Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:345

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
AWB 12/114 AWB 12/482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/114 en 12/482

27000

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2013 in de zaak tussen

Infram B.V., te Marknesse, appellante

(gemachtigde: dr. J.G.M. van Miltenburg)

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J. Lam-Tjabbes).

Procesverloop

12 114

Bij besluit van 11 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag WBSO van appellante voor het project “X09: Inschatting opbrengst tolsysteem” voor de periode 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 20 januari 2012 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De gronden van beroep heeft appellante op 20 februari 2012 ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 23 maart 2012 een verweerschrift ingediend.

12 482

Bij besluit van 25 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerde de aanvraag WBSO van appellante voor het project “X09: Inschatting opbrengst tolsysteem” (hierna: X09) voor de periode 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 14 mei 2012 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep heeft appellante op 12 juni 2012 ingediend.

Verweerder heeft op 13 juli 2012 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 4 juli 2013.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellante is voorts verschenen [naam 1] en [naam 2].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is voorts verschenen drs. J.W. Hiddink.

Overwegingen

1.

Appellante heeft op respectievelijk 30 november 2010 en 30 mei 2011 een vormvrije aanvraag voor een S&O-verklaring ingediend.

Op 2 november 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het kader van het bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van de S&O-verklaring voor het project X09 voor de periode 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011.

Op 9 december 2011 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft appellant op 19 december 2011 laten weten dat gelet op deze ongegrondverklaring hij ook voornemens is de aanvraag voor de tweede periode af te wijzen. Verweerder heeft appellante in de gelegenheid gesteld actuele(re) aanvullende informatie te verstrekken.
Appellante heeft op 22 december 2011 van deze gelegenheid gebruikt gemaakt. Op 25 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag voor wat betreft project X09 afgewezen. Bij de behandeling van het bezwaar gericht is van horen afgezien door appellante.

2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het project niet aangemerkt kan worden als speur- en ontwikkelingswerk. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dat project sprake is van technisch wetenschappelijk onderzoek. Uit de project-omschrijving alsmede uit de nadere toelichting komt naar voren dat de kern van het onderzoek het menselijk gedrag is; het onderzoek richt zich erop wanneer mensen kiezen voor een tolweg en het in kaart brengen daarvan. De hoogte van de in te voeren tol is van groot belang bij het onderhavige project. De prijs van de tol is onlosmakelijk verbonden met de keuzes die automobilisten maken met betrekking tot de door hen geprefereerde verkeersroute.

3.

Appellante voert aan dat het project aan de definitie voor technisch wetenschappelijk onderzoek voldoet. Het onderzoek is niet gericht op het verklaren van menselijk gedrag. De kern van het onderzoek is gericht op het begrijpen van effecten van een dynamische tolheffing in een verkeerssysteem, waarbij gezocht wordt naar de variabelen die daarbij mogelijk van belang zijn en naar de relaties tussen deze variabelen. Dat naast factoren als onderliggend wegennet, actuele verkeersbelasting, weersomstandigheden, tijdstip etc óók de factor menselijk gedrag meespeelt, doet niet af aan het technisch karakter van het onderzoek.

4.

Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht de afwijzing van de aanvraag in bezwaar heeft gehandhaafd.

Ter zitting is door appellante nader uiteengezet hoe het project tot stand is gekomen en welke werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarbij is verduidelijkt dat ten aanzien van de bestudering van het menselijk gedrag nadrukkelijk geen onderzoek is verricht. Appellante heeft aangevoerd dat gewerkt is – en zij heeft moeten werken – met een bestaand model van Rijkswaterstaat en dat daarmee de keuzes van consumenten een gegeven was waar appellante van uit is gegaan bij het onderzoek. Appellante heeft een toelichting gegeven op het technisch wetenschappelijk karakter van het onderzoek. Voorts heeft appellante onder meer betoogd dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat onderzoek gericht moet zijn op een verklaring van een verschijnsel.
Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat het onderzoek gericht is op het menselijk gedrag en de keuzes die automobilisten maken voor het al dan niet gebruiken van een tolweg. Verweerder heeft miskend dat appellante hier geen onderzoek naar heeft kunnen doen nu appellante in het onderzoek uit heeft moeten gaan van de module van Rijkswaterstaat.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de weg van de aanvrager ligt om alle relevante informatie bij de aanvraag kenbaar te maken. Bij de aanvraag S&O-verklaring gaat het om de beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden die vooraf worden beoordeeld. Het project van appellante is beoordeeld aan de hand van het ingediende project-voorstel en de toelichtingen daarop in de bezwaarfases. Verweerder heeft in beide procedures voornemens geuit om de aanvraag af te wijzen en appellante in de gelegenheid gesteld met aanvullende informatie te komen. Dat gebruik is gemaakt van een bestaand model van Rijkswaterstaat is eerst ter zitting bij het College naar voren gebracht. In de projectomschrijving is hieromtrent niets opgenomen en heeft appellante – in de visie van verweerder – juist de nadruk gelegd op de factor menselijk gedrag.
Naar aanleiding van de informatie ter zitting heeft verweerder verklaard – achteraf – geen oordeel te kunnen geven over hoe de aanvraag zou zijn beoordeeld als deze informatie in een eerder stadium zou zijn gegeven.

Het College oordeelt als volgt.

Met verweerder is het College van oordeel dat het op de weg van de aanvrager ligt om bij de aanvraag het project zo duidelijk mogelijk te omschrijven. Uit de stukken in het dossier blijkt dat zowel bij de aanvraag als in de bezwaarfase van beide procedures in de presentatie van het project de nadruk heeft gelegen op de factor menselijk gedrag. De keuzes van de automobilist bij verschillende variabelen heeft een prominente rol gespeeld in de projectbeschrijving. De afwijzing van verweerder op grond hiervan komt het College niet onjuist voor.
Nadat verweerder in het eerste primaire besluit de aanvraag heeft afgewezen waarbij het appellante duidelijk kon zijn dat verweerder het onderzoek naar de factor menselijk gedrag leidend achtte, heeft appellante in bezwaar en voorts bij de aanvraag alsmede ten tijde van de bezwaarprocedure van de tweede periode ruimschoots de mogelijkheid gehad om de opzet van het project, zoals ter zitting van het College toegelicht, uiteen te zetten.
Nu appellante dit heeft nagelaten en eerst in het laatste stadium van de procedure meer duidelijkheid heeft gegeven kan het beroep niet slagen.

5.

Het beroep is ongegrond.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.C. Bannink