Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ2902

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
AWB 09/1380
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Uitvoerrestitutie. Ander product uitgevoerd dan overeenstemt met de in de aangifte ten uitvoer vermelde restitutiecode. Terecht sanctie opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1380 25 januari 2013

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

Lamex Foods B.V., te Doetinchem, appellante,

gemachtigden: B.G. Nyenkamp en R.C. de Vooght, beiden werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Ordogh, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 11 november 2009, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 september 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder gedeeltelijk gegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2009.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 14 december 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Appellante is met bericht niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 6 augustus 2009 is in werking getreden Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (verder: de Verordening). Voor zover en ten tijde hier van belang luidt deze als volgt:

"Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

i) „exporteur”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die recht heeft op de restitutie. (...)

(...)

m) „restitutienomenclatuur”: landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie;

(...)

Artikel 5

(...)

4. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, en met name:

a) voor producten:

— de, eventueel vereenvoudigde, omschrijving van de producten volgens de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties en de code van de restitutienomenclatuur en, voorzover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling;

— de nettomassa van de producten, of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de voor de berekening van de restitutie in aanmerking te nemen meeteenheid;

(...)

Artikel 48

1. Wanneer wordt vastgesteld dat een exporteur, in het kader van het toekennen van restitutie, een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de voor de werkelijke uitvoer geldende restitutie, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:

a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;

b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.

(...)

3. Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de op grond van artikel 5 verstrekte gegevens. (...)

4. De in lid 1, onder a), bedoelde sanctie wordt niet toegepast:

(...)

c) indien het duidelijk gaat om een vergissing wat de gevraagde restitutie betreft en de bevoegde autoriteit dat heeft erkend;

(...)

6. Wanneer de bevoegde autoriteiten vaststellen dat de gevraagde restitutie onjuist was en de uitvoer niet is geschied, zodat vermindering van de restitutie niet mogelijk is, betaalt de exporteur een bedrag dat gelijk is aan het in lid 1, onder a), respectievelijk b), bedoelde sanctiebedrag dat van toepassing zou zijn indien de uitvoer zou hebben plaatsgevonden. (...)

Artikel 51

Verordening (EG) nr. 800/1999 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XX.

Bijlage XX

Concordantietabel

Verordening (EG) nr 800/1999 De onderhavige verordening

(...) (...)

Artikel 51, leden 2 tot en met 11 Artikel 48, leden 3 tot en met 12

(...) (...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Namens appellante is door haar expediteur op 6 augustus 2008 bij de douane aangifte ten uitvoer gedaan voor een naar Zuid Korea te verzenden partij bevroren varkensvlees. Die partij is daarbij als volgt omschreven: "vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren, vers of gekoeld, bevroren, andere, van huisdieren, buiken (buik-spek) en delen daarvan met een totaal gew. geh. aan been en kraakbeen <15%, ander zonder been, buiken en delen daarvan, totaal gew. geh. kraakbeen <15%". In de aangifte en in het begeleidende controle-exemplaar T5 is als productcode 0203 2915 00 9100 vermeld. Daarbij is tevens het volgende vermeld: "1052 CT Frozen pork bellies, single ribbed, rind off".

- Voor deze zending heeft appellante uitvoerrestitutie aangevraagd.

- De douane heeft de zending op 6 augustus 2008 onderworpen aan een controle en in dat kader een monster genomen.

- Bij brief van 10 september 2008 heeft de dounane appellantes expediteur ervan op de hoogte gesteld dat onderzoek van het monster uitwijst dat dit monster bestaat uit bevroren vlees van varkens, zijnde (delen van) de buik, zonder been, met spek, maar zonder zwoerd. Volgens dezelfde brief volgt hieruit dat dit product niet onder de post 0203 2915 kan worden ingedeeld en dat ook voor het overige geen restitutiecode van toepassing is.

- Per fax van 22 september 2008 heeft appellante verweerder laten weten dat zij een fout heeft gemaakt met betrekking tot aangevraagde restitutie en verweerder verzocht de aanvraag niet in behandeling te nemen.

- Bij besluit van 23 februari 2009 heeft verweerder - voor zover hier van belang - appellantes restitutieaanvraag afgewezen en haar een sanctie van € 2.133,81 (zijnde 50% van het ten onrechte aangevraagde restitutiebedrag) opgelegd.

- Bij brief van 30 maart 2009 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 8 september 2009 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - het volgende overwogen.

Het is de verantwoordelijkheid van de exporteur om restitutie aan te vragen voor een product dat daadwerkelijk restitutiewaardig is. Dat appellante onbekend is met het verzorgen van uitvoeraangiften en in haar ogen gebrekkig medewerking heeft gekregen van haar expediteur en de douane, doet daaraan niet af. Van een exporteur die in aanmerking wil komen voor restitutie mag worden verwacht dat deze zich vooraf op de hoogte stelt van de relevante regelgeving. Dit geldt ook indien een exporteur een aangever/vertegenwoordiger - zoals in dit geval een expediteur - inschakelt voor het verzorgen van de uitvoeraangiften. Handelingen van de aangever/vertegenwoordiger worden dan ook toegerekend aan de exporteur.

De sanctie van € 2.133,81 is terecht opgelegd. Vast staat immers dat met de uitslag van de bemonstering op 10 september 2008 bij appellantes expediteur bekend was dat in de aangifte ten uitvoer restitutie was aangevraagd voor niet-restitutiewaardige varkensbuiken zonder been en zwoerd. De in appellantes brief van 22 september 2008 opgenomen melding valt dus niet onder de in artikel 51, derde lid, van Verordening (EG) nr. 800/1999 opgenomen uitzonderingsgronden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, voor zover haar daarbij een sanctie is opgelegd, en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Naar de mening van appellante is de douane de partij die de goederen indeelt in de Gemeenschappelijke Nomenclatuur en met de omschrijving genoemd in de aangifte, nu daarbij was aangegeven dat de desbetreffende producten zonder zwoerd waren, had de douane de varkensbuiken nooit mogen indelen onder de goederencode 0203 2915 9100. In het handboek voor in- en uitvoer, dat ook door de douane wordt gebruikt, staat duidelijk aan het begin van hoofdstuk 2 omschreven dat de varkensbuiken zoals appellante die heeft aangegeven niet onder deze goederencode vallen. Appellante kan ermee leven dat geen restitutie wordt uitgekeerd en de zekerheid (in verband met het uitvoercertificaat) verbeurd wordt verklaard, maar dat er een sanctie wordt toegepast vindt appellante onacceptabel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Gelet op het bestreden besluit en het daartegen ingestelde beroep, is tussen partijen thans slechts nog in geschil of verweerder appellante terecht een sanctie van € 2133,81 heeft opgelegd. Die sanctie is, naar uit het gestelde in paragraaf 2.2 en rubriek 3 blijkt, door verweerder aan appellante opgelegd omdat zij - althans namens haar de expediteur - bij de aangifte ten uitvoer van 6 augustus 2008 restitutie heeft aangevraagd onder restitutiecode 0203 2915 9100 en de daadwerkelijk door haar uitgevoerde producten niet beantwoorden aan de voor die code geldende productomschrijving. Uit een monsteranalyse door de douane blijkt namelijk dat het bij die producten ging om varkensbuiken zonder zwoerd. Tussen partijen is niet in geschil - en het College sluit zich daarbij aan - dat een product met die omschrijving moest worden ingedeeld onder een tot dezelfde sector behorende code waarvoor - in tegenstelling tot de door haar vermelde code - geen restitutietarief was vastgesteld. Dit betekent dat, nu appellante restitutie had aangevraagd, maar de geldende restitutie voor haar producten nihil bedroeg, in beginsel een sanctie als vervat in artikel 48, eerste en zesde lid, van de Verordening moest worden opgelegd.

5.2 Appellante heeft zich, in de kern samengevat, op het standpunt gesteld dat het hier een vergissing betreft die zo evident is dat de douaneautoriteiten die hadden moeten opmerken en dat verweerder daarom van het opleggen van een sanctie had behoren af te zien.

5.3 Het College volgt appellante hierin niet. Het feit dat de door appellante ingeschakelde en voor haar rekening en risico optredende douane-expediteur een foutieve restitutiecode heeft opgegeven levert op zichzelf niet een omstandigheid op die maakt dat het hier duidelijk gaat om een vergissing wat de gevraagde restitutie betreft. Weliswaar vermeldt het uitvoergeleidedocument onder 'omschrijving van de goederen' dat het gaat om "frozen pork bellies, (...) rind off" (bevroren varkensbuiken zonder zwoerd), welke omschrijving niet beantwoordt aan de opgegeven restitutiecode, maar dat hierdoor sprake is van een duidelijke vergissing, ziet het College niet in. Het verschil tussen de door haar vermelde restitutiecode en de omschrijving dat de producten zonder zwoerd waren ("rind off") levert daartoe op zichzelf een te weinig in het oog lopende tegenstrijdigheid op.

Ten slotte kan appellantes opvatting dat de douane het product onder de juiste productcode had moeten indelen, niet worden aanvaard. Gelet op artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening is het niet aan de douane om de in die bepaling genoemde gegevens op het document dat bij uitvoer wordt gebruikt te vermelden.

5.4 Het voorgaande voert tot de slotsom dat, nu voor verweerder, gelet op inhoud en systematiek van de hier toepasselijke Europese regelgeving, geen ruimte bestond om van het opleggen van deze sanctie af te zien, het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. S.A.C.M. Lavrijssen, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

w.g. R.R. Winter w.g. M.J. van Veen