van de dieren door appellant. Een klein jaar voorafgaand aan de onderhavige last, op 18 juni 2010, is aan appellant voor vergelijkbare overtredingen op dezelfde volkstuin een last onder bestuursdwang aangezegd, waarna op 7 juli 2010 een groot aantal dieren is meegevoerd omdat niet voldoende aan die last was voldaan (zie de uitspraak van het College van heden in de zaak met nummer AWB 11/281). Gelet voorts op de constatering van Hoogland dat de daar aanwezige dieren kennelijk al langere tijd onvoldoende verzorgd werden alsmede de niet-coöperatieve houding van appellant, zoals die uit het toezichtrapport naar voren komt, is verweerder er in dit geval op goede gronden van uitgegaan dat appellant kennelijk niet uit eigen beweging bereid of in staat was om op korte termijn maatregelen te (laten) treffen om de overtreding te beëindigen. Van een concreet zicht op herstel van de situatie kon op dat moment niet worden gesproken.

Voor zover appellant ter zitting van het College nog heeft willen betogen dat in dit geval het opleggen van een last onder dwangsom aangewezen was in plaats van een last onder bestuursdwang, overweegt het College dat verweerder op grond van artikel 5:32, eerste lid, Awb, indien hij bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, ook de keuze heeft om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen. In de keuze van de in een concreet geval meest geschikte handhavingsmaatregel komt verweerder een ruime discretionaire bevoegdheid toe. Gezien de omstandigheid dat hier het welzijn en de gezondheid van een groot aantal dieren in het geding was, acht het College de keuze voor het opleggen van een last onder bestuursdwang niet onredelijk.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het kostenverhaal

5.3 Gelet op het bepaalde in artikel 5:31c, eerste lid, Awb heeft het beroep mede betrekking op de kostenverhaalbeschikkingen, aangezien appellant deze betwist.

Het College stelt vast dat verweerder het besluit van 16 september 2011 heeft ingetrokken, zodat het College niet toekomt aan een beoordeling van dat besluit.

5.4 Het College is van oordeel dat het meevoeren en opslaan van de in het proces-verbaal van 11 april 2011 vermelde dieren, waarop de kostenverhaalbeschikkingen zijn gebaseerd, niet onrechtmatig was. Daartoe verwijst het College naar de diergeneeskundige verklaring van dierenarts Hoogland van 21 april 2011, waarin diens bevindingen tijdens het bezoek op 11 april 2011 uitvoerig en gedetailleerd staan beschreven. Hoogland concludeert dat de gezondheid of het welzijn van de meegevoerde dieren zonder redelijk doel is benadeeld en dat deze dieren de nodige zorg is onthouden. Die bevindingen en conclusies van Hoogland vinden steun in de bevindingen van de bij dit bezoek aanwezige ambtenaren. Appellant betwist weliswaar die bevindingen en conclusies, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Het College ziet in dit geval geen aanleiding om niet van de bevindingen van de dierenarts en de daartoe bevoegde ambtenaren uit te gaan. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht de conclusie getrokken dat appellant niet (in voldoende mate) gevolg heeft gegeven aan de maatregelen die hem bij de last waren opgelegd.

Uit de bevindingen van dierenarts Hoogland blijkt dat ten tijde van de controle op 11 april 2011 een groot aantal dieren nog steeds adequate huisvesting, alsmede voldoende voer- en waterverstrekking ontbeerde. Appellant heeft zich, zoals uit het toezichtrapport van de ambtenaren van de LID van 21 april 2011 blijkt, tijdens de hercontrole niet-coöperatief en intimiderend opgesteld. Voorts zijn, zoals hiervoor is overwogen, sedert mei 2003 met regelmaat onregelmatigheden geconstateerd ten aanzien van de verzorging van de dieren door appellant, laatstelijk op 7 juli 2010 (zie de uitspraak van het College van heden in de zaak met nummer AWB 11/281). Gezien deze omstandigheden kon van verweerder niet in redelijkheid worden verlangd dat een alternatieve wijze van uitvoering van de last werd beproefd. Uiteindelijk is ongeveer tweederde van de op de volkstuin aanwezige 600 dieren meegevoerd en opgeslagen. Uit het voorgaande volgt dat van onzorgvuldigheid bij het meevoeren en opslaan op 7 juli 2010 geen sprake was.

De stelling van appellant dat zijn gemachtigde op 11 april 2011 telefonisch te verstaan zou zijn gegeven dat alleen eenden, kippen en knaagdieren zouden worden meegenomen, heeft hij onvoldoende concreet onderbouwd.

5.5 Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten overweegt het College als volgt.

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft verweerder een bedrag van in totaal € 40.440,39 aan kosten inzake de toepassing van bestuursdwang bij appellant in rekening gebracht. Deze kosten betreffen kosten van transport van de dieren naar de opslaghouder, dierenartskosten en opvangkosten over de periode van 11 april 2011 tot en met 31 mei 2011. Bij het besluit van 29 mei 2012 heeft verweerder de kosten die betrekking hebben op het transport van de dieren gehalveerd en de totale kosten aldus nader vastgesteld op € 37.939,80. Aangezien verweerder met het besluit van 29 mei 2012, dat moet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, Awb, niet geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, wordt het beroep, gelet op artikel 6:19, eerste lid, Awb, geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

Ter zitting van het College is duidelijk geworden dat de kosten, wegens onjuiste tarifering van 39 zangvogels en één kwartel, te hoog zijn vastgesteld en dat ook overeenstemming bestaat tussen partijen dat de kosten in die zin moeten worden verminderd met een bedrag van in totaal € 1.200,- exclusief BTW (40 vogels á € 0,60 verschil over 50 dagen). In zoverre is het beroep dan ook gegrond.

Het College overweegt voorts als volgt.

Verweerder heeft de dieren op 11 april 2011 meegevoerd en opgeslagen. Bij brief van 14 april 2011 heeft verweerder appellant meegedeeld de dieren op 2 mei 2011 vrij te willen geven voor verkoop dan wel om niet aan derden over te dragen. Appellant heeft vervolgens de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen en op 31 mei 2011, onder intrekking van dat verzoek, afstand gedaan van de dieren. Ter zitting van het College heeft verweerder nader verklaard dat alle dieren op 18 juli 2011 de opvang hebben verlaten. Bij besluit van 29 mei 2012 heeft verweerder de transportkosten gehalveerd. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de resterende transportkosten, dierenartskosten en de gehanteerde tarieven voor de opvang voor het overige onnodig, onjuist en/of te hoog zijn, dan wel dat deze kosten niet (geheel) voor zijn rekening zouden mogen komen.

In verband met de stelling van appellant over de verhouding tussen deze kosten en de waarde of opbrengst van de dieren, overweegt het College als volgt. Het transport, de opvang en de (diergeneeskundige) verzorging van de wegens de overtredingen van de Gwd rechtmatig meegevoerde en opgeslagen dieren brengen kosten met zich mee, die op grond van artikel 5:25, eerste lid, Awb in beginsel voor rekening van appellant behoren te komen. De omstandigheid dat die dieren slechts een beperkte waarde vertegenwoordigen dan wel een beperkte opbrengst hebben opgeleverd, vormt in dit geval onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de ten behoeve van bestuurlijke handhaving van in de Gwd neergelegde dierenwelzijn- en gezondheidsbepalingen gemaakte kosten redelijkerwijs niet (grotendeels) voor rekening van de overtreder daarvan behoren te komen De omstandigheid dat een aanzienlijk bedrag aan kosten in rekening is gebracht, leidt evenmin tot een dergelijk oordeel. Er is immers een groot aantal dieren (400) meegevoerd en opgeslagen en, anders dan appellant stelt, is in de last onder bestuursdwang, onder verwijzing naar artikel 5:25 Awb, medegedeeld dat verweerder de maatregelen op kosten van appellant zal laten uitvoeren als hijzelf die maatregelen niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd. Daarnaast had het appellant, gelet op het feit dat hem in september 2010 en in oktober 2010 ook al kosten voor bestuursdwang in rekening zijn gebracht (zie de al eerder genoemde uitspraak van het College van heden in de zaak met procedurenummer AWB 11/281), ook duidelijk kunnen zijn dat bij hem (aanzienlijke) kosten in rekening zouden kunnen worden gebracht.

Hieruit volgt dat verweerder terecht de kosten voor het toepassen van bestuursdwang ten laste van appellant heeft gebracht.

5.6 Nu vast is komen te staan dat de besluitvorming van verweerder niet onrechtmatig was en appellant zijn stelling dat de dieren voor een te laag bedrag zijn verkocht, niet heeft onderbouwd, komt het verzoek van appellant tot toekenning van een schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

5.7 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat het beroep tegen de last onder bestuursdwang van 22 maart 2011 ongegrond is en dat het beroep tegen het besluit van 25 juli 2011, zoals herzien bij het besluit van 29 mei 2012, gegrond is, voor zover het de tarifering van 39 zangvogels en één kwartel betreft. In zoverre dienen deze besluiten te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het bedrag van het kostenverhaal wordt verminderd met een bedrag van € 1.200,- exclusief BTW (€ 1.428,- inclusief (19%) BTW), zodat het bedrag wordt vastgesteld op € 36.511,80 (€ 37.939,80 minus € 1.428,-).

5.8 Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten, bestaande uit de kosten van de door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand, worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting van het College, met wegingsfactor 1 en € 472,- per punt).

5.9 Het College bepaalt tot slot dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2011 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juli 2011, zoals herzien bij het besluit van 29 mei 2012, gegrond;

- vernietigt deze besluiten, voor zover het betreft de tarifering van 39 zangvogels en één kwartel, en vermindert het bedrag

van het kostenverhaal met een bedrag van € 1.200,- exclusief BTW, zodat het bedrag wordt vastgesteld op € 36.511,80;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van die besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. P.H. Broier