Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:89

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
31-07-2013
Zaaknummer
AWB 11/946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet bibob, nauwe zakelijke samenwerking, intrekking vergunning Bingöl vs NL EHRM, geen strijd artikel 6, tweede lid EVRM

Wetsverwijzingen
Wet goederenvervoer over de weg
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2221
AB 2013/414 met annotatie van mr. dr. B. van der Vorm
ABkort 2013/380
JB 2013/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 11/946

14021

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2013 in de zaak tussen

[A] B.V., appellante,

(gemachtigde: mr. K. Vierhout),

en

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder,

(gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2011 (het primaire besluit) heeft NIWO de aan appellante op grond van de Wet goederenvervoer over de weg verleende communautaire vergunning ingetrokken.

Bij besluit van 22 september 2011 (het bestreden besluit) heeft NIWO het bezwaar van appellante ongegrond verklaard verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

NIWO heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is voor appellante verschenen de heer
[B]. NIWO heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Appellante beschikte over een communautaire vergunning. Onder dekking van de communautaire vergunning zijn zes vergunningbewijzen verstrekt met geldigheid tot
1 november 2011 en tien vergunningbewijzen verstrekt met geldigheid tot 1 oktober 2011.

Bij brief van 29 oktober 2010 heeft NIWO appellante ingelicht dat hij het Bureau BiBob advies had gevraagd. Het Bureau Bibob heeft op 11 januari 2011 advies uitgebracht. In het advies is geconcludeerd dat er sprake is van een innige zakelijke samenwerking tussen appellante en [C] en [D] van respectievelijk [E jr.] en [E sr.] Naar het oordeel van het Bureau Bibob staat appellante door deze samenwerking in relatie tot strafbare feiten omdat ernstige vermoedens bestaan dat – kort gezegd – strafbare feiten zijn gepleegd door [E sr.] en jr.. Het Bureau Bibob concludeert - voor zover van belang - dat ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Dat betreft de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

1.2 Dat advies van het Bureau Bibob vormde voor NIWO de aanleiding de vergunning van appellante in te trekken. Naar aanleiding van het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Bureau Bibob desgevraagd op 12 augustus 2011 en 15 september 2011 aanvullende adviezen gegeven.

2.1 NIWO betwist dat appellante nog procesbelang heeft bij deze procedure, nu de vergunningduur is verstreken, appellante feitelijk tot aan de geldigheidsdatum van de vergunningbewijzen gebruik heeft kunnen maken en heeft nagelaten om een aansluitende (verlenging van de) vergunning te vragen.


2.2. Ter zitting heeft het College dit standpunt van NIWO al verworpen. Volgens vaste rechtspraak (ABRS 6 mei 2004, LJN AO887; HR 14 maart 2008, LJN BC6528; CRvB 15-12-2009, LJN BJ7220) geldt dat reeds op grond van het verzoek om vergoeding van kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht, een belanghebbende belang behoudt bij een inhoudelijke beslissing. Het College sluit zich aan bij de bestendige jurisprudentie op dit punt en laat de overige, door appellante aangevoerde argumenten betrekking hebbende op het procesbelang verder onbesproken.

3.1 Appellante heeft als eerste beroepsgrond aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie. Zij stelt zich op het standpunt dat de intrekking van haar vergunning is aan te merken als een ‘criminal charge’.

3.2 Het College volgt appellante hierin niet. De intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob kan niet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’. Artikel 3 van de Wet Bibob heeft tot doel te voorkomen dat bestuursorganen onbewust en ongewild criminele activiteiten faciliteren door vergunningen te verlenen, subsidie te geven of een overheidsopdracht te gunnen. Het Bibob-advies en het besluit van NIWO tot het niet toekennen dan wel intrekking van de vergunning strekt er dan ook niet toe de schuld van iemand aan een strafbaar feit vast te stellen.


3.3 Bij arrest van 20 maart 2012, Bingöl tegen Nederland, zaaknummer 18450/07, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet ziet op de toepassing van artikel 3 van de Wet Bibob. Het College ziet geen aanleiding anders te oordelen nu het in onderhavige zaak, anders dan in de zaak van Bingöl, om een intrekking gaat in plaats van een afwijzing van een aanvraag.

4.1   Appellante voert als tweede beroepsgrond aan dat in strijd met het ‘fair trial-beginsel’ van artikel 6 van het EVRM is gehandeld.

4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover hier van belang, een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak. Vaststaat dat appellante zowel tijdens de voorbereiding van het primaire besluit tot intrekking van de vergunningen, als in het kader van de procedure bij het College in de gelegenheid is gesteld de adviezen in te zien. NIWO heeft zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit uitgebreid en gespecificeerd de feiten vermeld die door hem aan de intrekking van de vergunning ten grondslag zijn gelegd. Dit betekent dat appellante kennis heeft kunnen nemen van deze feiten en derhalve de mogelijkheid heeft gehad deze gemotiveerd te betwisten. Gelet hierop is het recht op een eerlijk proces niet geschonden.

5.1 Met de derde grond voert appellante – zakelijk en kort weergegeven – aan dat het rapport van 21 november 2010 van Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) onzorgvuldig tot stand is gekomen. NIWO heeft in de bestreden beschikking volstaan met de overweging dat ook zonder het rapport het beeld blijft bestaan van een nauwe zakelijke verwevenheid.

5.2 Het College overweegt hierover als volgt. Op basis van de in het primaire besluit weergegeven feiten heeft NIWO kunnen vaststellen dat er sprake is van een innige zakelijke samenwerking tussen appellante en [C] en [D] van respectievelijk [E jr.] en [E sr.] en dat deze samenwerking als geheel voordeel ontleent aan de aan appellante verleende vergunning. Appellante betwist deze samenwerking op zich ook niet. Het rapport van IVW is niet dragend voor de vaststelling van deze innige zakelijke samenwerking en de ontleende voordelen daaruit. De derde beroepsgrond kan reeds hierom niet slagen zodat een verdere bespreking ervan door het College achterwege kan blijven.

6.1 Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij beschikte over een integriteitsverklaring als bedoeld in artikel 2.10 van de Wet goederenvervoer over de weg en dat om die reden NIWO in strijd heeft gehandeld met zijn in artikel 16 van de Beleidsregel toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer neergelegd beleid, dat luidt:

“Alvorens de NIWO een advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Wet Bibob aanvraagt, maakt hij redelijkerwijze gebruik van andere, bij of krachtens de Wet goederenvervoer over de weg en de Algemene wet bestuursrecht toegestane middelen om te toetsen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die kunnen leiden tot toepassing van artikel 3, eerste of zesde lid Wet Bibob.”

6.2 Het College is van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet kan slagen, nu - zoals door NIWO terecht is aangevoerd - het beschikken over de door appellante genoemde integriteitsverklaring een afzonderlijke wettelijk vereiste is voor het kunnen verstrekken van een vervoersvergunning die los staat van de bevoegdheid van verweerster een Bibob advies te vragen. Blijkens de memorie van toelichting heeft de wetgever benadrukt dat de bevoegdheid om gebruik te maken van het instrumentarium van de wet Bibob en advies te vragen aan het Bureau Bibob, een zelfstandige en discretionaire bevoegdheid van het betrokken bestuursorgaan is. Daardoor is het bestuur in de gelegenheid om in het concrete geval de afweging te maken of de lasten van toepassing van het Bibob-instrumentarium kunnen worden gerechtvaardigd, alsmede de inbreuk op de privacy van de betrokkene, een en ander in relatie tot de mogelijke risico's die in het concrete geval aan de orde kunnen zijn.

7.1 Appellante stelt voorts dat er geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob. Zij betoogt dat het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband nog niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van dermate ernstig gevaar dat haar vervoersvergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Daarvan is in de visie van appellante eerst sprake indien er een zodanige samenwerking is dat er over en weer zakelijke verwevenheid is waarbij strafbare zaken worden gepleegd.

7.2 Het College volgt dit standpunt van appellante niet. Zoals hiervoor is overwogen staat de nauwe zakelijke samenwerking, de innige verstrengeling tussen appellante en [C] vast. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen een verleende vergunning intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Ingevolge artikel 3, tweede lid, Wet Bibob, voor zover hier van belang, wordt de mate van het gevaar, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen voordelen.

7.3.1 Bij vonnis van 7 februari 2008 is [E sr.] door de rechtbank veroordeeld voor valsheid in geschrifte en belastingfraude. [E sr.] heeft zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van facturen in de periode oktober 1999 tot en met juni 2006 en hij heeft deze facturen zelf gebruikt in de onderneming ([C]) waaraan hij feitelijke leiding gaf. Gelet op de innige verstrengeling van appellante en [C] heeft NIWO deze veroordeling appellante kunnen tegenwerpen bij de beoordeling of ten aanzien van appellante ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Het strafvonnis is in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem bij arrest van 26 oktober 2011 bekrachtigd. NIWO heeft voorts gewezen op ernstige vermoedens van faillissementsfraude bij (gelieerde bedrijven van) [C].

7.3.2 NIWO heeft derhalve terecht aangenomen dat er sprake was van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van de Wet Bibob.

8.1 Tot slot heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de intrekking disproportioneel is.

8.2 Het intrekken van haar vergunning heeft voor appellante tot gevolg dat zij haar bedrijfsactiviteiten moet staken. Dat is een voor appellante ingrijpend gevolg. NIWO heeft zich van dat gevolg (kenbaar) rekenschap gegeven en desondanks besloten van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik te maken.

8.3 [E sr.] sr. heeft stelselmatig ernstige strafbare feiten gepleegd en de vervoersvergunning van [C] is ingetrokken. NIWO wil voorkomen dat het effect van de intrekking van de vervoersvergunning van [C] wordt omzeild door de bedrijfsactiviteiten van [C] middellijk onder de vervoersvergunning van derden voort te zetten. Dat is vanzelfsprekend een geoorloofd doel. De innige zakelijke banden tussen [F] en appellante zijn naar het oordeel van het College zodanig dat het gevaar dat de aan appellante verleende vergunning mede zal worden gebruikt om uit de door [E sr.] gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten sterk aanwezig is. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten, niettegenstaande de daaraan voor appellante verbonden gevolgen, tot de intrekking van de aan appellante verleende vergunning.

9.

Dit alles leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. R.F.B. van Zutphen en
mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2013.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. L.C. Bannink