Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:334

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
AWB 11/572
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BT2061
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

bestuurlijke boete, overtreding Meststoffenwet, compost is een meststof, verwijtbaarheid, redelijke termijn

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet, geldigheid: 2014-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/572

16005

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 op het hoger beroep van:

[naam],

te [woonplaats], appellant,


tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2011 (AWB 10/729, www.rechtspraak.nl, LJN: BT2061) in het geding tussen appellant


en

de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris)

gemachtigde van appellant: mr. W.P.N. Remie

gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 20 juli 2011 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2011 (de aangevallen uitspraak).

Bij brief van 20 oktober 2011 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Bij brief van 6 september 2013 heeft appellant een nader stuk ingediend.

Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en appellant zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld bij[bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) en [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat door [bedrijfsnaam 1] op 28 en 29 december 2006 en in de periode van 2 januari 2007 tot en met 15 januari 2007in totaal 161 vrachten compost afgeleverd zouden zijn aan appellant. De AID is vervolgens op 5 augustus 2008 een onderzoek gestart naar appellant. In een afdoeningsrapport van 3 november 2008 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. In dat rapport is ook informatie opgenomen over overige aan- en afvoer van mest, mestproductie en uit opslag gekomen meststoffen. Op basis van dat rapport heeft de staatssecretaris aan appellant bij primair besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 56.188,-- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 5.108 kg. Dat de afgeleverde vrachten compost bevatten is gebaseerd op gegevens van [bedrijfsnaam 1], met name op door haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen en gegevens van vervoerders en compost producerende ondernemingen. Voor de 27 vrachten aangevoerd in december stond appellant als afnemer vermeld, en voor 134 vrachten [bedrijfsnaam 2]. Op de verkoopbevestigingen stond de naam van appellant als koper van alle vrachten. Als losplaats stond [woonplaats] vermeld. Voor alle 161 vrachten stond appellant geregistreerd als gebruiker in de administratie van [bedrijfsnaam 1]. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellant zelf ten grondslag gelegd, zoals doorslagen van 27 afleveringsbewijzen, door appellant ondertekende verkoopbevestigingen voor 1500 en 500 ton compost van [bedrijfsnaam 1] aan appellant, voor € 0,-- per ton, een ‘overeenkomst grondverbetering project [naam]’ tussen [bedrijfsnaam 1], [bedrijfsnaam 2] en appellant (door appellant niet ondertekend) en drie facturen van loon en grondwerkbedrijf [bedrijfsnaam 3] voor de verspreiding van compost (in januari 2007, augustus 2007 en september 2007). In het rapport zijn verder verklaringen van appellant en van de directeuren van [bedrijfsnaam 1] opgenomen. Zo heeft appellant bevestigd dat [bedrijfsnaam 1] een grondverbeteringsproduct heeft aangevoerd in december 2006 en in januari 2007 en heeft appellant verklaard het aangevoerde product in 2007 door [bedrijfsnaam 3] op zijn land te hebben laten verspreiden.

1.2

Het bezwaar van appellant is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 19 juli 2010. De staatssecretaris heeft het besluit herzien door uit te gaan van de maximale boete van € 45.000,-- die aan een natuurlijke persoon kan worden opgelegd, welk bedrag is gematigd met 25% wegens bijzondere omstandigheden en nog eens met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn. De uiteindelijk bij besluit van 19 juli 2010 opgelegde boete bedraagt € 30.375,--.

De uitspraak van de rechtbank

2.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, voor zover het de hoogte van de bestuurlijke boete betreft, heeft het besluit in zoverre vernietigd en de boete vastgesteld op
€ 20.250,--. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de bijzondere omstandigheden in dit geval sprake is van een verminderde verwijtbaarheid van appellant die aanleiding geven de boete met 50% in plaats van 25% te matigen. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder rechtsoverweging 11 van de aangevallen uitspraak.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1 Artikel IV, eerste lid, van de wet van 25 juni 2009 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Staatsblad 2009, 265) bepaalt dat, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu de gestelde overtredingen voor 1 juli 2009 heeft plaatsgevonden, is het recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 juli 2009.

3.2 Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang:

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw wordt verstaan onder

meststoffen: dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn bestemd om:

1°. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten;

2°. te worden gebruikt als groeimedium;

3°. te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet reeds zijn begrepen onder 1° of 2°.

Ingevolge artikel 7 van de Msw is het verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.

In artikel 8 van de Msw is bepaald dat het in artikel 7 gestelde verbod niet geldt indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt:
(…)

c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen.

In artikel 12 Msw is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onderdeel c, de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen wordt bepaald door bij elkaar op te tellen de in het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde en per saldo uit opslag gekomen hoeveelheden meststoffen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheid meststoffen. De hoeveelheden worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat.

In artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a van de Msw is voor zover hier van belang, bepaald dat onder overtreding wordt verstaan een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 7.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Msw (oud) kan de Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Ingevolge artikel 52 van de Msw (oud) legt de Minister geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Ingevolge Artikel 57, eerste lid aanhef en onder c, van de Msw bedraagt de bestuurlijke boete ingeval van overtreding van artikel 7 € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is overschreden.

In artikel 59 van de Msw (oud) is bepaald dat de Minister een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de overeenkomstig artikel 57 of 58 vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Ingevolge artikel 1, onder h, van het Uitvoeringsbesluit Msw (oud) wordt in de Besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder compost: product dat bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die al dan niet met bodembestanddelen zijn gemengd en die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een homogeen en zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt en dat niet mede bestaat uit dierlijke meststoffen.

3.3 Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats betwist dat hij de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden. Het door [bedrijfsnaam 1] aangevoerde product was geen compost, maar een organisch product voor grondverbetering dat geen meststof in de zin van de Msw is. Het bewijs dat het geleverde product compost is, is ontoereikend, nu dit enkel afkomstig is van een verdachte verkoper. Aan de afleveringsbewijzen kan geen grote waarde worden gehecht, nu de verkoper er zelf belang bij had stikstof en fosfaat over te dragen. Appellant heeft deze afleveringsbewijzen nooit ter ondertekening voorgelegd gekregen. Ook is niet bewezen dat het geleverde product daadwerkelijk op de percelen van appellant is aangewend. Het is bovendien onduidelijk op basis waarvan het fosfaatgehalte van het geleverde product is vastgesteld. Voorts is in 2006 aangevoerde mest ten onrechte aangemerkt als te zijn aangewend in 2007.

3.4 Het hoger beroep stelt in de eerste plaats aan orde of is komen vast te staan dat appellant het verbod van artikel 7 van de Msw om op zijn bedrijf meststoffen in of op de bodem te brengen, heeft overtreden. Het College overweegt hierover als volgt.

In het midden kan blijven of het aan appellant geleverde product compost is. Immers, ook indien het zoals appellant stelt een organisch product voor grondverbetering is, moet het worden aangemerkt als een product dat is bestemd om te worden toegevoegd aan grond en bestaat uit stoffen die als zodanig kunnen dienen om grond beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten. Daarmee kwalificeert het product, ongeacht de benaming, als een meststof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw.

Uit het afdoeningrapport, op grond waarvan de staatsecretaris tot de conclusie is gekomen dat artikel 7 van de Msw is overtreden, blijkt dat de bescheiden en bestanden afkomstig uit de administratie van [bedrijfsnaam 1], zoals de mestafleveringsbewijzen, gecontroleerd zijn aan de hand van de gegevens die bekend waren bij Dienst Regelingen. Dat betreft ook gegevens van vervoerders en compost producerende ondernemingen. Die gegevens, waaruit naar voren komt dat compost aan appellant is geleverd, blijken met elkaar te corresponderen. Ook zijn de administratie van appellant, waaronder verkoopbevestigingen en de facturen van een loonwerker voor de verspreiding van compost op de grond van appellant bij het bewijs betrokken, alsmede verklaringen van appellant zelf waarin hij de levering van het product door [bedrijfsnaam 1] en de verspreiding ervan op zijn land heeft bevestigd. Uit een en ander blijkt genoegzaam dat appellant de compost op of in de bodem heeft gebracht. Dat het bewijs van de overtreding alleen afkomstig is van [bedrijfsnaam 1], is gelet op het bovenstaande onjuist.

Het fosfaatgehalte van de door appellant gebruikte compost, met name van belang voor de vraag of de gebruiksnorm van artikel 8, onder c, van de Msw is overschreden, is gebaseerd op bemonsteringen en analyses van de compost producerende ondernemingen die de compost aan [bedrijfsnaam 1] hebben geleverd, zoals door de staatssecretaris in het besluit van 19 juli 2010, met verwijzing naar het afdoeningsrapport, is uiteengezet. Nu het product niet vermengd is en er geen andere aanwijzingen zijn dat er iets aan het product gewijzigd is bij doorlevering aan appellant, is er geen reden te oordelen dat het fosfaatgehalte van het aan appellant geleverde product niet op basis van die analyses en bemonsteringen kon worden vastgesteld. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van de bemonsteringen en analyses. Zoals het College al eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 april 2012, ECLI:NL:CBB: 2012:BW3286; uitspraak van 11 oktober 2013, ECLI:NL:CBB:2013:193), ligt de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. Laatstgenoemde zal, om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod in zijn geval (“strafuitsluitingsgrond”) te kunnen doen, aannemelijk moeten maken dat de gebruiksnormen niet door hem zijn overschreden. Dat kan door aan de verplichting te voldoen bepaalde gegevens over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren. Niet in geschil is dat appellant de door [bedrijfsnaam 1] geleverde compost niet in de meststoffenboekhouding heeft opgenomen. Dat kan ook door alternatieve gegevens en bepalingswijzen die voldoende onderbouwd en betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen. Die heeft appellant niet geleverd. De door appellant bij brief van 6 september 2013 ingebrachte rapporten met de resultaten van op verzoek van appellant uitgevoerde bemestingsonderzoeken van 27 september 2004 en 20 juli 2011, waaruit volgens appellant blijkt dat er voor zijn percelen geen sprake is van een hoge (c.q. verhoogde) aanwezigheid van uitgespoeld fosfaat, zijn niet geschikt om de gegevens van de compost producerende ondernemingen te weerleggen. De rapporten zeggen immers niets over aan- en afvoer van meststoffen op het bedrijf van appellant. Bovendien zijn er, zoals appellant heeft bevestigd, veel factoren van invloed op de verschillende stoffen die zich in de bodem bevinden, zodat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat het fosfaatgehalte van de in 2007 aangeleverde en door appellant aangewende compost lager was.

De stelling van appellant dat de mest aangevoerd in 2006, ten onrechte is meegeteld als beginvoorraad in 2007, kan niet worden gevolgd gelet op de verklaringen van appellant (pagina 13 en 14 van het afdoeningsrapport) dat hij de in 2006 aangevoerde hoeveelheid compost in voorraad heeft gehouden voor gebruik in 2007.

Het College komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat de staatssecretaris met het samenstel van documenten en verklaringen zoals in het afdoeningsrapport van de AID gepresenteerd – weergegeven onder 1.1 van deze uitspraak – heeft aangetoond dat appellant artikel 7 van de Msw heeft overtreden. Het College bevestigt dan ook op het punt van het bewijs de uitspraak van de rechtbank.

3.5 Appellant voert aan dat hem geen enkel verwijt valt te maken. Hij ging er van uit dat het product geen compost was op grond van de informatie en toezeggingen van [bedrijfsnaam 1]. Bovendien had hij [bedrijfsnaam 1] duidelijk gemaakt dat hij geen meststoffen wilde afnemen. Appellant behoefde geen argwaan te hebben, gelet op de positie van [bedrijfsnaam 1], haar nauwe banden met Dienst Regelingen, de verwijzingen naar projecten waar volgens [bedrijfsnaam 1] het product met goedkeuring van Dienst Regelingen was gebruikt en de vele landbouwers die het product afnamen. Dat appellant geen afleveringsbewijzen heeft ontvangen was voor hem juist een bevestiging dat het niet om meststoffen ging. Misleiding en dwaling staan daarom aan boeteoplegging in de weg.

Het College is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de afname van producten die op of in de bodem worden gebracht appellant een eigen verantwoordelijkheid heeft. Niet met vrucht kan worden gezegd dat bij een grondverbeteringsproduct geen rekening hoeft te worden gehouden met de reële mogelijkheid dat het product kwalificeert als “meststof” in de zin van de Msw. Van appellant had verwacht mogen worden dat hij zich er van had vergewist wat de samenstelling van het product was. Nu appellant niets heeft onderzocht, geen navraag heeft gedaan en geen bewijzen heeft gevraagd kan niet worden volgehouden dat hem in het geheel geen verwijt gemaakt kan worden, als bedoeld in artikel 52 van de Msw. De staatssecretaris heeft dan ook terecht een boete opgelegd wegens het overtreden van artikel 7 van de Msw.

3.6 Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de boete op grond van artikel 59 van de Msw wegens bijzondere omstandigheden gematigd had moeten worden tot nul dan wel tot niet meer dan een symbolisch bedrag. Daarbij heeft appellant gewezen op de omstandigheden die hij ook ten aanzien van de verwijtbaarheid heeft ingebracht. Bovendien heeft hij niet of nauwelijks economisch voordeel genoten. Vrees voor herhaling is niet aan de orde. Voorts heeft appellant, met verwijzing naar de op zijn verzoek uitgevoerde bemestingsonderzoeken, gesteld dat daaruit gebleken is dat van milieuschade geen sprake is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de boete met niet meer dan 50% gematigd hoefde te worden.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het besluit van de staatssecretaris vernietigd, omdat de boete vanwege bijzondere omstandigheden niet met 25%, maar met 50%, had moeten worden gematigd. De staatssecretaris heeft het tegen dat oordeel gerichte hoger beroep ingetrokken en ter zitting van het College toegelicht dat wordt berust in een matiging van de boete met 50% wegens de bijzondere omstandigheden van het geval. Het College is van oordeel dat de aldus gematigde boete niet onevenredig is, gelet op de aanzienlijke overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm. De rapportages van het bemestingsonderzoek die appellant heeft ingebracht leiden niet tot een ander oordeel. Deze zien op de landbouwkwaliteit van de grond, maar laten zich niet uit over de schade die aan het milieu wordt aangebracht door het gebruik van mest. Dat met de overschrijding van de gebruiksnormen schade wordt veroorzaakt aan het milieu wordt daarmee dus niet tegengesproken. Met de rechtbank is het College van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot een nog verdergaande matiging van de boete.

3.7 Ten slotte heeft appellant ter zitting aangevoerd dat de behandeling van zijn zaak dermate lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) overschreden is. Immers, op het moment dat uitspraak wordt gedaan heeft de hele procedure langer dan vier jaar geduurd. De behandeling in hoger beroep zal daarnaast, wanneer de einduitspraak zal worden gedaan, meer dan twee jaar hebben bedragen. Om die reden moet de boete verder gematigd worden.

De procedure waarin aan appellant voor overtreding van 7 van de Msw een boete heeft opgelegd, valt binnen de werkingssfeer van artikel 6 EVRM. Die procedure moet binnen een redelijke termijn zijn voltooid. Het College dient te beoordelen of de hier bedoelde redelijke termijn al dan niet is overschreden en of op grond daarvan de boete (verder) gematigd moet worden. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden geldt, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

De redelijke termijn neemt een aanvang wanneer door het bestuursorgaan jegens de betreffende onderneming een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft ontleend, en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen, dat haar wegens overtreding van de Msw een boete zal kunnen worden opgelegd. Als een zodanige – met een instelling van strafvervolging vergelijkbare – handeling moet hier het boetevoornemen van 10 april 2009 worden aangemerkt. Naar het oordeel van het College kan in dit geval als uitgangspunt worden gehanteerd dat een redelijke termijn is overschreden indien de rechterlijke beoordeling in eerste aanleg niet is afgerond binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen. Nu de rechtbank op 9 juni 2011 uitspraak heeft gedaan is de termijn voor de rechterlijke beoordeling in eerste aanleg met enkele maanden overschreden. Vast staat echter dat de staatssecretaris bij de beslissing op het bezwaar uit overwegingen van coulance al tot een matiging van het boetebedrag met 10% heeft besloten omdat ten tijde van het primaire besluit van 7 juli 2009 reeds meer dan 26 weken waren verstreken sedert de datum van het afdoeningsrapport van de AID. Gelet hierop is het College van oordeel dat voor een verdere vermindering in verband met een, overigens geringe, overschrijding van de redelijke termijn voor de beoordeling van het geschil in eerste aanleg geen aanleiding bestond.

De redelijke termijn voor de beoordeling in hoger beroep dient in een geval als het onderhavige op eveneens twee jaar te worden gesteld. Het hoger beroepschrift van appellante is door het College ontvangen op 20 juli 2011. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn dus met ruim vier maanden overschreden. Mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD0191) ziet het College hierin aanleiding om het bedrag van de boete van € 20.250,-- verder te verlagen met 5%.

3.8 Het hoger beroep slaagt, voor zover appellant zich heeft beroepen op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient in verband hiermee te worden vernietigd. Het College zal de boete vaststellen op een lager bedrag. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De staatssecretaris zal worden veroordeeld in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand, die op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 944,-- (één punt voor het hoger beroepschrift en één punt voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting bij het College, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 472,--). Tevens zal de staatssecretaris het griffierecht in hoger beroep aan appellant moeten vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de daarbij vastgestelde boete betreft;

  • -

    stelt de hoogte van de boete vast op € 19.237,50 (zegge: negentienduizendtweehonderdzevenendertig euro en vijftig cent);

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 juli 2010 voor zover vernietigd;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat de staatssecretaris het door appellanten betaalde griffierecht van € 227,-- (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk