Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:34

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
AWB 12/556
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Dubbelclaim

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2013-07-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/556

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.E.B. Haazen en mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 1 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien nader gereageerd op elkaars standpunten.

Het onderzoek ter zitting op 16 november 2012 is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen onderzoek te verrichten naar de gemaakte afspraken over het door appellant voor bedrijfstoeslag opgegeven perceel 4 en het gebruik hiervan. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend. Op
6 februari 2013 is het onderzoek ter zitting voortgezet, waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Appellant heeft om uitbetaling van toeslagrechten gevraagd, waarbij hij onder meer de oppervlakte van perceel 4 heeft opgegeven. Dit perceel is door de verpachter op 20 mei 2011 verkocht aan een derde. Deze derde heeft het perceel zelf ook opgegeven voor de uitbetaling van zijn bedrijfstoeslag voor het jaar 2011.

2.

In geschil is of perceel 4 op de peildatum 15 mei 2011 tot appellants bedrijf behoorde.

3.

Appellant stelt dat perceel 4 op de peildatum tot zijn bedrijf behoorde. Hij beschikte tot
1 november 2010 over een schriftelijke pachtovereenkomst voor het perceel in de vorm van een door de Grondkamer goedgekeurd zesjarig pachtcontract. Met ingang van 1 november tot 20 mei 2011 – de datum van de overdracht van het perceel aan de opvolgend eigenaar – had appellant een gebruiksrecht op grond van een mondelinge overeenkomst met de toenmalige verpachter, [B]. Deze mondelinge overeenkomst leverde een geldige gebruikstitel op de peildatum. Het bestaan hiervan is aangetoond doordat [B] deze afspraak op 4 januari 2013 schriftelijk heeft bevestigd en dit stuk door appellant is overgelegd in deze procedure. Appellant stelt dat hij het perceel bovendien in gebruik had op de peildatum. Hij heeft eind 2010 door de loonwerker wintertarwe laten inzaaien en in maart 2011 gerst. Dit is gebeurd voor rekening en risico van appellant. De overdracht van het perceel door de verpachter aan de koper heeft plaatsgevonden na de peildatum en na het indienen van de Gecombineerde opgave 2011 door appellant op 25 april 2011.

4.

Verweerder betoogt dat perceel 4 niet tot het bedrijf van appellant behoorde. In de eerste plaats beschikte appellant niet over een geldige gebruikstitel op de peildatum. De pachtovereenkomst voor dit perceel eindigde op 1 november 2010. Dat vervolgens een mondelinge pachtovereenkomst tot stand is gekomen tussen de verpachter en appellant heeft appellant niet aangetoond. De door appellant overgelegde verklaring van [B] acht verweerder hiervoor onvoldoende. Daarnaast stelt verweerder dat appellant niet het feitelijk gebruik had van het perceel in 2011. In de bezwaarprocedure en reeds daarvoor heeft appellant steeds aangegeven dat hij de grond niet meer in gebruik had. Verweerder verwijst hiervoor naar de overgelegde notitie van het telefoongesprek van 20 juli 2011. Tevens heeft de koper van het perceel verklaard dat hij het perceel reeds in april 2011 is gaan bewerken, zoals verweerder is gebleken uit het door de koper overgelegde overzicht van toegepaste middelen en bemestingsactiviteiten van vóór 15 mei 2011.

5.

Voor de uitbetaling van de bedrijfstoeslag vereist artikel 35, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 dat perceel 4 op 15 mei 2011 tot het bedrijf van appellant behoort. In navolging van het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010 (C-61/09, Landkreis Bad Dürkheim) heeft het College in eerdere uitspraken (van 6 juli 2012, LJN: BX4913, en 18 oktober 2012, LJN: BY1553) geoordeeld dat voor de vraag of percelen tot het bedrijf van een landbouwer behoren, beslissend is of de landbouwer over een gebruikstitel beschikt die hem de bevoegdheid verleent om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten te gebruiken, en of de landbouwer de percelen ook feitelijk daarvoor heeft gebruikt.

6.

Naar het oordeel van het College heeft appellant met de door hem overgelegde verklaring van de verpachter de gebruikstitel op de peildatum voor perceel 4 aangetoond. De verpachter heeft hierin immers bevestigd dat appellant het perceel tot de datum van de notariële overdracht, te weten 20 mei 2011, mocht gebruiken. Het College ziet geen reden voor twijfel aan dit bewijs. Nu de overdracht later plaatsvond, staat vast dat appellant op 15 mei 2011 een gebruikstitel had ten aanzien van het betreffende perceel. Het College stelt voorts vast dat appellant het perceel in gebruik had, aangezien een loonwerker in maart 2011 voor rekening van appellant het perceel heeft ingezaaid. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de koper die verweerder heeft overgelegd, en door de vergoeding die appellant en de koper hiervoor zijn overeengekomen bij de overdracht. Dat de koper ook
werkzaamheden heeft verricht op het perceel, zoals verweerder stelt, doet hieraan niet af, omdat dit de werkzaamheden van appellant op het perceel niet uitsluit. Het voorgaande betekent dat, anders dan verweerder heeft aangenomen, perceel 4 op 15 mei 2011 tot appellants bedrijf behoorde.

7.

De conclusie is dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College zal in dit geval niet zelf in de zaak voorzien, omdat de bedrijfstoeslag van appellant dient te worden herberekend. Verweerder dient daarom met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld