Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:346

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 12/776
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/776

4000

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2013 in de zaak tussen

Tomorrow’s Tulips B.V. , te Aalsmeer,

appellante

(gemachtigde: mr. S.P. Koerselman),

en

het Productschap Tuinbouw,

verweerder

(gemachtigde: mr. R. van Agteren).

Procesverloop

Bij besluiten van 6 april 2007 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om restitutie van vakheffing van appellante van 5 januari 2004 afgewezen.

Bij (gewijzigd) besluit van 25 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep heeft het College bij uitspraak van 1 februari 2012 gegrond verklaard.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluiten) het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft voor de handel in bloembollen in een hier aan de orde zijnde periode gebruik gemaakt van de veiling van SBC. Op 3 december 2003 is het faillissement uitgesproken van SBC en van de Stichting Derdengelden SBC te Lisse (hierna: de Stichting Derdengelden). Laatstgenoemde Stichting was ingevolge het SBC-reglement belast met de financiële administratie en afhandeling van de betalingen van kopers en verkopers van bloembollen die gebruik maakten van de diensten van SBC. De Stichting hield op de betalingen, op basis van een overeenkomst van SBC en verweerder met ingang van 1 juni 2003 de heffingen in die kopers en verkopers van bloembollen op grond van verscheidene Verordeningen verschuldigd waren.

1.2

Appellante heeft verweerder verzocht om restitutie van vakheffing op grond van artikel 13 van Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 (Verordening plantgoed) en artikel 14 van Verordening vakheffing PT bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 (Verordening leverbaar). Bij besluit van 6 april 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen en het bezwaar tegen deze afwijzing heeft verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft – samengevat – aan de afwijzingen van de restitutieverzoeken ten grondslag gelegd dat hij niet gehouden was de vakheffing te restitueren nu hij de vakheffing wegens het faillissement van SBC niet daadwerkelijk had ontvangen. In dat verband heeft verweerder als zijn standpunt te kennen gegeven dat hij pas na ontvangst van betalingen gehouden is tot restitutie.

1.3

De afwijzing van het restitutieverzoek op bovengenoemde grond heeft in rechte geen stand gehouden. Het tegen dat besluit gericht beroep heeft het College bij uitspraak van 1 februari 2012 gegrond verklaard (www.rechtspraak.nl, LJN: BV3425). Het College heeft in de uitspraak – kort gezegd – geoordeeld dat verweerder zich bij de afwijzing van het verzoek om restitutie niet kon beroepen op de omstandigheid dat hij de ingehouden heffing niet heeft ontvangen en dat aldus de heffing niet zou zijn voldaan. Daarbij heeft het College het volgende in aanmerking genomen:

" Verweerder heeft met de veiling SBC in mei 2003 een overeenkomst “betreffende incasso en afdracht vakheffing bloembollen” gesloten waarin (onder meer) de termijn waarop door SBC doorbetalingen plaatsvinden nader is bepaald. In die overeenkomst is bepaald dat SBC het bedrag van de te incasseren heffingen met ingang van de betaaldatum binnen twee maanden na die betaaldatum moet voldoen. Deze bepaling in de overeenkomst staat op gespannen voet met de bepaling in de Verordeningen waaruit volgt dat de veiling het geïncasseerde heffingsbedrag onverwijld doorbetaalt aan verweerder. Verweerder heeft met het sluiten van deze overeenkomst een dermate groot betalingsrisico genomen dat dit, anders dan verweerder bepleit, niet mag worden afgewenteld op ondernemingen die correct vakheffing hebben afgedragen aan de veiling. Daarbij heeft het College van belang geacht dat de overeenkomst zoals die is gesloten tussen verweerder en SBC afspraken bevat waarop door de via de veiling handelende ondernemingen geen enkele invloed kon worden uitgeoefend. (…) Onder deze omstandigheden heeft de inhouding van vakheffing door SBC bij appellante te gelden als het moment waarop appellante de verschuldigde vakheffing heeft voldaan als bedoeld in de restitutiebepalingen. "

1.4

Na een hoorzitting heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante (deels) geen recht heeft op restitutie van de vakheffing. Daaraan heeft verweerder onder meer ten grondslag gelegd dat transacties waarvan niet is aangetoond dat de aankopen plaats hebben gevonden in hetzelfde seizoen als de verkopen, ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Verordening leverbaar en artikel 13 van de Verordening plantgoed, niet voor restitutie in aanmerking komen. Het gaat om transacties voor een bedrag van €22.433.438,45, waarbij de bloembollen niet in hetzelfde seizoen zijn aangekocht. Het betreft verkopen van eigen teelt, waarover geen vakheffing wordt afgedragen en waarvoor dus ook geen recht op restitutie bestaat op grond van de verordeningen.

2.2

Appellante bestrijdt dat voor de verkochte bloembollen geen aankopen zijn gedaan in hetzelfde seizoen. Dat dit wel het geval is heeft appellante bij de aanvraag aangetoond. Bij de aanvraag waren lijsten gevoegd waarop de verkopen naast de aankopen zijn gezet, op transactieniveau, per transactie gespecificeerd met koopbriefnummer/verkoopbriefnummer. Alle relevante gegevens zijn overgelegd. Verweerder heeft echter de door appellante overgelegde gegevens niet betrokken bij het bestreden besluit en heeft niet op transactie-niveau inzichtelijk gemaakt welke gegevens niet zouden matchen of ontbreken, zodat zij daarop ook niet heeft kunnen reageren.

3.

Het College overweegt het volgende.

3.1

In de uitspraak van 4 april 2013, met LJN nummer: CA1505, heeft het College geoordeeld over soortgelijke beroepen als hier aan de orde. Het College heeft bij de beoordeling voorop gesteld, zoals onder verwijzing naar die uitspraak ook hier wordt gedaan, dat niet kan worden gezegd dat verweerder, gelet op de eerdere uitspraak van in dit geval 1 februari 2012, geen ruimte meer had om de restitutieverzoeken af te wijzen. Het College heeft in de uitspraak van 1 februari 2012 vastgesteld dat voldoende is komen vast te staan dat (per saldo) koopsommen van doorverkochte bloembollen door SBC zijn uitbetaald en dat daarbij inhouding heeft plaatsgevonden van door appellante over die in- en/of verkopen verschuldigde vakheffing, zodat hierin geen reden was gelegen was om de aanvraag af te wijzen. De aanwezigheid van andere factoren op grond waarvan in een individueel geval desondanks een recht op restitutie van vakheffing ontzegd kan worden, is niet onderzocht, nu deze vraag gelet op het - toen - voorliggende geschil niet voor lag. De eerdere uitspraak liet dus op zich ruimte aan verweerder om (alsnog) tot een beoordeling van het recht op restitutie in het individuele geval over te gaan.

3.2

Ten aanzien van de afwijzingsgrond dat aangekochte bloembollen (plantgoed of leverbaar) niet aantoonbaar in hetzelfde verkoopseizoen zijn doorverkocht, is tussen partijen op zich niet in geschil dat als dit het geval is er geen recht bestaat op restitutie. Wel in geschil is of het besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en berust op een voldoende motivering. Dat is niet het geval. Verweerder heeft een lijst met transacties opgesteld met transacties waarvan volgens hem (onder meer) gezegd moet worden dat niet blijkt dat de aan- en verkoop in hetzelfde seizoen heeft plaatsgevonden. In bezwaar is hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder vervolgens volstaan met de mededeling dat (onder meer) niet is voldaan aan de voorwaarde dat verkopen en aankopen in hetzelfde seizoen moeten hebben plaatsgevonden. In het verweerschrift wordt daaraan toegevoegd dat sprake zou zijn van transacties die de verkoop van eigen teelt betreffen waarover geen vakheffing wordt afgedragen. Vooropgesteld moet worden dat dit argument voor het eerst in beroep aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, appellante niet in de gelegenheid is gesteld in bezwaar zich hierover uit te laten en niet blijkt op grond van welke stukken verweerder tot die conclusie is gekomen. Daarbij komt dat in het bestreden besluit niet specifiek wordt ingegaan op de bij de aanvraag overgelegde stukken waarnaar appellante in bezwaar heeft verwezen. Hieruit volgt dat verweerder niet voldoende gemotiveerd heeft ten aanzien van welke specifieke transacties op grond van welke - door appellante bij de aanvraag overgelegde - stukken de conclusie moet worden getrokken dat geen sprake is van aan- en verkoop in hetzelfde seizoen. Verweerder zal dit alsnog moeten doen alsmede appellante in de gelegenheid stellen zich te verweren tegen de stelling dat het verkopen van eigen teelt betreffen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in zoverre het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).

3.3

Het College ziet aanleiding om, alvorens over te gaan tot een (eind)beoordeling van het beroep van appellante, waarbij op alle beroepsgronden zal worden ingegaan, met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en de artikelen 8:80a en 8:80b van de Awb, verweerder op te dragen het in 3.2 gesignaleerde gebrek te herstellen en op dit punt een nieuw besluit te nemen binnen een termijn van vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Beslissing

Het College draagt verweerder op voor 21 december 2013 het gebrek in het besluit van 19 juni 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen het College heeft overwogen in 3.2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2013.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk