Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ3407

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
06-03-2013
Zaaknummer
AWB 11/539
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gecombineerde opgave 2010; perceelsomvang; procesbelang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/539

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2013 in de zaak tussen

A, wonende te B, appellant,

(gemachtigde: C. Blokland, werkzaam bij Blokland Agrarische Administratie en Advies,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

(gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 31 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2011. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Met het formulier "Gecombineerde opgave 2010" heeft appellant onder meer om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht, en hiervoor 35 percelen met een totale oppervlakte van 49.60 ha. opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld. Het aan appellant toegekende bedrag is € 23.680,09. Bij die vaststelling is verweerder uitgegaan van 46,48 beschikbare toeslagrechten en een definitieve (geconstateerde) oppervlakte van 46.48 ha. Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar hiertegen gedeeltelijk gegrond verklaard, de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen gewijzigd vastgesteld en het primaire besluit voor het overige gehandhaafd.

2. Appellant voert in beroep aan dat de administratieve controle als weergegeven in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 bedoeld is om vast te stellen of de oppervlakten voor steun in aanmerking komen en niet om de oppervlakte te constateren; die controle voldoet immers niet aan het criterium van artikel 34 van genoemde verordening dat de oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt geconstateerd met behulp van enig middel waarvoor is aangetoond dat het een meting garandeert van een kwaliteit die tenminste gelijkwaardig is aan die welke is voorgeschreven in een geldende technische norm die is opgesteld op het niveau van de Gemeenschap. Bij appellant heeft geen controle ter plaatse plaatsgevonden zodat door verweerder geen oppervlakten zijn geconstateerd. Om die reden is niet aangetoond dat de appellant zijn oppervlakten niet correct heeft opgegeven.

In afwijking van de toezegging van minister Verburg om een veldinspectie uit te voeren indien er verschil van inzicht bestaat omtrent de luchtfoto’s heeft verweerder in dit geval geen veldinspectie uitgevoerd.

Appellant voert verder aan dat een strook gras van 0.04 ha lang het betonnen pad beteelbaar is en dat bij een aantal percelen de grens gras/water royaal in het nadeel van appellant is ingetekend.

3. Het College overweegt dienaangaande mede onder verwijzing naar de uitspraak van

26 september 2012 (LJN: BY0527) als volgt. Als vereiste voor de ontvankelijkheid van het beroep geldt dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden. Bij gebreke daarvan moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. In alle geschillen over de gemeten oppervlakten die betrekking hadden op besluiten betreffende de bedrijfstoeslag over het jaar 2009 heeft het College procesbelang aangenomen. Daarbij is van belang geacht dat verweerder eerst een voorschotbeslissing heeft genomen op basis van de bij hem bekende gegevens, en pas daarna onderzoek heeft verricht naar de juiste oppervlakte van de opgegeven percelen. Als bij dat onderzoek een kleinere oppervlakte werd vastgesteld dan bij de voorschotbeslissing was aangenomen, werd wel berekend wat de consequenties waren voor het recht op uitbetaling van toeslagrechten, maar werd, conform de tevoren uitgestippelde lijn, van terugvordering van een eventueel teveel uitbetaald bedrag afgezien. Verweerder heeft deze werkwijze gevolgd om landbouwers de gelegenheid te geven om de nieuwe meetresultaten (onder meer in bezwaarprocedures) ter discussie te stellen, en om te voorkomen dat landbouwers bij de besluitvorming inzake de toeslagrechten over het jaar 2010 plotseling geconfronteerd zouden worden met gewijzigde opvattingen over de (juiste wijze van vaststelling van de) oppervlakte van hun percelen, met mogelijk direct sancties vanwege een onjuiste opgave. Ook met het oog op de mestwetgeving had deze werkwijze het voordeel dat landbouwers de tijd kregen om onder ogen te zien wat de gevolgen waren van verweerders nieuwe benadering, en dat eventuele onjuistheden - anders dan in bezwaar- of beroepsprocedures tegen reeds opgelegde sancties - ter discussie gesteld konden worden.

5. Kort gezegd kwam het er op neer, dat een besluit waarbij de uitbetaling van toeslagrechten werd toegekend, als voorschotbesluit werd aangemerkt, ten einde bij een tweede besluit, dat dan als definitieve toekenningsbeslissing werd aangeduid, een wijziging in de motivering te kunnen aanbrengen. Die wijziging zou pas in de daarop volgende jaren soms belangrijke gevolgen voor de uitbetaling van toeslagrechten kunnen hebben, maar in die jaren slechts met het risico dat financieel ingrijpende sancties worden opgelegd en in stand gelaten, in rechte kunnen worden aangevochten. In die situatie heeft het College procesbelang aangenomen. Immers, niet ontkend kon worden dat het in een volgend jaar uitlokken van een voor beroep vatbaar besluit door het indienen van een aanvraag of het uitrijden van mest op basis van een eigen opvatting over de oppervlakte van percelen, om op die wijze verweerders benadering van het meten van oppervlakten te kunnen aanvechten, een onevenredig belastende weg zou zijn.

6. In het jaar 2010 is niet een vergelijkbare onverwachte wijziging in de meetmethoden aangebracht. Landbouwers zijn geïnformeerd over de gewijzigde meetmethoden en hebben zich inmiddels op de resultaten van verweerders nieuwe benadering kunnen instellen. Voorts hebben zij de gelegenheid gekregen om eventuele aanpassingen in de Gecombineerde opgave aan te brengen. Dit betekent dat het normale vereiste voor ontvankelijkheid, namelijk dat met het beroep enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden, onverkort van toepassing is.

7. In deze procedure geldt als uitgangspunt dat appellant 46,48 toeslagrechten heeft met een totale waarde van € 25.560,05. Met toepassing van de hier verder niet ter discussie staande modulatiekorting heeft verweerder bij het bestreden besluit het totale beschikbare bedrag aan bedrijfstoeslag uitgekeerd omdat 46.48 ha geconstateerd was. Een vergroting van de door verweerder gemeten oppervlakte door ook de in geding zijnde strook gras langs het betonnen pad en een groter deel van de langs een aantal percelen gelegen sloten mee te tellen zou daaraan niets kunnen toevoegen. Gelet hierop is bij appellant geen sprake van enig te honoreren procesbelang. Daarmee is niet gezegd dat de discussie over de door verweerder (niet) als landbouwgrond aangemerkte oppervlakte voor appellant ook in 2010 niet een groot belang kan hebben, maar dat is geen belang, waarover het College in een beroepsprocedure tegen een besluit inzake de vaststelling van de over het jaar 2010 uit te betalen bedrijfstoeslag uitspraak kan doen.

8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is niet-ontvankelijk.

9. Het College overweegt ten slotte dat de door verweerder in 2009 gevolgde werkwijze oorzaak is geweest van een zekere onduidelijkheid over de mogelijkheid om in beroep de meting van percelen ter toetsing aan het College voor te leggen, ook als dat geen direct gevolg voor de uitbetaling van de toeslagrechten kan hebben. Verweerder dient de gevolgen daarvan te dragen. Daarom acht het College het passend verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht vergoedt. De proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- waarbij is uitgegaan van verleende rechtsbijstand bij het opstellen van het beroepschrift en een zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,- (zegge:

negenhonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht van € 152,- (zegge: honderdtweeënvijftig euro)

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, raadsheer, in aanwezigheid van

mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: