Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:8

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB 10/405
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kamer van Koophandel. Registratie van het uittreden van de voorzitter/bestuurslid van een stichting. De voorzitter/bestuurslid heeft op 26-8-2009 aan de Kamer van Koophandel opgegeven dat hij op 1 april 2009 is uitgetreden als voorzitter/bestuurslid van een stichting. De Kamer van Koophandel registreert de opgave bij besluit van 26-8-2009.Vervolgens maakt de stichting bezwaar en voert aan dat de voorzitter/bestuurslid pas per 26-8-2009 uit functie is getreden. De Kamer van Koophandel verklaart het bezwaar ongegrond. De stichting stelt beroep in bij het College. Het College overweegt dat het ervoor moet worden gehouden dat de voorzitter/bestuurslid vanaf 17-4-2009 is afgetreden. Het beroep wordt gegrond verklaard. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in dier voege dat het besluit van 26-8-2009 wordt herroepen voor zover bij de uitschrijving van het bestuurslid als datum van aftreden de datum van 1-4-2009 is vermeld

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 2007
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/405 13 juni 2013

24300

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Nationaal Instituut voor Belasting- en Bedrijfsadviseurs (NIBA), te Eindhoven, appellante,

gemachtigde: mr. H.M.M. van den Elzen, advocaat te Uden,

tegen

de Kamer van Koophandel Rotterdam, verweerster,

gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende, werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van de Kamer van Koophandel Amsterdam,

waaraan voorts als partij deelneemt:

[belanghebbende] , te Breda.

1 De procedure

Appellante heeft bij brief van 21 april 2010, bij het College binnengekomen op 22 april 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 12 maart 2010.
Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 augustus 2009, waarbij de uittreding van [belanghebbende] als voorzitter/bestuurder van appellante - met als ingangsdatum 1 april 2009 - is ingeschreven in het handelsregister, ongegrond verklaard.

Appellante heeft de beroepsgronden aangevuld bij brief van 19 mei 2010.

Bij brief van 30 juni 2010 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brieven van 7 en 29 juni 2011 heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven en producties overgelegd.

Op 11 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van verweerster is verschenen. Appellante en [belanghebbende] zijn niet verschenen.

2 De grondslag van het geschil

2.1

De Handelsregisterwet 2007 (hierna: Hrw 2007) bepaalt, voor zover hier van belang:

" Artikel 6

1. In het handelsregister worden de volgende rechtspersonen die volgens hun statuten hun zetel in Nederland hebben ingeschreven:

(…)

b. (…) een stichting (...)

Artikel 18

1. Tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort, of, indien het de inschrijving betreft van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, het tweede lid en derde lid, ieder der bestuurders van de rechtspersoon. (…)"

Het Handelsregisterbesluit 2008 (hierna: Hrb 2008) bepaalt, ten tijde en voor zover hier van belang:

" Artikel 4

1. De kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet.
2. De kamer kan bij een onderzoek nadere bewijsstukken vragen.

3. Indien de kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.

Artikel 5

1. De kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon.

2. De kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

(…)

e. de kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.

(…)

Artikel 29
In het handelsregister worden over een stichting opgenomen:

a. de persoonlijke gegevens van iedere bestuurder (…) en de datum waarop hij bij de stichting als zodanig in en uit functie is getreden (…)"

2.2

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

  • -

    Op 26 augustus 2009 heeft verweerster een wijzigingsformulier ontvangen, waarin [belanghebbende] heeft opgegeven dat hij op 1 april 2009 is uitgetreden als voorzitter/bestuurslid van appellante. Verweerster heeft deze opgave op 26 augustus 2009 in het handelsregister geregistreerd.

  • -

    Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Het bezwaar is uitsluitend gericht tegen de datum met ingang waarvan [belanghebbende] als voorzitter/bestuurder is uitgeschreven. Appellante heeft aangevoerd dat [belanghebbende] eerst op 26 augustus 2009 aan het bestuur van appellante te kennen heeft gegeven dat hij zijn functie zou neerleggen. Appellante heeft daarom verzocht om de registratie in het handelsregister te wijzigen in die zin, dat [belanghebbende] per 26 augustus 2009 uit functie is getreden.

  • -

    Bij brief van 18 december 2009, met bijlagen, heeft appellante op verzoek van verweerster haar bezwaar nader onderbouwd. [belanghebbende] heeft zich naar aanleiding van de uitnodiging voor de hoorzitting bij brief van 21 januari 2010 met enkele opmerkingen tot verweerster gewend. De bezwarencommissie van verweerster heeft appellante en [belanghebbende] naar aanleiding van de op 22 januari 2010 gehouden hoorzitting in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen. Appellante heeft daarop gereageerd met een brief van 3 februari 2010, met bijlagen. [belanghebbende] heeft daarop gereageerd met een brief van 9 februari 2010.

  • -

    Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3 Het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerster ziet geen aanleiding voor twijfel over de datum van uittreding van [belanghebbende] als bestuurslid. Verweerster heeft daarbij gewezen op de statuten van appellante, op het van [belanghebbende] ontvangen wijzigingsformulier, op door appellante overgelegde delen van brieven van [belanghebbende] van 17 april 2009 en 22 juni 2009 en op het feit dat appellante, zoals op de hoorzitting ter sprake is geweest, in juni 2009 met de brief van [belanghebbende] van 17 april 2009 naar de Kamer van Koophandel is geweest met het verzoek [belanghebbende] als bestuurder van appellante te doen uitschrijven (aan welk verzoek destijds geen gevolg is gegeven). Volgens verweerster is gesteld noch bewezen dat [belanghebbende] na 1 april 2009 handelingen heeft verricht die voortvloeien uit zijn functie van bestuurder.
Verweerster heeft overwogen dat uit de overgelegde stukken zou kunnen worden geconcludeerd dat [belanghebbende] naar buiten kenbaar heeft willen maken dat hij reeds met ingang van 14 maart 2009 is afgetreden als bestuurder van appellante. Verweerster heeft echter niet zover willen gaan, omdat dit in strijd zou komen met het verbod op reformatio in peius.
In het verweerschrift heeft verweerster erop gewezen dat niet met honderd procent zekerheid is vast te stellen per welke exacte datum (14 maart, 1 april of 17 april 2009) [belanghebbende] aan appellante afdoende kenbaar heeft gemaakt dat hij is afgetreden, maar dit was in ieder geval niet op 26 augustus 2009. Dit is echter een civielrechtelijke aangelegenheid die aan de civiele rechter dient te worden voorgelegd. Bij deze stand van zaken ziet verweerster geen aanleiding de registratie van de datum van 1 april 2009 te wijzigen.

4 Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte heeft aangenomen dat de bestuursfunctie van [belanghebbende] per 1 april 2009 is geëindigd.
Indien deze datum juist is, zou [belanghebbende] op 26 augustus 2009 niet meer als bestuurder kunnen worden aangemerkt en zou hij niet bevoegd zijn geweest om de opgave te doen. Verweerster had de inschrijving dan moeten weigeren. Het bestreden besluit is tegenstrijdig.
Volgens appellante blijkt uit de door haar in bezwaar overgelegde correspondentie dat [belanghebbende] slechts heeft aangegeven per 1 april 2009 als voorzitter af te treden. Daaruit volgt volgens appellante niet dat ook zijn functie als bestuurslid per 1 april 2009 is geëindigd. Appellante heeft in dit verband tevens aangevoerd dat uit de door haar in bezwaar overgelegde stukken blijkt dat [belanghebbende] in de periode van 1 april 2009 tot
26 augustus 2009 nog bestuurshandelingen heeft verricht.

5 De beoordeling van het geschil

5.1

In dit geschil is aan de orde of verweerster bij het bestreden besluit op goede gronden de inschrijving van de uittreding van [belanghebbende] als voorzitter/bestuurslid van appellante met daarbij de vermelding dat de ingangsdatum van de uittreding 1 april 2009 is, heeft gehandhaafd. In dit verband overweegt het College als volgt.

5.2

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de statuten van appellante bestaat haar bestuur uit een door de raad van toezicht te bepalen aantal van maximaal drie leden. In artikel 7, tweede lid, van de statuten is bepaald dat het lidmaatschap van het bestuur (onder meer) eindigt bij vrijwillig aftreden. In geschil is met ingang van welke datum [belanghebbende] vrijwillig is afgetreden als bestuurslid van appellante.

5.3

Verweerster heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] bevoegd was tot het doen van de opgave. Immers, op grond van artikel 18, eerste lid, Hrw 2007, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van deze wet, is ieder der bestuurders van appellante bevoegd tot het doen van de opgave. Nu [belanghebbende] ten tijde van de ontvangst van het wijzigingsformulier was ingeschreven als voorzitter van appellante, was hij bevoegd tot het doen van opgave van zijn aftreden. Dat die opgave inhoudt dat [belanghebbende] reeds met ingang van 1 april 2009 zou zijn afgetreden doet niet af aan voormelde bevoegdheid.

5.4

Met betrekking tot de vraag of grond bestond voor gerede twijfel over de juistheid van de opgave van 1 april 2009 als datum van aftreden van [belanghebbende] als bestuurslid overweegt het College het volgende.
Door appellante is gewezen op diverse brieven ter onderbouwing van de stelling dat de bekendmaking van het aftreden eerst heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009 of in ieder geval ná 1 april 2009, terwijl [belanghebbende] heeft gewezen op diverse brieven ter onderbouwing van zijn stelling dat de registratie van de datum van 1 april 2009 wel juist is. In hoeverre de brief van [belanghebbende] van 14 maart 2009 reeds ertoe strekte af te treden als bestuurslid, kan in dit geding niet worden beoordeeld nu die brief door geen der partijen is overgelegd. Appellante heeft in bezwaar een brief van [belanghebbende] van 9 april 2009 overgelegd die gericht is aan bestuurslid Kavelaars. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“ (…) Vervolgens merk ik op dat ik tot en met heden evenmin enige begroting voor 2009 heb ontvangen, ondanks de toezegging op de laatste bestuursvergadering deze begroting ten spoedigste op te -laten- stellen (…) teneinde zowel de kwestie met de advertorials en de lening bij de ING/Postbank te kunnen bespreken en daaromtrent te kunnen besluiten.
Op grond van het ontbreken van een aangepaste begroting acht ik mij thans niet in staat enig besluit te nemen (…).

Voorts merk ik op dat ik evenmin tot en met heden een blauwdruk met betrekking tot de verbetering van de organisatie van het NIBA heb ontvangen. Immers de toezending van voormelde blauwdruk was toegezegd voor 10 april 2009 op de laatste bestuursvergadering (…)

Samenvattend naar aanleiding van het voorgaande merk ik op dat ik op dit moment helaas geen enkele reden zie een bestuursvergadering te houden wanneer niet aan de hand van de aangekondigde bescheiden op zich reeds enige beslissing kan worden genomen. (…)”

Het College is van oordeel dat de inhoud van de brief van 9 april 2009 er niet op wijst dat [belanghebbende] toen reeds zijn functie als bestuurslid had neergelegd.
Uit de (overgelegde passages van de) brief van [belanghebbende] van 17 april 2009 kan naar het oordeel van het College wel worden afgeleid dat [belanghebbende] met ingang van 17 april 2009 is afgetreden als voorzitter van appellante en daarmee tevens als bestuurslid. In deze brief, die is gericht aan het bestuur van het NIBA, staat onder meer vermeld:

" Na ampele overwegingen (…) heb ik besloten mijn functie als voorzitter van het NIBA per onmiddellijk ter beschikking te stellen.
Wel ben ik uiteraard bereid ter voorkoming van eventuele problemen noodzakelijke handelingen te verrichten ter instandhouding van het NIBA, waarbij ik thans reeds opmerk dat ik voor deze noodzakelijke handelingen geen verantwoordelijkheid meer neem."

Het College wijst in dit verband ook op de brief van [belanghebbende] aan verweerster van 9 februari 2010, waarin [belanghebbende] – in tegenstelling tot hetgeen hij in het wijzigingsformulier en in zijn brief van 21 januari 2010 aan verweerster heeft vermeld – aanvoert dat hij (eerst) op 17 april 2009 aan appellante heeft meegedeeld dat hij zijn functie als voorzitter “per onmiddellijk” ter beschikking heeft gesteld.
Aan de door appellante in bezwaar overgelegde brieven van [belanghebbende] van 5 en 22 juni 2009 inzake de ondertekening van een overeenkomst met de Sdu kan op zichzelf niet de conclusie worden verbonden dat [belanghebbende] na 17 april 2009 nog is aangebleven als bestuurslid. Deze brieven moeten worden geplaatst in het licht van de bereidheid van [belanghebbende] om ter voorkoming van problemen noodzakelijke handelingen te verrichten, onder het uitdrukkelijke beding dat hij daar geen verantwoordelijkheid meer voor wil dragen.
Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat op grond van de in bezwaar overgelegde stukken het ervoor moet worden gehouden dat [belanghebbende] vanaf 17 april 2009 is afgetreden als bestuurslid van appellante, zodat grond bestond voor gerede twijfel over de juistheid van de opgave. Verweerster heeft derhalve het tegen de uitschrijving van [belanghebbende] per 1 april 2009 gerichte bezwaar van appellante ten onrechte ongegrond verklaard. Het beroep is gegrond.

5.5

Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, sub b, Awb zelf in de zaak te voorzien in dier voege dat het besluit van 26 augustus 2009 wordt herroepen voor zover bij de uitschrijving van [belanghebbende] als bestuurslid van appellante als datum van aftreden de datum van 1 april 2009 is vermeld. Deze datum dient, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te worden gewijzigd in: 17 april 2009.

5.6

Het College ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerster in de proceskosten van appellante in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden vastgesteld op € 472,--. Daarbij is uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift tegen een waarde van € 472,-- en een gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

6 De beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 26 augustus 2009 voor zover daarbij is vermeld dat [belanghebbende] met ingang van 1 april 2009 is afgetreden als bestuurder van appellante en bepaalt dat deze datum wordt gewijzigd in 17 april 2009;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerster tot vergoeding van de door appellante in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 472,-- (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro);

  • -

    draagt verweerster op het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van
    € 298,-- (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) aan appellante te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken