Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:BZ1613

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
AWB 11/434 en 11/449
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Boetebesluiten inzake meststoffenwet (overschrijding gebruiksnormen). Bij de berekening van het gebruik van meststoffen had de staatssecretaris op afstand gelegen, bijgehuurde percelen buiten beschouwing gelaten, waardoor het gebruik van meststoffen per hectare van de huispercelen hoger uitviel. Uitleg van het begrip "tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond". Het College is van oordeel dat de staatssecretaris niet als voorwaarde mocht stellen dat de bijgehuurde gronden daadwerkelijk bij het bedrijf van de landbouwer in gebruik zijn. Die voorwaarde staat niet in de wet. Bepalend is of de landbouwer de feitelijke beschikkingsmacht over de bijgehuurde grond heeft. Dat was in deze zaak het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/434 en 11/449 12 februari 2013

16005 Meststoffenwet - Bestuurlijke boete

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris),

2. Maatschap A en B, gevestigd te C,

3. A, wonend te C, en

4. B, wonend te C,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 april 2011, AWB 10/2332, in het geding tussen appellanten sub 2 tot en met 4 (hierna aangeduid als: A c.s.) en de staatssecretaris.

Gemachtigden van de staatssecretaris: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. B. Raven, beiden werkzaam bij de Dienst Regelingen.

Gemachtigde van A c.s.: mr. W.P.N. Remie.

1. Het procesverloop in hoger beroep

De staatssecretaris heeft bij brief van 1 juni 2011, bij het College binnengekomen op 6 juni 2011, hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak van de rechtbank Arnhem. Dit hoger beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/434.

A c.s. hebben bij brief van 7 juni 2011, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, eveneens hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak. Dit hoger beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/449.

Bij brief van 6 juli 2011 heeft de staatssecretaris ter aanvulling van het beroepschrift beroepsgronden ingediend. Bij brief van 7 juli 2011 hebben A c.s. een aanvullend beroepschrift ingediend.

Bij brieven van 8, respectievelijk 18 augustus 2011 hebben A c.s. en de staatssecretaris reacties op elkaars hoger beroepschriften ingediend.

Op 19 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en A zijn verschenen. Voorts zijn aan de zijde van A c.s. verschenen F, werkzaam bij F B.V., G, werkzaam voor Mest- en Kalkhandel G en H, werkzaam bij Arkervaart.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2 In geschil is of de staatssecretaris A c.s. terecht bestuurlijke boetes heeft opgelegd voor het overschrijden van de gebruiksnormen, zoals die zijn neergelegd in de Meststoffenwet. In dat kader houdt partijen primair verdeeld of A c.s. de in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland mochten aanmerken als tot hun bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. De staatssecretaris meent van niet en heeft de betreffende percelen niet betrokken in zijn “Berekening gebruik meststoffen 2007”. Na deze correctie op de oppervlakte landbouwgrond heeft de staatssecretaris geconstateerd dat de gebruiksnormen in 2007 zijn overschreden en zijn aan A c.s. meerdere bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, de fosfaatgebruiksnorm, respectievelijk de stikstofgebruiksnorm, en het niet naar waarheid invullen van een formulier, voor een bedrag van in totaal € 173.413,50.

2.3 Bij besluit van 29 januari 2010, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris, samengevat en voor zover van belang, gelet op hetgeen in rubriek 6 van deze uitspraak wordt overwogen, het volgende overwogen en beslist.

Doorslaggevend bij de beoordeling of sprake is van één bedrijf en of landbouwgrond bij dat bedrijf feitelijk in gebruik is, is of er ‘een samenhangend geheel van productie-eenheden’ en ‘feitelijke beschikkingsmacht over de grond in het kader van de normale bedrijfsvoering’ is. Deze beschikkingsmacht moet zodanig zijn dat teeltplan en bemestingsplan op elkaar afgestemd en in samenhang in de praktijk gerealiseerd worden overeenkomstig de in de Meststoffenwet opgenomen milieurandvoorwaarden. Ingevolge de brochure ‘Mestbeleid 2006’ moet sprake zijn van ‘landbouwgrondgrond die u daadwerkelijk gebruikt voor uw bedrijf’. Het woord daadwerkelijk impliceert dat niet alleen op papier moet blijken van grondgebruik, maar dat daarvan ook feitelijk sprake moet zijn. De percelen waren niet in het kader van de normale bedrijfsvoering bij A c.s. in gebruik. A c.s. zijn in 2007 niet in Friesland bij de percelen geweest. A c.s. lieten er geen dieren weiden, er vond geen bemesting plaats, het gewas werd niet gebruikt binnen het bedrijf van A c.s. A c.s. hadden niet de beschikkingsmacht over de percelen. Dat A c.s. een grondgebruikverklaring met de erven J hebben opgemaakt komt in dit verband geen betekenis toe. Het feitelijk gebruik lag bij G (hierna: G) die de percelen beheerde, het gras heeft bewerkt en in zijn eigen kuilbult heeft gedaan.

Het is aan A c.s. om aannemelijk te maken dat zij de gebruiksnormen niet hebben overtreden, waarin zij niet zijn geslaagd.

Een landbouwer dient op grond van artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en artikel 124, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet met de ‘Gecombineerde opgave 2007’ volledig en naar waarheid gegevens over de bij het bedrijf horende oppervlakte landbouwgrond in te zenden naar de Dienst Regelingen. A c.s. hebben de betreffende percelen in Friesland ten onrechte opgegeven op de ‘Gecombineerde opgave 2007’. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het boetebedrag ad € 300 zou moeten worden afgeweken is niet gebleken.

Volgens het AID-rapport hebben de controleurs gewezen op het zwijgrecht, zodat daarin geen reden is gelegen om van beboeting af te zien.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van A c.s. gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris van 29 januari 2010 vernietigd, voor zover daarbij de hoogte van de boetes tot een bedrag van € 173.113,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet is gehandhaafd, de boete vastgesteld op € 67.125 en bepaald dat de betreffende uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank zijn neergelegd in rechtsoverwegingen 3.9 tot en met 3.17 van de uitspraak, waarnaar wordt verwezen.

4. De standpunten van partijen in het hoger beroep van A c.s.

4.1 Standpunten A c.s.

A c.s. hebben de uitspraak van de rechtbank bestreden. De gronden van beroep worden in het kort en voor zover van belang – gelet op hetgeen hierna in rechtsoverweging 6 van deze uitspraak wordt overwogen – weergegeven.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de betreffende percelen niet onder de tot het bedrijf van A c.s. behorende landbouwgrond vallen, omdat A c.s. niet het exclusieve gebruiksgenot van de percelen zouden hebben gehad, de gronden niet in het kader van de normale bedrijfsvoering in gebruik zouden zijn geweest en A c.s. geen beschikkingsmacht over de percelen zouden hebben gehad. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vraag omtrent de feitelijke beschikkingsmacht buiten beschouwing kan blijven omdat de gronden niet daadwerkelijk bij A c.s. in gebruik zouden zijn geweest.

De voor de feitelijke en exclusieve beschikkingsmacht veronderstelde juridische titel is aanwezig en wordt niet betwist. A c.s. hebben met betrekking tot de percelen een grondgebruikovereenkomst gesloten voor het jaar 2007 en ook daadwerkelijk betaald voor het gebruik. A c.s. konden exclusief beschikken over de wijze waarop de teelt, de bemesting en het overige gebruik van de gronden zou plaats vinden en hebben dat ook gedaan. De percelen maakten derhalve deel uit van het bedrijf van A c.s.

Omdat percelen die dichterbij gelegen zouden zijn niet voorhanden waren, zijn onderhavige percelen in gebruik genomen, hoewel het ook voor A c.s. praktischer zou zijn geweest dichterbij gelegen grond in gebruik te nemen. Gezien de ligging van de percelen zijn de werkzaamheden met betrekking tot deze percelen uitgevoerd door een derde. Het inschakelen van een loonwerker voor het onderhoud en de bewerking, en het geven van vrijheid aan de betreffende loonwerker, is niet ongebruikelijk in de sector. Het betalen van de loonwerker voor de uitgevoerde werkzaamheden met de opbrengsten van de percelen is in bedrijfseconomisch opzicht de meest redelijke handelwijze. Niet valt in te zien dat wanneer werkzaamheden door een loonwerker worden verricht, de opdrachtgever niet als gebruiker kan worden beschouwd. Er is geen sprake van een andere gebruiker of bewerker van de gronden. De mate van het gebruik of de manier waarop het gebruik plaatsvindt is in dit kader niet van belang. De beschikkingsmacht lag bij A c.s. De parlementaire geschiedenis geeft juist aan dat voldoende is dat degene die het landbouwbedrijf voert, over de grond de feitelijke beschikkingsmacht kàn uitoefenen. Het enkele feit dat de huiskavel intensiever gebruikt of bewerkt kan zijn dan de verder weg gelegen percelen doet niet af aan het feit dat ook deze laatste binnen de bedrijfsvoering vallen en deze flexibiliteit dient aan landbouwers te worden gegeven, zoals ook de wetgever voorstaat.

Ten onrechte zijn in het geval van A c.s. enkel vanwege de afstand en de gebruikstitel nadere eisen gesteld aan het gebruik, welke eisen niet voortvloeien uit de meststoffenwetgeving. Het oordeel van de rechtbank betekent dat wanneer een huisperceel, dat eigendom is van een landbouwbedrijf, op een vergelijkbare wijze wordt bewerkt dit niet zou meetellen in het kader van de gebruiksnormen.

De percelen zijn uitsluitend door A c.s. ingetekend bij het GDI, aangemeld bij de AID en derhalve meegenomen in de Gecombineerde opgave 2007.

Er hebben zich in het kader van het gebruiksnormenstelsel geen onregelmatigheden voorgedaan. Milieubelangen zijn niet geschaad. De totale oppervlakte van de betreffende percelen is niet zodanig dat van een onevenwichtige verhouding kan worden gesproken: slechts een klein percentage is op enige afstand van het bedrijf gelegen.

In het kader van de toeslagrechten zijn de betrokken percelen wel beschouwd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, derhalve dienen de percelen ook te worden meegenomen in het kader van de gebruiksnormen.

4.2 Standpunten staatssecretaris

In reactie op de vorenstaande grieven van A c.s. in hoger beroep heeft de staatssecretaris het volgende, kort weergegeven, naar voren gebracht. Het hoger beroep van A c.s. is ongegrond. De rechtbank heeft met de staatssecretaris geoordeeld dat in 2007 geen sprake was van feitelijk gebruik van landbouwgrond van de betreffende percelen. Er was geen sprake van beschikkingsmacht, noch van percelen die in het kader van de normale bedrijfsvoering tot het bedrijf behoren. In hoger beroep hebben A c.s. geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan de staatssecretaris aan dit oordeel zou moeten twijfelen. A c.s. hebben op papier getracht hun mestruimte te vergroten, feitelijk was geen sprake van meer ruimte.

Er is sprake van verwijtbaar handelen. A c.s. wisten immers dat van daadwerkelijk gebruik van de via F ‘gepachte’ landbouwgronden geen sprake was en dat daardoor onvoldoende dierlijke mest van het bedrijf is afgevoerd. De staatssecretaris heeft bij het berekenen van de boetes in aanmerking genomen dat A c.s. hun overtreding hebben willen verdoezelen, door ‘op papier’ bij de staatssecretaris een grotere gebruiksruimte te melden. Ook hebben zij verschillende documenten ter ondersteuning van die ‘papieren situatie‘ opgesteld of laten opstellen. De staatssecretaris heeft dus de nodige moeite moeten doen om de overtredingen te kunnen vaststellen. Daarnaast is in het oordeel betrokken dat de geconstateerde overtredingen fors zijn en dat gedurende een langere periode in het kalenderjaar overtredingen zijn ontstaan door stelselmatig geen dierlijke mest af te voeren naar de betrokken percelen. Dat er geen oogmerk op overtreden was is niet aannemelijk geworden. A c.s. hebben bewust te veel dierlijke meststoffen op de eigen landerijen gebracht en aldus niet conform de doelstelling van de wet gehandeld.

5. De standpunten van partijen in het hoger beroep van de staatssecretaris

De staatssecretaris heeft de uitspraak van de rechtbank bestreden met de beroepsgrond dat de aan A c.s. opgelegde boetebedragen ten onrechte zijn gematigd. A c.s. hebben de juistheid van deze stellingname van de staatssecretaris gemotiveerd betwist. Gelet op hetgeen hierna in rechtsoverweging 6 wordt overwogen, worden de over en weer aangevoerde argumenten hier niet weergegeven.

6. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1 Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

6.2 Gelet op de inhoud van de door partijen ingenomen standpunten ziet het College aanleiding allereerst de gronden van het hoger beroep van A c.s. te behandelen.

6.3 Algemeen

Op 1 januari 2006 is de Meststoffenwet ingrijpend gewijzigd. De bepalingen van de Nitraatrichtlijn inzake de beperking van onder meer het gebruik van dierlijke mest zijn geïmplementeerd via het stelsel van gebruiksnormen. Kernbepaling van het stelsel van gebruiksnormen is artikel 7 Meststoffenwet, dat het verbod bevat in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Ingevolge artikel 8 geldt het in artikel 7 gestelde verbod niet indien de betrokken landbouwer aannemelijk maakt dat hij geen van de drie in dat artikel genoemde gebruiksnormen heeft overtreden. De gebruiksnormen zijn jaarplafonds voor het gebruik van meststoffen die zijn gekoppeld aan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. De hoogte van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is bepaald in artikel 9, eerste lid, van de Meststoffenwet en bedraagt 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, behoudens derogatie (artikel 9, tweede lid, Meststoffenwet). De hoogte van de derogatie is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond (artikel 24, eerste lid, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet) en heeft uitsluitend betrekking op mest afkomstig van graasdieren (artikel 24, tweede lid, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet).

6.4 Tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond

De rechtbank heeft onder meer overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of de door A c.s. gehuurde landbouwgronden kunnen worden gerekend tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid,

onderdeel m, van de Meststoffenwet, bepalend is of deze gronden daadwerkelijk bij het bedrijf van A c.s. in gebruik zijn. Volgens A c.s. biedt de Meststoffenwet geen grondslag voor deze nader door rechtbank gestelde eis. Deze beroepsgrond slaagt. Het College overweegt daartoe het volgende.

Artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

h. landbouwgrond: grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend;

i. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden;

(…)

m. tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is;

(…)”

Artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan landbouwgrond moet voldoen om te worden aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. (…)”

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 930, nr. 3, blz.107 e.v.)

is het volgende opgenomen:

“ m («tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond»)

De begripsomschrijving van «tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond», wordt ingevolge onderhavig voorstel op een tweetal punten gewijzigd. (…)

De tweede wijziging in de begripsomschrijving betreft de gebruikstitels. In het licht van de voorgestane wijzigingen in het systeem van productierechten (vergelijk de meermaals aangehaalde brief van 19 mei 2004 aan de Tweede Kamer) is er geen reden meer in de mestwetgeving ten behoeve van het grondgebonden mestproductierecht bij de gebruikstitels onderscheid te blijven maken tussen enerzijds eigendom, een zakelijk gebruiksrecht of een langlopende, door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst, en andere, «lichtere» gebruikstitels. In de toekomst kan rekening worden gehouden met alle gebruikstitels die thans – op basis van het huidige derde lid van artikel 1 en artikel 1a, tweede lid, van de Meststoffenwet – ook al voor alle overige onderdelen van de Meststoffenwet in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de oppervlakte landbouwgrond, dus ook door de grondkamer geregistreerde of goedkeurde kortlopende pacht en zogenoemde «grondgebruiksverklaringen», zijnde overeenkomsten die ertoe strekken grond uit gebruik te geven. Aangezien aldus in principe elke overeenkomst waaraan een gebruiksrecht kan worden ontleend voor de toepassing van de Meststoffenwet in aanmerking wordt genomen, is het minder zinvol en – in het licht van toekomstige wijzigingen, bijvoorbeeld op het vlak van de Pachtwet – minder praktisch om de gebruikstitels nog als zodanig in de begripsomschrijving op te nemen. Voor de toepassing van de wet is doorslaggevend dat grond – zoals in de begripsomschrijving tot uitdrukking komt – uitsluitend als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond kan worden opgevoerd als deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt onder meer met zich dat de degene die het landbouwbedrijf voert over de grond de feitelijke beschikkingsmacht moet kunnen uitoefenen. Deze beschikkingsmacht moet zodanig zijn dat hij in staat is teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in de praktijk in samenhang te realiseren overeenkomstig de in de Meststoffenwet neergelegde milieurandvoorwaarden. Een dergelijke feitelijke beschikkingsmacht veronderstelt al de aanwezigheid van een geldige juridische titel. Tegen die achtergrond heeft het noemen van de concrete gebruikstitels en het stellen van nadere eisen daaraan geen meerwaarde. In principe zal voor de toepassing van de Meststoffenwet elke civielrechtelijke titel die de betrokken grondgebruiker de feitelijke macht over de teelt en de bemesting van de grond geeft in aanmerking worden genomen, ook de overeenkomsten die ertoe strekken grond uit gebruik te geven, die thans «grondgebruiksverklaringen» worden genoemd. In het kader van de mestwetgeving zullen aan die overeenkomsten evenwel geen vormvoorschriften worden verbonden. Daarmee is de flexibiliteit voor de landbouwbedrijven maximaal gediend.

Mocht er in de praktijk toch behoefte aan bestaan om nadere voorwaarden te stellen waaronder grond voor de toepassing van de Meststoffenwet in aanmerking kan worden genomen, dan kan dat bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur die wordt vastgesteld krachtens artikel 1a, eerste lid. Gedacht kan worden aan de eis dat grond moet zijn geregistreerd in de Basisregistratie percelen van de Dienst Regelingen. Op dat punt gelden thans regels ingevolge de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet. Uitgangspunt is dat deze nadere voorwaarden uitsluitend worden gesteld als deze uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid daadwerkelijk meerwaarde hebben. Te allen tijde zal het streven erop gericht zijn een vorm te kiezen die zo min mogelijk administratieve lasten veroorzaakt, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij al bestaande gegevensverstrekking.

Door de voorgestelde aanpassing van de begripsomschrijvingen van «landbouwgrond» en van «tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond» vindt niet alleen harmonisatie binnen de Meststoffenwet plaats, maar wordt bovendien een veel betere aansluiting verzekerd bij de begripsomschrijvingen die in andere landbouwregelgeving worden gehanteerd, onder andere in de op de Landbouwwet gebaseerde regelingen ter uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Een en ander vergroot de transparantie van de wetgeving en vergemakkelijkt de administratie en gegevensinwinning met betrekking tot de oppervlakte en het gebruik van de percelen landbouwgrond die bij de landbouwbedrijven behoren.

(…)”

Naar het oordeel van het College biedt de tekst van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Meststoffenwet, noch de wetsgeschiedenis steun voor de door de rechtbank aan deze wettelijke bepaling gegeven uitleg. Noch in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Meststoffenwet, noch in de memorie van toelichting, zoals hiervoor aangehaald, wordt als voorwaarde gesteld dat de gronden daadwerkelijk bij het bedrijf in gebruik zijn. Volgens de memorie van toelichting is voor de toepassing van de Meststoffenwet doorslaggevend dat grond, zoals in de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, ook tot uitdrukking komt, uitsluitend kan worden opgevoerd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt volgens de memorie van toelichting onder meer met zich dat degene die het landbouwbedrijf voert over de grond de feitelijke beschikkingsmacht moet kunnen uitoefenen. Een dergelijke beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel. In principe zal voor de toepassing van de Meststoffenwet elke civielrechtelijke titel die de betrokken grondgebruiker de feitelijke macht over de teelt en de bemesting van de grond geeft in aanmerking worden genomen, ook overeenkomsten die ertoe strekken grond uit gebruik te geven, die thans ‘grondgebruiksverklaringen’ worden genoemd. Daarmee is de flexibiliteit voor de landbouwbedrijven maximaal gediend, aldus de memorie van toelichting.

Om te kunnen vaststellen of de in het geding zijnde gronden aangemerkt kunnen worden als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Meststoffenwet, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis, bepalend of A c.s. de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden hadden, in die zin dat zij in de praktijk in staat waren teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Die vraag heeft de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Ook de tweede beroepsgrond van A c.s. slaagt derhalve.

6.5 Feitelijke beschikkingsmacht

Naar het oordeel van het College is genoegzaam komen vast te staan dat A c.s. het exclusieve gebruiksrecht van de betreffende percelen hadden, dat zij dat recht met uitsluiting van ieder ander hebben uitgeoefend en dat zij derhalve ook de feitelijke beschikkingsmacht hadden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het AID-rapport nr. 52620 blijkt dat A c.s. beschikten over een gebruiksovereenkomst voor het gebruik van grasland in 2007 van grondeigenaar Erven J, groot 10,24 hectare, een factuur van F B.V. betreffende 10,24 hectare huur grasland gefactureerd aan

A tegen een prijs van € 475 per hectare, drie analyseverslagen en een factuur van Mest- & Kalkhandel G voor A c.s., waarop onder andere staat vermeld: ‘saldo gemaakte kosten en gewasopbrengsten voor u: 0,00 Euro’.

Voor zover de staatssecretaris heeft betoogd dat A c.s. niet het economisch risico van de percelen droegen ziet hij er aan voorbij dat A c.s. onbestreden hebben aangevoerd dat het, gelet op de kosten van transport en het prijsniveau van ruwvoer in het betreffende jaar, economisch de meest verantwoorde beslissing was om met G overeen te komen dat de gewasopbrengst zou worden verrekend met de door hem voor zijn werkzaamheden in rekening te brengen kosten.

6.6 Het College merkt nog op dat artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld waaraan landbouwgrond moet voldoen om te worden aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

6.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van A c.s. in zoverre gegrond is en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Hetgeen overigens nog door A c.s. is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep van A c.s. gegrond verklaard, het bestreden besluit van 29 januari 2010 wordt vernietigd en de besluiten van 7 april 2009, respectievelijk 24 juni 2009 worden herroepen.

6.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het College niet toe aan een oordeel over het hoger beroep van de staatssecretaris.

6.9 Het College ziet aanleiding voor een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten van A c.s. in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden voor de behandeling van het hoger beroep vastgesteld op € 303,43. Daarbij is uitgegaan van 3 punten (hoger beroepschrift, schriftelijke reactie naar aanleiding van het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep en het verschijnen ter zitting) tegen een waarde van € 472 per punt, betreffende vier of meer samenhangende zaken (wegingsfactor 1,5) van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1). Aangezien in totaal sprake is van zeven bestreden uitspraken waartegen door zowel de landbouwers als door de staatssecretaris hoger beroep is ingesteld, waarop het College in zeven afzonderlijke uitspraken beslist, wordt in iedere afzonderlijke zaak € 2.124 : 7 = € 303,43 toegekend.

6.10 Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, welk artikel ingevolge het bij de Wet aanpassing bestuursrecht behorende overgangsrecht op dit geding van toepassing is gebleven, wordt van de staatssecretaris een griffierecht van € 466 geheven.

7. De beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van A c.s. tegen het besluit van 29 januari 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 januari 2010;

- herroept de besluiten van 7 april 2009, respectievelijk 24 juni 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de door A c.s. in verband met de behandeling van dit hoger beroep

gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 303,43 (zegge: driehonderddrie euro en drieënveertig cent);

- gelast dat de staatssecretaris het door A c.s. voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht

ten bedrage van in totaal € 454,-- (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) aan hen vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. W.E. Doolaard en mr. J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2013.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. J.M.M. Bancken