Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ2916

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
AWB 10/77
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag; subsidiabele oppervlakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 10/77

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2013 in de zaak tussen

A, te B, appellante,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigden: C.A.R. Sloet en M. Wtenweerde).

Procesverloop

Bij besluiten van 12 juni 2008 en 6 maart 2009 ( de primaire besluiten) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor respectievelijk 2007 en 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 30 juni 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door verweerder doorgezonden aan het College.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken overgelegd.

Op 28 oktober 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Het onderzoek is ter zitting geschorst in afwachting van nadere informatie van verweerder over de oppervlaktes van de door appellante voor bedrijfstoeslag opgegeven percelen in 2007 en 2008. Verweerder heeft deze nadere informatie verschaft. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten, waarop het College het onderzoek in de onderhavige zaak heeft gesloten.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder bij de vaststelling van de bedrijfstoeslag van appellante voor de jaren 2007 en 2008 is uitgegaan van de juiste oppervlakte van het door haar opgegeven perceel nummer 2.

2. Appellante stelt dat de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 2 onjuist is. Dit perceel is met precies dezelfde oppervlakte altijd als landbouwgrond in gebruik geweest, zo ook in 2007 en 2008 toen het was beteeld met respectievelijk rogge en suikerbieten. Het perceel wordt begrensd door een bosrand en is daardoor wellicht moeilijk zichtbaar.

3. Verweerder stelt dat het perceel met volgnummer 2, dat in 2007 en 2008 niet geheel op dezelfde manier op de bedrijfskaart was ingetekend, in de jaren 2007 en 2008 terecht ten dele niet in aanmerking is gebracht voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag.

Volgens verweerder staat op een deel van perceel 2 blijvend bos en bos is geen subsidiabel gewas.

Voor zover hier van belang heeft verweerder in de bezwaarschriftprocedure voor beide jaren bij een voortgezette administratieve controle, waarbij de beteelde oppervlakte is vastgesteld aan de hand van een luchtfoto, geoordeeld dat slechts 0.18 ha van perceel 2 in 2007 met rogge en in 2008 met suikerbieten beteeld was.

Die oppervlakte heeft verweerder daarom alsnog goedgekeurd en voor appellantes bedrijfstoeslag in de betreffende jaren in aanmerking gebracht. Vanwege de verschillen in de wijze van intekenen en de wijze van opgeven heeft dit in 2007 geleid tot een afgekeurde oppervlakte van 0.12 ha en in 2008 tot een afgekeurde oppervlakte van 0.37 ha en een extra korting van twee maal het verschil tussen de afgekeurde en geconstateerde oppervlakte.

4. Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat op grond van artikel 44, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hectares die als bosgrond in gebruik zijn niet subsidiabel zijn en dus niet aanmerking kunnen worden gebracht voor de uitbetaling van toeslagrechten. Verweerder heeft bij zijn administratieve controles voor de jaren 2007 en 2008 voor het eerst geconstateerd dat het opgegeven perceel 2 (ten dele) is begroeid met bos en dus voor dat deel niet subsidiabel is. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag welke oppervlakte van perceel 2 dan wel met subsidiabel gewas was beteeld in 2007 en 2008. Verweerder heeft deze oppervlakte aan de hand van een vergelijking van de opgave met de luchtfoto’s uit 2007 en 2008 van het perceel vastgesteld op 0.18 ha. Dat verweerder van een grotere oppervlakte had moeten uitgaan heeft appellante wel gesteld, maar naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt. Appellantes argument dat in eerdere jaren de volledige oppervlakte in haar opgave van 11.20 ha, inclusief die van perceel 2 van 0.53 ha, door verweerder is goedgekeurd kan haar niet baten. Zoals verweerder terecht stelt, wordt de opgave ieder jaar afzonderlijk beoordeeld, waarbij de mogelijkheid bestaat dat verweerder een onregelmatigheid opmerkt, die hem eerder ontgaan was. Dat verweerder het perceel in eerdere jaren ten onrechte te groot heeft vastgesteld, leidt dan ook niet tot de conclusie dat de volledig opgegeven oppervlakte in 2007 en 2008 subsidiabel is en in aanmerking dient te worden gebracht voor appellantes bedrijfstoeslag voor die jaren.

Het College ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om verweerders vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 2 in 2007 en 2008 onjuist te achten.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 Awb ziet het College tot slot geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.

w.g. C.M. Leliveld w.g. W.E. Doolaard