Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:59

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
AWB 12/515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Collissie van rechtsplichten; tegenstrijdige belangen van verschillende overheidsorganen geen bijzondere omstandigheid

Wetsverwijzingen
Boswet 3
Boswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/270 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/515

11010

Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2013 in de zaak tussen

[A], appellant,

(gemachtigde: mr. F. Pitstra)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. de Groot-Valenteijn).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om ontheffing van de herplantplicht als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Boswet afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2013.

Gemachtigden van partijen zijn ter zitting verschenen. Voorts heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote.

Overwegingen

1.

Het College neemt de volgende, door partijen niet betwiste feiten, als vaststaand aan.

Appellant heeft op zijn perceel (kadastrale aanduiding A1363 en A1491), gelegen in
’s-Graveland (gemeente Wijdemeren) bomen gekapt. Na deze velling heeft hij bij brief van
30 augustus 2011 hiervan melding gedaan en daarbij om ontheffing van de herplantplicht, als bedoeld in de Boswet, verzocht. Op 29 september 2011 heeft appellant een daartoe strekkend aanvraagformulier ingediend.

2.

Verweerder heeft op basis van een advies van de Provincie Noord-Holland geen aanleiding gezien voor toewijzing van het verzoek om ontheffing. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet alleen in bijzondere gevallen ontheffing wordt verleend. Van een bijzonder geval is hier volgens verweerder geen sprake. Appellant heeft tot drie jaar na de velling de tijd om over te gaan tot herplanting. Aan deze plicht kan in dit geval worden voldaan door het veenbos weer op een natuurlijke wijze op te laten komen op de betreffende strook. De omvang van de herplantplicht heeft verweerder bepaald op 70 are. Omdat appellant niet vooraf, zoals hij dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Boswet had behoren te doen, heeft gemeld dat hij het voornemen had om een houtopstand te vellen heeft verweerder aan de hand van luchtfoto’s waarop het bos nog wel aanwezig was de oppervlakte van de houtkap en daarmee de omvang van de op appellant rustende herplantplicht moeten bepalen. Op grond daarvan heeft verweerder de lengte van de strook bepaald op ongeveer 500 meter en de breedte op 14 meter, waardoor de oppervlakte en daarmee de omvang van de herplantplicht uitkomt op 70 are (7000m2).

3.

Appellant heeft aangevoerd dat Waternet, een samenwerkingsverband waarin verschillende overheidsinstanties zich bezighouden met (onder meer) waterbeheer, hem op straffe van een boete heeft gesommeerd de sloten te schonen. Dat ging echter niet zonder de kap van de overhangende bomen. De gemeente Wijdemeren was hiervan op de hoogte en heeft hem er niet op geattendeerd dat op grond van de Boswet een melding voorafgaand aan de velling nodig was. Pas later werd duidelijk dat op grond van hogere regelgeving de bomen niet zomaar gekapt hadden mogen worden. Voor appellant is deze tegenstrijdigheid in hogere en lagere regelgeving onbegrijpelijk. Bovendien wordt hij hierdoor in een onmogelijke positie gebracht. Waternet wilde dat hij de bomen verwijderde en verweerder wil dat de bomen weer herrijzen. Appellant heeft voorts de omvang van de herplantplicht betwist. Bij zijn berekening is verweerder er volgens appellant ten onrechte vanuit gegaan dat niet alleen de houtopstand op de smalle strook langs de sloot is gekapt, maar ook dat is gekapt op een brede strook zonder houtopstand en enkel begroeid met gras. Verweerder heeft dat op de luchtfoto’s, die hij heeft gebruikt voor de berekening van de omvang van de herplantplicht, niet kunnen zien omdat die foto’s vanwege overhangende kruinen geen zicht geven op het daaronder liggende terrein. Een herplantplicht voor een strook van 70 are acht appellant dan ook niet juist. Voorts is ten gevolge van de opgelegde herplantplicht begrazing door schapen en koeien niet meer mogelijk. Daar komt nog bij dat Waternet hem in de toekomst opnieuw zal sommeren over te gaan tot het schonen van de sloten met alle gevolgen van dien voor de alsdan herrezen bomen.

4.

Het College neemt in de eerste plaats het volgende in aanmerking.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Boswet is de eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning is geveld of op andere wijze teniet is gegaan, verplicht om binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

De herplantplicht uit artikel 3, eerste lid, van de Boswet is ingevolge artikel 1, vierde lid, onder b, van de Boswet, voorzover thans van belang, niet van toepassing op andere houtopstanden dan op erven en in tuinen binnen een bebouwde kom als bedoeld in het vijfde lid. Op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Boswet stelt de gemeenteraad de grenzen van de bebouwde kom vast.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet kan de Minister in bijzondere gevallen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen.

5.

Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel waarop appellant bomen heeft gekapt buiten de bebouwde kom van de gemeente Wijdemeren, zoals die voor de toepassing van de Boswet is vastgesteld, ligt. Dat betekent dat de Boswet hier van toepassing is. Voorts is niet in geschil dat een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld. Op appellant, als eigenaar van de grond, rust dan ook op grond van artikel 3, eerste lid, van de Boswet een herplantplicht. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder tot ontheffing van de herplantplicht over had moeten gaan is niet gebleken. Dat in dit geval kennelijk sprake is van conflicterende belangen tussen verschillende overheden levert, hoe verwarrend dat voor appellant op zich zelf ook is, naar het oordeel van het College niet een zodanige bijzondere omstandigheid op. Het door appellant op dit punt ontwikkelde betoog slaagt derhalve niet. Het College tekent daarbij ter voorlichting van appellant nog aan dat voor zover hij zich heeft beklaagd over het optreden van andere overheidsorganen dan verweerder, dat onderdeel van diens betoog buiten beschouwing is gelaten, aangezien het College in de onderhavige procedure slechts bevoegd is te oordelen over een beroep dat zich richt tegen het besluit van verweerder.

6.

Het College overweegt voorts als volgt. Verweerder heeft zich bij het bepalen van de breedte van de oppervlakte van de strook waarvoor een herplantplicht geldt gebaseerd op luchtfoto’s. Appellant heeft naar het oordeel van het College terecht gesteld dat deze foto’s vanwege de overhangende kruinen te onduidelijk zijn. Op grond van de gedingstukken, de ter zitting getoonde kaarten, foto’s en schetsen stelt het College vast dat de breedte van de te herbeplanten strook niet had moeten worden bepaald op 14 maar op 8 meter. De lengte van 500 meter is wel correct. Dat heeft tot gevolg dat de totale oppervlakte waarop de herplantplicht betrekking heeft niet 70, maar 40 are (4000m2) bedraagt.

7.

Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de oppervlakte van de herplantplicht wordt bepaald op 40 are (4000m2). Dat betekent dat appellant op deze strook van 40 are het veenbos weer op een natuurlijke wijze moet laten opkomen en, met het oog daarop, dus niet mag laten begrazen.

8.

Ten overvloede wijst het College appellant erop dat hij, indien hij de herplantplicht elders dan ter plaatse van de velling zou willen uitvoeren(“compensatie” ), verweerder daartoe om toestemming kan verzoeken, waarop verweerder op grond van artikel 3, eerste lid van de Boswet in samenhang met het Besluit herbeplanting artikel 3 Boswet moet beslissen. In de onderhavige procedure is dit punt niet aan de orde.



9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,- ( 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 13 april 2012;

  • -

    herroept het primaire besluit van 13 december 2011, stelt de op appellant rustende herplantplicht vast op 40 are (vierduizend vierkante meter) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,- te betalen aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. H.S.J. Albers in aanwezigheid van mr. N.W.A. Verrijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2013.

w.g. R.R. Winter w.g. N.W.A. Verrijt