Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ4093

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
14-03-2013
Zaaknummer
AWB 10/1412 AWB 10/1413
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing S&O-verklaring. Voorgenomen werkzaamheden niet aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Dat verweerder zich bij de heroverweging van het primaire besluit niet heeft beperkt tot argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld, doch heeft gekozen voor een volledige heroverweging, in die zin dat opnieuw is onderzocht of de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva is niet in strijd met artikel 7:11 Awb. Geen technische nieuwheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer

AWB 10/1412 en 10/1413 25 januari 2013

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

1. A BV, te B, en

2. C BV, te D,

appellanten,

gemachtigde: mr. Th.J.A. Prüst, werkzaam bij Prosuma BV te Eindhoven,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Schrotenboer, werkzaam bij Agentschap NL.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brieven van 24 december 2010, bij het College binnengekomen op 28 december 2010, beroep ingesteld tegen besluiten van verweerder van 18 november 2010.

Bij deze besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 23 september 2010, waarbij de aanvragen voor een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen zijn afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brieven van 19 respectievelijk 26 januari 2011 hebben appellanten de gronden van beroep ingediend.

Bij brieven van 18 respectievelijk 28 februari 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 13 december 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verweerder is tevens verschenen ir. L.K. Koops, werkzaam bij Agentschap NL.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

1° technisch-wetenschappelijk onderzoek;

2° de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur;

3° het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van het speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld onder 1° of 2°, of

4° het uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot een significante verbetering van het fysieke productieproces dat reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige, dan wel naar modellering van processen, indien deze kan leiden tot een significante verbetering van programmatuur die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige;

(…)

q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelings-werk.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 mei 2010 hebben appellanten aanvragen voor een S&O-verklaring ingediend voor de periode juli tot en met december van het jaar 2010 voor de projecten 2010-01 “Low-cost modulaire tribune” en 2010-02 “Zwembadwand met geïntegreerde overkapping”.

- Bij brief van 17 augustus 2010 heeft verweerder om toezending van nadere gegevens verzocht. Appellanten hebben daarop gereageerd bij brief van 31 augustus 2010.

- Bij besluiten van 23 september 2010 heeft verweerder de aanvragen van appellanten afgewezen.

- Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 23 september 2010.

- Op 28 oktober 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij brief van 29 oktober 2010 heeft verweerder wederom om aanvullende informatie verzocht. Appellanten hebben daarop gereageerd bij brief van 9 november 2010.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 23 september 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij in beide bestreden besluiten onder meer het volgende overwogen:

“In de bezwaarfase heb ik mijn beslissing van 23 september 2010 heroverwogen. (…) U bent van mening dat de motivering waarop de afwijzing is gebaseerd niet juist is. Daarbij heeft u aangegeven dat u de afwijsgronden, zoals deze in de beslissing van 23 september 2010 worden genoemd, van tafel wilt hebben. Daarop heb ik u aangegeven de projecten inhoudelijk te willen bespreken, omdat in bezwaar een integrale heroverweging plaatsvindt. (…) Bij de integrale heroverweging dien ik alle informatie in te winnen die ik nodig acht voor het nemen van een nieuw besluit op de aavraag. Er is geen sprake van dat ik mij zou moeten beperken tot een marginale toetsing van het primaire besluit. Bovendien heb ik u tevens gewezen op het feit dat ontkrachting van de afwijsgronden in voornoemd besluit niet per definitie leidt tot de afgifte van een S&O-verklaring, daar er wellicht meer afwijsgronden aanwezig kunnen zijn die niet in het besluit zijn genoemd. (…) Duidelijk dient te worden dat er sprake is van een technisch nieuw, fysiek product dat niet op basis van algemeen bekende technieken kan worden ontwikkeld. (…)

In de bezwaarfase vindt aldus een integrale heroverweging plaats. Elke aanvraag staat op zichzelf en wordt geheel opnieuw beoordeeld. In bezwaar bent u derhalve in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat u binnen uw project speur- en ontwikkelingswerkzaamheden verricht. Met de aanvullende informatie die ik op 10 november 2010 van u heb ontvangen, is mij echter alsnog niet aannemelijk geworden dat bij beide projecten sprake is van technische nieuwheid. Zoals reeds is aangegeven heeft u voornamelijk de functionele knelpunten genoemd. De technische knelpunten heeft u, ondanks herhaalde verzoeken, niet concreet kenbaar gemaakt. Daarnaast heeft u geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de ontwikkeling toe te lichten aan de hand van tekeningen, schetsen, berekeningen of een mondelinge toelichting van de ondernemer zelf. Bovendien is mij niet duidelijk geworden wat nu precies de individuele inbreng van de verschillende medewerkers binnen de aangevraagde projecten is. U heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zelfstandig en systematisch georganiseerd speur- en ontwikkelingswerk.”

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat de passage “Duidelijk dient te worden dat er sprake is van een technisch nieuw, fysiek product dat niet op basis van algemeen bekende technieken kan worden ontwikkeld” achteraf gezien niet geheel correct is geweest. Bedoeld is aan te geven dat er geen sprake is van de ontwikkeling van een voor de aanvrager technisch nieuw product in de zin van de Wva.

Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat ten tijde van de hoorzitting in totaal reeds ongeveer 1200 uur aan beide projecten was besteed, zonder dat – bijvoorbeeld door overlegging van foto’s, tekeningen, ontwerpen, berekeningen etc. – duidelijk is kunnen worden tegen welke technische problemen appellanten bij de ontwikkeling van de betreffende producten zijn aangelopen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben – samengevat en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft in strijd met de doelstelling van een hoorzitting gehandeld door zich te beperken tot louter luisteren naar opmerkingen. Daarmee heeft er feitelijk geen hoorzitting in de zin van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht plaatsgevonden.

In het bestreden besluit is verweerder zonder dat te motiveren geheel aan het bezwaarschrift voorbij gegaan. Verweerder heeft in strijd met artikel 7:11 Awb gehandeld door niet op de grondslag van het bezwaar het primaire besluit te heroverwegen maar het bezwaar te behandelen als een nieuw te beoordelen aanvraag. In het bestreden besluit is tevens ongemotiveerd voorbij gegaan aan de mededeling van de behandelaar van verweerder dat beide projecten als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva konden worden aangemerkt.

De aanvragen zijn afgewezen omdat volgens verweerder niet duidelijk is geworden dat er sprake is van een technisch nieuw fysiek product dat niet op basis van algemeen bekende technieken kan worden ontwikkeld. Verweerder handelt in strijd met het rechtszekerheids-beginsel door een dergelijk, niet in de wet genoemd beoordelingselement aan de definitie van speur- en ontwikkelingswerk toe te voegen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De grief dat geen hoorzitting in de zin van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsvonden faalt. Uit het door verweerder overgelegde hoorzittingsverslag blijkt dat op 28 oktober 2010 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, waarbij appellanten in de gelegenheid zijn gesteld om hun bezwaren toe te lichten. Dat verweerder tijdens de hoorzitting met name aandacht heeft geschonken aan de vraag of ten aanzien van beide projecten sprake is van technische nieuwheid leidt niet tot de conclusie dat geen hoorzitting in de zin van artikel 7:2 Awb heeft plaatsgevonden.

5.2 De grief dat verweerder in strijd met artikel 7:11 Awb heeft gehandeld door het primaire besluit niet op de grondslag van het bezwaar te heroverwegen, maar het bezwaar te behandelen als een nieuw te beoordelen aanvraag, faalt eveneens.

Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvragen afgewezen, omdat de werkzaamheden met betrekking tot de voorgenomen projecten volgens verweerder niet tot speur- en ontwikkelingswerk kunnen worden gerekend. Verweerder stelde zich daarbij op het standpunt dat bij de door appellante sub 1 voorgenomen werkzaamheden sprake is van de de bouw van prototypes op basis van door derden gemaakte ontwerp- en bouwtekeningen en in het geval van appellante sub 2 van bestaande technieken en methoden (reguliere engineering). Dat verweerder zich bij de heroverweging van het primaire besluit niet heeft beperkt tot argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld, doch heeft gekozen voor een volledige heroverweging, in die zin dat opnieuw is onderzocht of de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva is niet in strijd met artikel 7:11 Awb.

5.3 Inhoudelijk is de vraag aan de orde of verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat bij de werkzaamheden in het kader van de projecten “Low-cost modulaire tribune” en “zwembadwand met geïntegreerde overkapping” sprake is van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Het College overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge de Wva wordt een S&O-verklaring afgegeven aan een S&O-inhoudingsplichtige dan wel een S&O-belastingplichtige die hiertoe voorafgaand een aanvraag heeft ingediend en voornemens is in een kalender(half)jaar een voor hem technische nieuw fysiek product of productieproces te ontwikkelen. Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden en het kennis- en ervaringsniveau van de aanvrager. In het kader van de integrale heroverweging heeft verweerder in de uitnodiging voor de hoorzitting verzocht om ervoor te zorgen dat tijdens de hoorzitting een of meer personen aanwezig zijn die een goede technisch inhoudelijke toelichting kunnen geven. Omdat volgens verweerder de technische knelpunten tijdens de hoorzitting niet duidelijk zijn geworden, heeft verweerder na de hoorzitting schriftelijk om aanvullende informatie verzocht. Appellanten hebben daarop gereageerd met hun brief van 9 november 2010.

Het College is op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens die appellanten in het kader van de onderhavige aanvragen hebben verstrekt en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat bij de werkzaamheden in het kader van voornoemde projecten sprake is van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat van de aanvragers, gelet op het aantal uren dat inmiddels aan de projecten was besteed, had mogen worden verwacht dat zij – bijvoorbeeld door overlegging van foto’s, tekeningen, ontwerpen of berekeningen – de technische knelpunten waarvoor in het kader van de ontwikkeling van de betreffende producten een oplossing werd gezocht concreet zouden hebben gemaakt. Nu die concretisering achterwege is gebleven heeft verweerder tot de conclusie kunnen komen dat geen sprake is van technische nieuwheid.

5.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.M.M. Bancken