Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:94

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
31-07-2013
Zaaknummer
AWB 13/158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet Bibob

Brief van curator behoort niet tot de openbare bronnen waarvan Bureau Bibob ingevolge artikel 12. tweede lid van de Wet Bibob gegevens mag verzamelen. Dat neemt echter niet weg dat van de informatie van een dergelijke brief wel gebruik mag worden gemaakt voor zover deze te herleiden is tot de openbare bronnen, in dit geval faillissementsverslagen;

Zakelijk samenwerkingsverband. Sprake van ernstig vermoeden dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen te benutten

Wetsverwijzingen
Wet wegvervoer goederen, geldigheid: 2013-07-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2149
AB 2014/78
ABkort 2013/370

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/158

14046

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2013 in de zaak tussen

Verhuur en Garagebedrijf Beek B.V. (VGB), appellante

(gemachtigde: mr. M.J. Mookhram),

de stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder

(gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2012 (het primaire besluit) heeft NIWO de communautaire vergunning ingevolge de Wet wegverkeer goederen van VGB ingetrokken.

Bij besluit van 15 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft NIWO het bezwaar van VGB ongegrond verklaard.

VGB heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

NIWO heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft op 3 juni 2013 beslist dat beperking van de kennisneming van de adviezen van het Bureau Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (Bureau Bibob) van 14 oktober 2011 en 22 maart 2012 gerechtvaardigd is te achten, behalve ten aanzien van VGB. VGB heeft toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gegeven.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante is tevens verschenen [L].

Overwegingen

1.

De volgende feiten zijn niet in geschil. Mevrouw [M] en de heer [J] hebben namens VGB een aanvraag om een communautaire vergunning ingediend. Beiden zijn bestuurder van VGB. De heer [L] is de echtgenoot van [M] en vader van [J]. Op 17 oktober 2011 heeft NIWO een communautaire vergunning met een geldigheid van vijf jaar afgegeven.

2.1

NIWO heeft de verleende communautaire vergunning aan VGB met toepassing van artikel

3, eerste lid, onder a en b van de Wet Bibob ingetrokken. Ingevolge die bepaling kan een

vergunning als hier bedoeld worden geweigerd dan wel worden ingetrokken indien ernstig

gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te

benutten (a-grond), of

b. strafbare feiten te plegen (b-grond).

2.2

NIWO heeft op basis van de adviezen van Bureau Bibob geconcludeerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat [L] faillissementsfraude en belastingfraude heeft

gepleegd. Omdat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen de

bestuurders van VGB en [L] heeft NIWO met toepassing van artikel 3, vierde lid,

onder c, van de Wet Bibob geconcludeerd dat VGB in relatie staat tot die strafbare feiten.

3.

VGB betwist dat [L] opzettelijk schuldeisers heeft benadeeld, hij paulianeus

heeft gehandeld of een ondeugdelijke administratie heeft gevoerd. Dat deze

verdachtmakingen zijn gebaseerd op door de curator geleverde informatie, acht VGB

bovendien in strijd met de Wet Bibob, waarin specifiek is benoemd welke instanties gegevens

mogen aanleveren ten behoeve van het advies. De curator behoort niet tot deze instanties.

Voorts betwist VGB het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen de

bestuurders van VGB en [L]. Dat [L] in het kader van de familiaire betrekking

als adviseur van VGB fungeert, acht VGB onvoldoende voor de aanname dat sprake is van

een zakelijk samenwerkingsverband.

4.1

Het College overweegt dat Bureau Bibob om tot een advies te komen persoonsgegevens verzamelt en analyseert. Artikel 12, tweede lid, van de Wet Bibob geeft een limitatieve opsomming van de daarbij te gebruiken gegevensbronnen, waaronder persoonsgegevens uit openbare registers.

4.2

De Memorie van Toelichting (MvT) (Kamerstukken II, 1999-2000, 26883, nr. 3, p. 25 en p. 68) vermeldt in de toelichting bij artikel 12 dat Bureau Bibob om zijn adviestaak te kunnen vervullen een zo volledig mogelijk beeld van de onderneming van de aanvrager of gegadigde dient te verkrijgen. Daartoe kan Bureau Bibob gegevens vergaren uit alle geëigende open bronnen en uit gesloten bronnen. Onder open bronnen worden volgens de MvT de bronnen verstaan die vrij toegankelijk zijn voor iedere burger of instelling. Het gaat daarbij om zowel openbare registers als private registraties.

4.3

Het College stelt vast dat in het advies van 14 oktober 2011 voor een belangrijk deel fragmenten uit faillissementsverslagen zijn opgenomen. Deze verslagen behoren tot de openbare registers als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, van de Wet Bibob, zodat deze gegevens (mede) ten grondslag mogen worden gelegd aan het advies. Voorts heeft Bureau Bibob zijn adviezen (mede) gebaseerd op een brief van de curator van 6 oktober 2011. In die brief heeft de curator op verzoek van Bureau Bibob vragen over de faillissementsverslagen beantwoord. Deze vragen en antwoorden zijn in het advies van 14 oktober 2011 weergegeven. Daarnaast heeft de curator in zijn brief een algemeen beeld ten aanzien van de faillissementen geschetst. Het College is van oordeel dat een brief van een curator niet behoort tot de openbare bronnen op grond waarvan Bureau Bibob persoonsgegevens mag verzamelen. Dat neemt echter niet weg dat van de informatie uit een dergelijke brief wel gebruikt mag worden gemaakt voor zover die informatie te herleiden is tot de openbare bronnen. Het College is van oordeel dat in dit geval aan dit criterium is voldaan: de informatie uit de brief van de curator is rechtstreeks te herleiden tot de (openbare) faillissementsverslagen. Gelet hierop, mocht Bureau Bibob dan ook de brief van de curator betrekken bij zijn advies.

5.1

Het College overweegt voorts, in navolging van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), dat een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van dat bureau mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat het

bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde

onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de

conclusies kunnen dragen.

5.2

Voor zover VGB heeft willen betogen dat NIWO niet aan de vergewisplicht heeft voldaan, oordeelt het College dat daarvan niet is gebleken. NIWO heeft naar aanleiding van de zienswijze om aanvullend advies van Bureau Bibob gevraagd en voorts zijn in het aanvullend advies van 22 maart 2012 en in de bestreden beslissing de feitelijke onjuistheden uit het advies hersteld. NIWO heeft daarmee in voldoende mate aan de op haar rustende plicht voldaan. Voor het oordeel dat het advies ook ná herstel nog feitelijke onjuistheden bevat, ziet het College op grond van hetgeen VGB heeft aangevoerd geen grond.

6.

Uit het onderzoek door Bureau Bibob bleek dat [L] is betrokken geweest bij diverse faillissementen van transportbedrijven, waaronder laatstelijk Cargo Service Maastricht B.V. (Cargo Service). Van een deel van deze rechtspersonen was [L] de bestuurder. In andere gevallen was [M] of [J] de (formele) bestuurder en was [L] de feitelijk leidinggevende. Volgens de curator van Cargo Service zet VGB feitelijk de onderneming van die failliet voort. [L] was de feitelijk leidinggevende van Cargo Service. [L] erkent dat hij - als adviseur – bij VGB is betrokken. Bij de politie heeft
zich in januari 2011 bij het doen van een aangifte gepresenteerd als gemachtigde en adviseur van Cargo Service. Bij een bedrijfsinspectie door de (toenmalige) Inspectie Verkeer- en Waterstaat op 22 augustus 2011 heeft [L] zich als directeur/eigenaar van VGB gepresenteerd. [L] en [M] zijn sinds 1987 gehuwd en zijn gezamenlijk eigenaar van het pand waarin thans VGBzich heeft gevestigd. Op dat adres waren eerder de transportbedrijven gevestigd bij welk faillissement [L] betrokken was. [J] is de zoon van
[L]. Het College is dan ook van oordeel dat NIWO terecht op basis van al deze gegevens heeft geconcludeerd dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen de bestuurders van VGB en [L] en niet enkel, zoals VGB heeft betoogd, van een adviseurschap.

7.1

VGB betwist dat strafbare feiten zijn gepleegd. Daarbij heeft VGB erop gewezen dat geen van de faillissementen heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. Voor zover wordt geoordeeld dat wel sprake is van strafbare feiten, heeft VGB zich op het standpunt gesteld dat deze niet hebben geleid tot op geld waardeerbare voordelen voor VGB. De a-grond is volgens VGB dan ook niet van toepassing.

7.2

Het College stelt, in navolging van de Afdeling (o.a. uitspraak van 8 juli 2009, www.rechtspraak.nl, LJN BJ1892) voorop dat het bij de a-grond gaat om het gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet Bibob is niet vereist dat sprake is van een veroordeling van strafbare feiten, maar dat aannemelijk dient te zijn dat strafbare feiten zijn gepleegd en dat de betrokkene in relatie staat tot die strafbare feiten. Het (enkele) ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling staat dan ook niet in de weg aan toepassing van de a-grond.

7.3

Het College is voorts van oordeel dat de adviezen van Bureau Bibob voldoende steun bieden voor het ernstige vermoeden dat VGB in relatie staat tot faillissementsfraude en belastingfraude. Daarbij heeft NIWO op basis van de adviezen – samengevat weergegeven –

terecht van belang geacht dat [L] als feitelijk leidinggevende en bestuurder betrokken was bij verscheidene faillissementen. Deze faillissementen ontstonden door het structureel verzaken van fiscale verplichtingen en loonverplichtingen, waardoor aanzienlijke schulden ontstonden. Door telkens ruim voor een faillissement de bedrijfsactiviteiten over te hevelen naar een volgende rechtspersoon werden crediteuren opzettelijk benadeeld. Gezien het aantal faillissementen en de spreiding daarvan in de tijd, heeft NIWO terecht geconcludeerd dat sprake is van een patroon van het benadelen van schuldeisers en rechthebbenden. Voorts is van belang dat de curator met succes twee maal een paulianeuze rechtshandeling heeft vernietigd. Ten aanzien van het vermoeden van belastingfraude heeft NIWO terecht in aanmerking genomen dat ondernemingen waar [L] bestuurder van was twee maal een vergrijpboete (van € 7.311,- en € 21.582,-) is opgelegd wegens het opzettelijk in aftrek brengen van niet geheven voorbelasting waardoor te weinig omzetbelasting is afgedragen. Deze gedraging is op grond van artikel 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen strafbaar gesteld. VGB heeft anders dan te ontkennen dat sprake is van strafbare feiten op dit punt geen argumenten aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. Nu sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband acht het College het ernstige vermoeden dat VGB in relatie staat tot die strafbare feiten gerechtvaardigd.

7.4

Hoewel het exacte voordeel niet is vast te stellen, blijkt uit berekeningen van Bureau Bibob dat met de faillissementen, waarbij de volgende vennootschap werd gefinancierd door de schulden niet te betalen, gezien het aantal openstaande vorderingen en de hoogte daarvan, aanzienlijk voordeel is verkregen. Gezien de opgelegde naheffingsaanslagen van € 14.622,- en € 43.164,-, moet aannemelijk worden geacht dat ook met het fiscaalrechtelijke vergrijpen groot financieel voordeel is behaald.

8.

Op grond van het vorenstaande komt het College tot de conclusie dat de a-grond van toepassing is. NIWO was dan ook reeds op die grond bevoegd de vergunning in te trekken. Gezien de mate van het gevaar heeft NIWO in redelijkheid van haar bevoegdheid tot intrekken van de vergunning gebruik kunnen maken. Het standpunt van VGB dat intrekking van de vergunning een te ingrijpend middel is, wordt dan ook niet gevolgd. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt het College niet toe.


9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. R.F.B. van Zutphen en
mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. N.W.A. Verrijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2013.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. N.W.A. Verrijt