Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ4351

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
AWB 11/872
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

S&O-verklaring; geen bezwaar tegen correctiebesluit; geen nieuwe feiten of omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/872 22 januari 2013

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, werkzaam bij D B.V.

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Vissinga, werkzaam bij Agentschap NL.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 24 oktober 2011, bij het College binnengekomen op 25 oktober 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 september 2011.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de weigering de correctie S&O-verklaring te herzien die verweerder heeft afgegeven op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva).

Bij brief van 25 november 2011 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 28 december 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 29 november 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij gemachtigden zijn verschenen. Voor verweerder is tevens verschenen mr. J.W. Schrotenboer, werkzaam bij Agentschap NL.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellante heeft op 26 februari 2010 een aanvraag in het kader van de Wva gedaan voor de periode april tot en met juni 2010. Deze aanvraag had betrekking op 990 uur aan S&O-werkzaamheden. Bij besluit van 26 mei 2010 heeft verweerder voor deze periode een S&O-verklaring toegekend voor een bedrag van € 18.375,--.

Op 28 mei 2010 heeft appellante een aanvraag in het kader van de Wva gedaan voor de periode juli tot en met december 2010. Deze aanvraag had betrekking op 1.485 uur. Bij besluit van 21 juli 2010 is ook deze aanvraag door verweerder toegekend, voor een bedrag van € 27.562,--.

2.2 Naar aanleiding van een daartoe door appellante gedane mededeling op 8 februari 2011 heeft verweerder bij besluit van 24 februari 2011 een correctie S&O-verklaring afgegeven. Volgens de gedane opgave zijn er geen S&O-uren gerealiseerd. Om die reden ontvangt appellante een correctieverklaring voor het gehele toegekende bedrag van € 45.937,--. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

2.3 Op 14 juni 2011 is er door appellante wederom een mededeling bij verweerder gedaan. In deze mededeling is aangegeven dat de gerealiseerde S&O-uren gelijk zijn aan de toegekende S&O-uren. Verweerder heeft deze mededeling beschouwd als een verzoek tot wijziging van de correctieverklaring van 24 februari 2011.

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft verweerder het wijzigingsverzoek afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de mededeling van 8 februari 2011 geen sprake is geweest van een kennelijke misslag welke tot gevolg zou hebben dat de beslissing van 24 februari 2011 geen stand kan houden. De mededeling van nul uren gaf verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat het zou gaan om een foutieve opgave waartoe een nader onderzoek ingesteld behoefde te worden. Ook is er volgens verweerder geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn eerder genomen beslissing.

In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

2.4 Appellante stelt dat in beide aanvraagperiodes meer dan de aangevraagde S&O-uren zijn besteed aan het project. Er was dan ook geen enkele aanleiding een mededeling te doen van het aantal gerealiseerde uren, nu een dergelijke mededeling alleen moet worden gedaan indien minder dan 90% van het aantal gevraagde uren is gerealiseerd. Toch heeft een medewerker van appellante ten onrechte deze mededeling gedaan. Appellante wijst erop dat de mededeling gedaan zou zijn naar aanleiding van de brief van verweerder van 25 januari 2011. Van deze brief is geen afschrift gestuurd aan D B.V., de intermediair van appellante die de aanvragen heeft gedaan. Bij de voorbereiding van de jaarcijfers heeft de directie van appellante geconstateerd dat ten onrechte de mededeling is gedaan dat er geen uren voor het project zouden zijn gerealiseerd. Eerst naar aanleiding van de beslissing volgend op de mededeling van 14 juni 2011 werd duidelijk dat er op 24 februari 2011 een correctieverklaring aan appellante is gezonden.

Appellante stelt dat verweerder bij een handeling die verstrekkende financiële gevolgen kan hebben, controle moet uitoefenen. De benodigde gegevens om een elektronische mededeling te doen kunnen eenvoudig worden achterhaald.

Daarnaast had de mededeling van nul gerealiseerde uren voor verweerder in dit geval aanleiding moeten vormen nader onderzoek uit te voeren. In dit verband wijst appellante erop dat er twee aanvragen voor 2010 zijn die betrekking hebben op drie respectievelijk zes maanden. Zouden er in de eerste periode geen S&O-uren zijn gerealiseerd, dan zou het hoogst onwaarschijnlijk zijn dat er geen wijziging in de eerste aanvraag zou zijn aangebracht en zou er ook geen tweede aanvraag zijn gedaan voor een aansluitende periode.

Voorts stelt appellante dat de stelling van verweerder dat er geen koppeling bestaat tussen de gegevens omtrent de grondslag voor de toepassing van de afdrachtvermindering, het aantal S&O-uren, en de daadwerkelijk toegepaste afdrachtvermindering niet als valide argument kan worden aangemerkt om geen nader onderzoek te hoeven doen.

Daarnaast betoogt appellante dat de fout in de mededeling is veroorzaakt door onduidelijkheden in de brief van verweerder van 25 januari 2011 en in het portaal waarin de mededeling moet worden gedaan. Ook had deze mededeling door een medewerker van D B.V. gedaan moeten worden nu deze gemachtigde is.

Ten aanzien van het besluit van 24 februari 2011 stelt appellante dat zij deze niet heeft ontvangen. Bovendien is dit besluit ten onrechte niet aan D B.V. gezonden. Dit terwijl eerdere besluiten wel aan deze gemachtigde zijn gezonden. Doordat appellante geen kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 24 februari 2011 kan haar ook niet worden verweten dat zij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de mededeling van 8 februari 2011 geen sprake is geweest van een kennelijke misslag. Mededelingen van nul gerealiseerde uren over meerdere opeenvolgende tijdvakken zijn niet ongebruikelijk. Bij het aanvragen van een S&O-verklaring gaat het om voorgenomen werkzaamheden. Het is derhalve heel goed mogelijk dat de realisatie daarvan is uitgebleven.

Ook met de gegevens van de Belastingdienst kan verweerder zonder nader onderzoek niet controleren of de ontvangen mededeling juist is. Er bestaat geen directe koppeling tussen de gegevens en de Belastingdienst neemt de gegevens inzake de S&O-afdrachtvermindering zonder meer over van belastingplichtigen.

Verweerder volgt appellante niet in haar stelling dat de omstandigheid dat de correctie S&O-verklaring van 24 februari 2011 haar niet zou hebben bereikt als een nieuw feit moet worden aangemerkt. Ook is dit geen omstandigheid die het te laat opkomen tegen het besluit van 24 februari 2011 verschoonbaar acht. Appellante heeft ook niet op geloofwaardige wijze betoogd dat dit besluit haar niet heeft bereikt. Verweerder wijst erop dat dit besluit weliswaar niet aangetekend is verzonden, maar uit het administratieve systeem blijkt wel dat dit besluit vanuit de postkamer is verstuurd.

Ook stelt verweerder dat de informatievoorziening in de richting van appellante voldoende is geweest en het elektronisch portaal voor het doen van de mededeling van voldoende controles is voorzien. Ook is dit systeem voldoende beveiligd tegen misbruik.

2.6 Tegen het besluit van 24 februari 2011 tot afgifte van een correctie S&O-verklaring overeenkomstig de mededeling van 8 februari 2011 zijn geen rechtsmiddelen aangewend binnen de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalde termijn. Eerst na het verstrijken van deze termijn heeft appellante verweerder verzocht om terug te komen van dat besluit.

Appellante stelt het besluit van 24 februari 2011 niet te hebben ontvangen. Het College overweegt dat in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, lig het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Het College is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 24 februari 2011 is genomen en op de juiste wijze aan appellante is verzonden. Appellante heeft door te wijzen op het feit dat haar onderneming is gevestigd in een verzamelgebouw waar meerdere bedrijven gebruik maken van dezelfde postbus geen feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst van het besluit van 24 februari 2011 redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De stelling van appellante dat vorengenoemd besluit ten onrechte aan haar en niet aan haar intermediair, D B.V. is verzonden die ook de S&O-aanvragen heeft gedaan zodat zij de ontvangst van dat besluit niet hoefde te verwachten is evenmin een zodanig feit. Het is beleid van verweerder, zo is ter zitting gebleken, dat elk contact na de aanvraag om een S&O-verklaring buiten de intermediair om plaatsvindt om redenen van onder meer vertrouwelijkheid van de over te leggen gegevens. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanknopingspunten dat verweerder in dit geval van dit beleid had moeten afwijken.

Nu de juiste verzending van het besluit vaststaat en appellante geen feiten heeft gesteld op grond waarvan de ontvangst ervan redelijkerwijs kan worden betwijfeld moet het ervoor worden gehouden dat appellante het besluit kort na 24 februari 2011 heeft ontvangen.

Nu het besluit van 24 februari 2011 in rechte is komen vast te staan heeft verweerder de mededeling van appellante van 14 juni 2011 terecht opgevat als een verzoek om wijziging van voornoemd besluit.

2.7 Vervolgens staat ter beoordeling van het College de vraag of de weigering van verweerder om aan dit verzoek tegemoet te komen in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Aan de mogelijkheid om een besluit in rechte aan te tasten zijn door de wetgever beperkingen en voorwaarden gesteld. De belanghebbende die meent dat een bestuursorgaan ten onrechte een bepaald besluit heeft genomen, is voor het in rechte opkomen tegen dat besluit aangewezen op het aanwenden van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn en met inachtneming van de overige processuele vereisten.

Zoals het College heeft overwogen (zie onder andere de uitspraken van 8 november 2006 (AWB 04/571, LJN: AZ2301), en 26 maart 2009 (AWB 08/29, LJN: BI0948) staat naar Nederlands bestuursrecht geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien het bestuursorgaan echter weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om zodanige feiten of omstandigheden naar voren te brengen.

Het College is van oordeel dat de opgave door appellante van het aantal gerealiseerde uren van nul niet van dien aard is dat verweerder aanstonds had moeten begrijpen dat appellante zich had vergist. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een mededeling van nul gerealiseerde uren veelvuldig per jaar voorkomt. Verweerder neemt dergelijke mededelingen voor kennisgeving aan, waarbij vervolgens bij de correctiebeschikking de juistheid van de mededeling aan de orde komt. Bovendien gaat het bij het aanvragen van een S&O-verklaring om voorgenomen werkzaamheden. Verweerder heeft gesteld dat het daarom heel goed mogelijk is dat de realisatie daarvan is uitgebleven. Dat appellante na afloop van de eerste periode van S&O-werkzaamheden een aanvraag heeft gedaan voor een tweede, aansluitende, periode maakt naar het oordeel van het College niet dat verweerder in dit geval nader onderzoek had moeten uitvoeren naar aanleiding van de mededeling van appellante van 8 februari 2011.

Ook overigens valt niet in te zien dat verweerder had moeten opmerken dat aan de kant van appellante sprake was van een vergissing. Dat de brief van verweerder van 25 januari 2011 dan wel het systeem van verweerder waarin de mededeling moet worden gedaan deze vergissing in de hand zouden hebben gewerkt is door appellante niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is doorslaggevend dat bij de Belastingdienst andere gegevens bekend zijn. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de Belastingdienst de gegevens inzake de S&O-afdrachtvermindering zonder meer over neemt van belastingplichtigen.

2.8 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet was gehouden om terug te komen van diens in rechte onaantastbaar geworden besluit tot afgifte van een correctie S&O-verklaring. Het beroep van appellante is ongegrond.

2.9 Het College acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in de zin van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Douwes