Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:327

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/740 AWB 12/962
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2015:337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak, S&O-werkzaamheden, Stichting, samenwerkingsverband, directe relatie

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, geldigheid: 2014-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/740 en 12/962

27000

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: H. Flipsen),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.H.J. Lam-Tjabbes).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om haar op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (verder onder meer: Wva) voor het project 06 “Monitoren ecologische effecten van zandwinning op de Noordzee” (verder onder meer: project 06) voor de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 een S&O-verklaring af te geven, afgewezen.

Bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van appellante met dezelfde strekking voor datzelfde project voor de periode 1 juli 2012 tot en met
31 december 2012 afgewezen.

Bij besluit van 17 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het besluit van 19 juni 2012 is geregistreerd onder nr. 12/740. Het beroep tegen het besluit van 27 september 2012 is geregistreerd onder nr. 12/962.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013.

Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2 De grondslag van het geschil


2.1 Bij de Wva is onder meer het volgende bepaald:


"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

j. onderneming: een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

(…)

l. S&O-inhoudingsplichtige:

1º. een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft;

2º. een inhoudingsplichtige die niet tevens een onderneming drijft, voor zover hij speur- en ontwikkelingswerk verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie;

(…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

1º. technisch-wetenschappelijk onderzoek;
(…)

9. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk;”

2.2

Op 25 november 2011 en 16 mei 2012 heeft verweerder van appellante een aanvraag ontvangen in het kader van de Wva. De aanvragen betreffen, voorzover hier van belang, onder meer het project 06, met de titel “Monitoren ecologische effecten van zandwinning op de Noordzee”.

De aanvragen hebben betrekking op onderscheidenlijk de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 en 1 juli 2012 tot en mer 31 december 2012. Deze aanvragen zullen hierna onder meer worden aangeduid als “aanvraag 1 en aanvraag 2”.

Het project vermeldt als startdatum 1 januari 2011 en als einddatum 31 december 2012.

In haar aanvragen heeft appellante vermeld dat zij speur- en ontwikkelingswerk zal verrichten in opdracht van de Stichting LaMer.

De statuten van de Stichting LaMer houden onder meer het volgende in.

Artikel 2.

1. De stichting heeft ten doel het beschikbaar maken en houden van bruikbare milieu-effectrapporten ten behoeve van zandwinning op de Noordzee, alsmede al hetgeen daartoe nuttig of nodig is.

2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door:

a. zorg te dragen voor het opstellen van deze rapporten;

b. zorg te dragen voor de beschikbaarstelling van deze rapporten aan deelnemers in de stichting welke een belang hebben bij deze rapporten ten behoeve van het verkrijgen van met deze rapporten samenhangende vergunningen;

c. het aanvragen van met de rapporten samenhangende vergunningen, indien daartoe nader is besloten,

d. het optreden in rechte in procedures,

e. het (laten) monitoren van de milieu-effectrapporten.

(…)

Artikel 3.
Het vermogen van de stichting wordt gevormd door:

a. bijdragen van deelnemers;

b. subsidies en giften;

c. andere baten.

Artikel 4.

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van deelnemers vast te stellen aantal van ten minste drie en ten hoogste zeven natuurlijke personen.
(…)

2. De bestuurders worden benoemd door de raad van deelnemers. Leden van het bestuur kunnen slechts zijn natuurlijke personen die verbonden zijn aan een deelnemer in de stichting, met uitzondering van de voorzitter. De voorzitter van het bestuur wordt in functie benoemd.

(…)

Artikel 9.

1. De stichting kent een raad van deelnemers.
De raad van deelnemers wordt gevormd door deelnemers in de stichting dan wel hun vertegenwoordigers.

2. Als deelnemer kunnen worden toegelaten natuurlijke personen en rechtspersonen die een rechtstreeks (commercieel) belang hebben bij de activiteiten van de stichting, waaronder in ieder geval zijn begrepen personen die gebruik maken dan wel willen maken van de binnen de stichting ontwikkelde of nog te ontwikkelen milieu-effectrapporten. Toelating van deelnemers geschiedt door het bestuur.
(…)”


Tot de gedingstukken behoort een geschrift met het opschrift: “Deelnemers aan Stichting zijn”. Daaronder zijn de namen van 21 ondernemingen vermeld.

Bij besluit van 10 april 2012 heeft verweerder aanvraag 1 afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:

“De stichting LaMer heeft de opdracht verstrekt aan [naam]. Er is geen sprake van (een) individuele overeenkomst(en) met (een) afzonderlijke onderneming(en) via de stichting LaMer.

Om in aanmerking te komen voor S&O-afdrachtvermindering dient de aanvrager een onderneming te drijven. Indien dit niet het geval is, dienen de werkzaamheden te worden verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met, en voor rekening van, een (samenwerkingsverband van) onderneming(en) (Wva, artikel 1, eerste lid). Voor dit project is er geen sprake van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met, en voor rekening van, een (samenwerkingsverband van) onderneming. Ik wijs dit project daarom af.”

Appellante heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 30 mei 2012 heeft verweerder aan appellante gevraagd nadere gegevens toe te zenden.

Appellant heeft daarop, voor zover hier van belang, bij e-mail van 31 mei 2012 als volgt gereageerd:

“(…)Wij kunnen ons namelijk niet vinden in de stellingname, de toetsingscriteria die uit de brief blijken, noch de onderbouwing hiervan die er toe zou leiden dat de Stichting LaMER niet als samenwerkingsverband in de zin van de Wva kan worden gezien.

Naar onze mening zijn de door u gebruikte criteria niet gebaseerd op WVA en gaan zij voorbij aan de uitspraak in het eerder vermelde DPI arrest.” (toevoeging College: uitspraak van 4 februari 2004, ECLI: NL:CBB: AO3159)

Op 5 juni 2012 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren gehoord.

Appellante heeft er vanaf gezien te worden gehoord naar aanleiding van haar bezwaarschrift gericht tegen verweerders besluit van 27 augustus 2012, betrekking hebbend op het tweede jalfjaar van 2012, omdat de motivering van dat besluit identiek is met die van het besluit dat op het eerste halfjaar betrekking heeft.

Bij besluit van 19 juni 2012 en bij besluit van 17 september 2012 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

3 De bestreden besluiten, het verweer en het standpunt van appellante

3.1

Bij het bestreden besluit van 19 juni 2012 heeft verweerder, voor zover thans van belang,

het volgende overwogen:

“Het project is aangevraagd in het kader van contractresearch. Op grond van artikel 1, eerste lid, letter l, onder 2 van de Wva, kan een instelling die niet tevens een onderneming drijft slechts als inhoudingsplichtige in de zin van de Wva worden aangemerkt, indien hij S&O verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet BO. Slechts indien aan alle voorgaande vereisten wordt voldaan, is sprake van contractresearch en kan de aanvrager worden aangemerkt als S&O-inhoudingsplichtige in de zin van de Wva.

(…)

Ik zal nu (…) beoordelen of sprake is van het verrichten van S&O krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een samenwerkingsverband van ondernemers. Bij deze beoordeling hanteer ik de maatstaf van een ‘directe’ relatie tussen de inhoudingsplichtige die het S&O verricht, en de ondernemers van wie de opdracht daartoe uitgaat. Van een zodanige relatie is onder meer sprake als een samenwerkingsverband werkzaamheden verricht of laat verrichten voor bepaalde, met name genoemde, ondernemers, aan wie de S&O-afdrachtvermindering (uiteindelijk) ten goede komt. In zijn uitspraak van 10 december 1996 heeft het College geoordeeld dat deze maatstaf zich verdraagt met tekst, strekking en doelstelling van de (toenmalige) WBSO. Dit zal onverkort gelden voor de Wva, aangezien de betreffende wettekst uit de WBSO ongewijzigd is overgenomen in de Wva.

De hierboven genoemde maatstaf hanteer ik nog steeds. Bij een instelling die specifiek is opgericht voor het (doen) verrichten van S&O, is een directe relatie tussen de financiële inspanningen van individuele ondernemers en het door de inhoudingsplichtige te verrichten S&O aanwezig, mits duidelijk is welke ondernemers voor welk bedrag participeren. Bij een instelling die geen ondernemer is en niet specifiek is opgericht voor S&O, moet de directe relatie aangetoond worden door schriftelijke stukken waaruit blijkt welke ondernemers rechtstreeks opdracht hebben gegeven tot het verrichten van S&O en welke bedragen hierbij voor hun rekening komen, wil er sprake kunnen zijn van een opdracht van een samenwerkingsverband van ondernemers in de zin van de Wva.

Ik heb u daarom in mijn brief van 30 mei 2012 in de gelegenheid gesteld in aanvulling op de in bezwaar ontvangen stukken (o.a. statuten en de overeenkomst tussen het [naam] en de Stichting), aanvullende stukken te sturen waaruit een directe relatie tussen het [naam] en de verschillende ondernemingen betrokken bij de Stichting zou blijken,
Daarbij heb ik aangegeven dat duidelijk moet worden welke ondernemingen binnen de Stichting opdracht hebben gegeven tot het voorgenomen S&O dat wordt of zal worden uitgevoerd door het [naam]. Ook heb ik aangegeven dat duidelijk moet blijken dat dit door het [naam] uitgevoerde S&O in de aanvraagperiode voor rekening komt van de desbetreffende ondernemingen.

Deze informatie heb ik echter niet van u ontvangen. Tijdens de bezwaarprocedure hebt u aangegeven deze informatie niet te verstrekken. Ik beoordeel daarom aan de hand van de mij beschikbare stukken en de toelichting tijdens de hoorzitting of de Stichting als samenwerkingsverband van ondernemingen en daarmee als geldige opdrachtgever in de zin van de Wva kan worden aangemerkt.

Statuten
Artikel 2, eerste lid van de statuten van de Stichting vermeldt: “De stichting heeft ten doel het beschikbaar maken en houden van bruikbare milieu-effectrapporten ten behoeve van zandwinning op de Noordzee, alsmede al hetgeen daartoe nuttig of nodig is”. Uit artikel 2, tweede lid van de statuten blijkt dat dit doel onder meer kan worden bereikt door zorg te dragen voor het opstellen van deze rapporten en deze beschikbaar te stellen aan deelnemers welke daarbij belang hebben, het aanvragen van vergunningen, het optreden in rechte en het (laten) monitoren van de milieueffectrapporten. Hieruit volgt niet dat de Stichting specifiek is opgericht met het doel S&O te verrichten.
Evenmin volgt uit de statuten dat het door [naam] uitgevoerde S&O specifiek voor rekening van de ondernemingen binnen een mogelijk samenwerkingsverband komt. Het vermogen van de Stichting wordt, naast bijdragen van deelnemers, ook gevormd door subsidies en giften en andere baten (artikel 3 van de statuten). Tijdens de hoorzitting hebt u aangegeven dat het vermogen van de Stichting nagenoeg enkel uit bijdragen van de deelnemers bestaat, waarbij die bijdragen per deelnemer bestaan uit tienduizend tot wel tonnen euro’s. Dit maakt het voorgaande echter niet anders, nu u geen stukken hebt overgelegd waaruit blijkt dat het S&O specifiek voor rekening van de opdrachtgevende ondernemers komt.

Overeenkomst
Uit de overeenkomst tussen [naam] en de Stichting blijkt ook niet welke ondernemingen opdracht hebben gegeven tot het te verrichten S&O noch voor rekening van welke ondernemingen dit S&O komt.

Website
U hebt aangegeven dat de deelnemers van de Stichting op de website van de Stichting zijn vermeld. Voorts verwijst u naar de tekst op de website: ‘Voor beide MER-ren werd een onderzoeksprogramma vastgesteld om de leemtes in kennis op te vullen’, waaruit blijkt dat de Stichting zich een dergelijk onderzoek ten doel heeft gesteld.

Met de informatie op de website wordt echter nog niet aangetoond dat de Stichting een samenwerkingsverband van ondernemingen in de zin van de Wva is, nu hiermee niet de afspraken tussen de ondernemingen zijn vastgelegd. Tevens blijkt hieruit niet welke deelnemers voor welk bedrag opdracht hebben gegeven tot het te verrichten S&O. Hierbij merk ik op dat, zoals u tijdens de hoorzitting hebt aangegeven, ook niet elke deelnemer belang heeft bij het door [naam] te verrichten S&O. Tot slot zijn niet alle deelnemers (Nederlandse) ondernemingen.

Gelet op het bovenstaande is uit de statuten, de website en de overeenkomst tussen het [naam] en de Stichting niet gebleken is dat de aangevraagde S&O-werkzaamheden worden uitgevoerd krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een samenwerkingsverband van ondernemingen in de zin van de Wva.

Vergelijking DPI
U vergelijkt de Stichting met DPI.
Allereerst ben ik van mening dat de Stichting verschilt met DPI. DPI is namelijk een op basis van de Regeling Technologische Top Instituten door mij aangemerkt Technologisch Top Instituut (TTI) en de Stichting niet. Daarbij is DPI specifiek opgericht om S&O te verrichten, terwijl de doelomschrijving van de Stichting met name bedrijfseconomisch van aard is. In ieder geval is de Stichting niet specifiek opgericht om S&O te verrichten. De vergelijking met DPI kan daarom niet slagen.

Vervolgens merk ik hierbij op dat het College in haar uitspraak van 4 februari 2004 (LJN AO3159) heeft gesteld dat als DPI als samenwerkingsverband wordt aangemerkt, er geen reden is slechts een deel van de werkzaamheden als S&O aan te merken. In navolging op deze uitspraak van het College heb ik DPI aangemerkt als een samenwerkingsverband van ondernemingen in de zin van de Wva, zonder korting te verlenen voor gelden die niet afkomstig waren van het bedrijfsleven.

Productschap
Tijdens de hoorzitting hebt u aangevoerd dat de Stichting ook als productschap in de zin van de Wva kan worden gezien dan wel hiermee vergeleken kan worden. De instelling van een productschap geschiedt volgens artikel 67 van de Wet BO op voordracht van Onze betrokken Ministers, bij algemene maatregel van bestuur. De Stichting is niet ingesteld zoals hier staat beschreven. Daarom kan de Stichting niet als lichaam als bedoeld in de Wet BO worden aangemerkt en zodoende als geldige opdrachtgever in de zin van de Wva worden aangemerkt. Een vergelijking met een product- of bedrijfschap gaat hierom dan ook niet op.

(…)

In 2011 toegekend
U stelt dat dit project met de Stichting als opdrachtgever in voorgaande jaren wel is toegekend. In 2011 zijn binnen dit project werkzaamheden als S&O aangemerkt. Dit maakt het bovenstaande echter niet anders. Elke aanvraag staat op zich en wordt afzonderlijk getoetst aan de criteria van de Wva, waarbij ik niet gehouden ben om een mogelijk in het verleden gemaakte fout te herhalen.

Concluderend merk ik op dat uit de overgelegde stukken in bezwaar mij niet is gebleken dat de Stichting, dan wel ondernemingen betrokken bij de Stichting, binnen onderhavig project als samenwerkingsverband van ondernemingen in de zin van de Wva kan/kunnen worden aangemerkt.

Nu niet is voldaan aan de formele vereisten van de Wva handhaaf ik mijn primaire beslissing om dit project af te wijzen. Aan de inhoudelijke beoordeling kom ik niet toe.”

Het bestreden besluit van 17 september 2012 verwijst voor zijn motivering naar die van het bestreden besluit van 19 juni 2012.

3.2

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer nog de volgende toelichting gegeven:

“Appellante stelt dat Stichting LaMer zelf als een dergelijk samenwerkingsverband kan worden aangemerkt. Ik deel deze mening echter niet. Een stichting is namelijk een privaatrechtelijke rechtspersoon en geen samenwerkingsverband van de bij de stichting betrokken bedrijven, net zomin als bijvoorbeeld een besloten vennootschap een samenwerkingsverband is van haar aandeelhouders. Een stichting kan dan ook niet zonder meer worden aangemerkt als een samenwerkingsverband in de zin van de Wva. Ik heb daarom in bezwaar, aan de hand van de op dat moment overgelegde aanvullende informatie, opnieuw overwogen of appellante S&O verricht in opdracht van een samenwerkingsverband in de zin van de Wva. Hierbij heb ik eerst onderzocht of Stichting LaMer zelf als een dergelijk samenwerkingsverband zou kunnen worden aangemerkt en vervolgens het ik onderzocht of (enkele van) de deelnemers binnen Stichting LaMer gezamenlijk als zodanig zouden kunnen worden aangemerkt.

(…)

Bij de beoordeling of sprake is van het verrichten van S&O met en voor rekening van een samenwerkingsverband in de zin van de Wva, hanteer ik de maatstaf van een ‘directe relatie’ tussen de inhoudingsplichtige die het S&O verricht en de samenwerkende ondernemingen van wie de opdracht daartoe uit gaat. Daarbij ga ik er vanuit dat hiervan onder meer sprake kan zijn als een samenwerkingsverband werkzaamheden verricht of laat verrichten voor bepaalde, met name genoemde ondernemingen, aan wie de S&O-afdrachtvermindering (uiteindelijk) ten goede komt. In uw uitspraak van 10 december 1996 (nr. 95/1067/062/231, hierna: zaak TU Delft) hebt u geoordeeld dat de maatstaf die ik bij deze beoordeling hanteer zich verdraagt met tekst, strekking en doelstelling van de WBSO (de huidige Wva). Ik hanteer deze dan ook nog steeds.

Hierbij stel ik niet, zoals appellante in haar beroepschrift aanvoert, als noodzakelijke voorwaarde dat een instelling specifiek is opgericht om S&O te verrichten. Wel zie ik een directe relatie tussen de verrichter van het S&O en de opdrachtgever aanwezig indien uit de statuten van een instelling blijkt dat de niet-Vpb-plichtige rechtspersoon specifiek is opgericht voor het (doen) verrichten van S&O, mits daarbij duidelijk is welke ondernemingen voor welk bedrag participeren. Dit was in het geval van Stichting Dutch Polymer Institute (hierna Stichting DPI, in CBb 6 april 2004, AWB 03/250) wel duidelijk en in het geval van CU in de zaak TU Delft niet. Indien dit echter niet het geval is, kan een directe relatie ook worden aangetoond middels schriftelijke stukken waaruit blijkt welke ondernemingen rechtstreeks opdracht hebben gegeven tot het verrichten van S&O en welke bedragen deze ondernemingen voor het onderzoek betalen.

(…)

Nu Stichting LaMer niet specifiek is opgericht voor het (doen) verrichten van S&O en de directe relatie niet blijkt, heb ik Stichting LaMer zelf naar mijn mening terecht niet als samenwerkingsverband in de zin van de WVA kunnen aanmerken.

(…)

Uit de overeenkomst tussen appellante en Stichting LaMer valt niet af te leiden dat Stichting LaMer de opdracht namens (enkele van) de deelnemers, ofwel namens ondernemingen, verstrekt. Uit de website is hooguit af te leiden dat zich onder de deelnemers van Stichting LaMer (meerdere) ondernemingen bevinden en dat Stichting LaMer nuttig is voor het bedrijfsleven, maar dat is iets anders dan dat uit schriftelijke stukken blijkt dat in opdracht van en voor rekening van bepaalde ondernemingen S&O wordt verricht. Nu verder ook geen stukken zijn overgelegd, heb ik geconcludeerd dat het door appellante verrichte S&O niet in opdracht van en voor rekening van een samenwerkingsverband in de zin van de Wva (bestaande uit (enkele van) de deelnemers van Stichting LaMer) is verricht.

(…)

Verder stelt appellante dat Stichting LaMer evenals DPI als samenwerkingsverband in de zin van de Wva aangemerkt zou moeten worden, omdat voor gelijke gevallen gelijke regels moeten gelden. Stichting LaMer verschilt echter in meerdere opzichten van DPI. Ik heb DPI namelijk aangemerkt als een Technologische Top Instituut (op basis van de Regeling Technologische Top Instituten) en Stichting LaMer niet. Een ander verschil is dat DPI blijkens de statuten – in tegenstelling tot Stichting LaMer – specifiek is opgericht om S&O te verrichten. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen.”

Verweerder heeft daarbij herhaald dat hij met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan bij het voorbereiden en nemen van de bestreden besluiten. Toen appellante, hoewel daarnaar gevraagd, geen aanvullende gegevens verstrekte met betrekking tot de “directe relatie” heeft verweerder zich moeten baseren op de gegevens die wel voorhanden waren.
Van strijd met de rechtszekerheid is geen sprake, aldus verweerder.
Elke aanvraag staat immers op zich zelf en verweerder is niet gehouden mogelijke in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

3.3

Appellante heeft zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat Stichting LaMer wel degelijk een samenwerkingsverband is van degenen die een onderneming drijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder I ten tweede, van de Wva en dat voor rekening van dat samenwerkingsverband speur- en ontwikkelingswerk wordt verricht.
Deze Stichting is immers opgericht en wordt bestuurd door en werkt voor een groep van, op een lijst van deelnemers genoemde, ondernemingen.
Die ondernemingen winnen zand op de Noordzee. In het verband van de Stichting werken zij samen bij het opstellen van milieu-effectrapportages en de monitoring van milieueffecten van hun activiteiten. Om die rapportages te kunnen opstellen en de monitoring adequaat te kunnen uitvoeren is onderzoek nodig. Bijvoorbeeld door een onderzoek dat voorwerp is van het project waar het hier om gaat, project no. 6.
De deelnemende ondernemingen brengen de financiële middelen naar rato bijeen. Per kubieke meter gewonnen zand wordt een vastgesteld bedrag afgedragen.
De deelnemende ondernemingen hebben een direct belang bij het aan appellante opgedragen onderzoek omdat zij zullen moeten kunnen verwijzen naar adequate onderzoeksresultaten wanneer hen wordt gevraagd te rapporteren omtrent de milieueffecten van hun activiteiten.
Dat onderzoek hebben zij uitbesteed aan [naam].
Het gaat hier dus om een samenwerkingsverband waarop de wetgever in het kader van de Wva het oog heeft gehad.

Dat haar aanvragen toch zijn afgewezen is het gevolg van het feit dat verweerder allerlei criteria hanteert en eisen stelt die niet zijn te herleiden tot tekst of strekking van de Wva. Zo heeft verweerder gesteld dat Stichting LaMer specifiek zou moeten zijn opgericht voor het verrichten van S&O werkzaamheden en dat de financiële inspanning per individuele, deelnemende, onderneming zichtbaar zou moeten worden gemaakt.
Ondernemingen aan wie de afdrachtvermindering uiteindelijk ten goede komt zouden met name genoemd moeten zijn. Het hanteren van dergelijke criteria is in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk – de voorloper van de Wva - als zijnde niet gewenst, afgewezen.

Daar komt bij, aldus appellante, dat niet valt in te zien dat het Dutch Polymer Institute (verder onder meer: DPI) – naar blijkt uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven d.d. 6 februari 2004 (ECLI:NL:CBB:2004:AO3159) door verweerder wel als een samenwerkingsverband is beschouwd in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel I, ten tweede, van de Wva. Dan is het niet begrijpelijk dat Stichting LaMer niet evenzeer als zodanig door verweerder is aangemerkt nu wat betreft de hier relevante aspecten deze niet verschilt van DPI.
Dat DPI door verweerder als een Technologisch Top Instituut (verder onder meer: TTI) is aangewezen legt voor de interpretatie van “samenwerkingsverband” in vorengenoemde zin geen gewicht in de schaal. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat Stichting LaMer niet - en DPI wel – blijkens de statuten specifiek is opgericht om S&O te verrichten.

Verweerder heeft tevens haar argument, dat Stichting LaMer de trekken vertoont van een lichaam als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie dat immers door wetsduiding een geldige opdrachtgever van speur- en ontwikkelingswerk kan zijn, ten onrechte niet op juiste waarde geschat. Beseffende dat zij zelf niet een zodanig lichaam is, heeft zij met dit argument slechts willen illustreren dat rol en functie van de Stichting LaMer aansluiten bij hetgeen de wetgever hier voor ogen heeft gestaan.

Al het voorgaande doet zien, zo heeft appellante gesteld, dat het beleid dat verweerder voert bij de toepassing van artikel 1, eerste lid, onder I, ten tweede, ter beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van “een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven”, willekeurig is en toepassing van dat beleid in haar geval tot beslissingen heeft geleid die strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel en in ieder geval rusten op een ontoereikende, niet draagkrachtige motivering.

4 De beoordeling van het geschil

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of Stichting LaMer, zijnde de opdrachtgever van appellante, in het hiervoor aangeduide project 06, als een “samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven” in de zin van de Wva kan worden aangemerkt.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.


Verweerder heeft in de stukken uiteengezet dat hij, gesteld voor de beantwoording van de vraag of een bepaalde entiteit kan worden aangemerkt als een samenwerkingsverband in vorenbedoelde zin, de lijn volgt zoals die ook is weergegeven in de uitspraak van het College d.d. 10 december 1996 in de zaak no. 95/1067/062/231.

Blijkens die uitspraak hanteerde verweerder ter onderscheiding van samenwerkingsverbanden in de zin van – toen – de Wet beoordeling speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) en – later – de Wva, de maatstaf van een “directe” relatie tussen de inhoudingsplichtige die het speur- en ontwikkelingswerk doet en de onderneming(en) van wie de opdracht daartoe uitgaat. Van een zodanige “directe” relatie is kennelijk – aldus het standpunt van verweerder in voornoemde uitspraak – onder meer sprake als een samenwerkingsverband werkzaamheden verricht voor bepaalde, met name genoemde ondernemingen, aan wie de faciliteit op grond van – toen – de WBSO ten goede kom(t)(en).

In die zaak heeft het College geoordeeld dat verweerder aldus een maatstaf hanteert waarvan niet kan worden geoordeeld dat die zich niet verdraagt met tekst, strekking of doelstelling van – toen – de WBSO.
In het toen aan de orde zijnde geval had appellante in die zaak – de Technische Universiteit Delft (verder onder meer: de TU Delft) – niet aangetoond aan welke afzonderlijke ondernemingen die betrokken zijn bij de desbetreffende projecten, de faciliteit ten goede kwam. In het bijzonder was, aldus nog steeds het College in voornoemde uitspraak, de opdracht die de Stichting CUR aan de TU Delft heeft doen uitgaan niet te herleiden tot bepaalde ondernemingen die de opdracht hebben geïnitieerd. Derhalve zouden zodanige ondernemingen – zoals door de TU Delft toentertijd ter zitting is bevestigd – ook niet rechtstreeks kunnen profiteren van de vermindering van loonbelasting.

Gelet op de schriftelijke uiteenzettingen van verweerder en de daarop gegeven toelichting ter zitting heeft verweerder kennelijk allengs een meerlagig en vertakt systeem van criteria ontwikkeld aan de hand waarvan hij beslist of sprake is van een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld.

Verweerder, uitvoering gevend aan het door hem ontwikkelde beoordelingssysteem en onbestreden constaterende dat Stichting LaMer zelf geen onderneming is, heeft in de eerste plaats in aanmerking genomen dat Stichting LaMer een privaatrechtelijke rechtspersoon is en dientengevolge geen sprake kan zijn van een samenwerkingsverband, in die zin dat er meerdere (rechts)personen samenwerken.

Die conclusie heeft verweerder er evenwel niet toe geleid reeds daarom de aanvragen van appellante af te wijzen, maar is voor hem aanleiding geweest om aan de hand van andere criteria te bezien of niettemin, in de ogen van verweerder, kan worden gesproken van een, hier relevant, samenwerkingsverband.

Ter zitting is gebleken dat introductie en hantering van die andere criteria mede verband houden met verweerders opvatting dat brancheverenigingen niet worden geaccepteerd als opdrachtgevers van contractresearch als er niet tevens sprake is van een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven dat met nadruk is gericht op het doen van speur- en ontwikkelingswerk en dat het stimuleren van kennisinstellingen niet een doelstelling is van de Wva.

Toepassing van die andere criteria heeft verweerder evenwel niet tot de slotsom geleid dat Stichting LaMer niettemin een “samenwerkingsverband” is, als hiervoor bedoeld.

Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat hem niet is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen de private ondernemingen die hier opdracht hebben gegeven tot het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk enerzijds en de uitvoerder van die werkzaamheden anderzijds.

Zo is, aldus verweerder, de doelomschrijving in de statuten van Stichting LaMer vrij ruim en vooral gericht op het maken en beschikbaar houden van milieu-effectrapportages.

Punten van overweging voor verweerder zijn, naar ter zitting tevens is gebleken, ook geweest dat er niet alleen Nederlandse ondernemingen participeren en dat niet duidelijk is voor rekening van welke Nederlandse ondernemingen het te verrichten onderzoek komt. Verweerder heeft daarbij gewezen op het feit dat het vermogen van de Stichting LaMer blijkens artikel 3 van de Statuten, naast bijdragen van deelnemers ook gevormd wordt door subsidies en giften en andere baten.

In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Stichting LaMer en DPI niet met elkaar zijn te vergelijken omdat DPI, met toepassing van een daartoe strekkende Regeling, is aangemerkt als een zogenoemd Technologisch Top Instituut. Dit soort instituten berusten dus, anders dan appellante, op een publiekrechtelijke grondslag, aldus verweerder. Door appellante aan de vergelijking met DPI ontleende argumenten -, kortweg inhoudende dat ook daar sprake is van buitenlandse deelnemers en dat ook daar andere financieringsstromen zijn waar te nemen – hebben daarom voor verweerder geen overtuigingskracht gehad.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder, daarnaar gevraagd, bevestigd dat de uitbouw van zijn uitvoeringspraktijk ten aanzien van de Technologische Top Instituten op het punt van het aanmerken als “samenwerkingsverband” berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 4 februari 2004 (ECLI:NL:CBB:2004:AO3159). Verweerder heeft aanvankelijk in de veronderstelling verkeerd dat in het oordeel van het College in die zaak besloten lag dat verweerder DPI terecht als samenwerkingsverband had aangemerkt. Op basis van die – onjuiste – lezing heeft verweerder meer Technologische Top Instituten als samenwerkingsverband geaccepteerd.

Later heeft verweerder, naar ter zitting duidelijk is geworden, ingezien dat voormelde uitspraak een zodanig oordeel van het College niet omvat en dat het College, uitgaande van de beslissing van verweerder om DPI als samenwerkingsverband aan te merken, heeft geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag is om, gezien de financieringswijze van DPI als samenwerkingsverband, slechts een deel van de werkzaamheden van stichting Katholieke Universiteit Nijmegen (appellante in die zaak) als speur- en ontwikkelingswerk aan te merken.

Naar aanleiding van het verweer en de toelichting die daarbij ter zitting is gegeven oordeelt het College in de eerste plaats dat het niet verweerders opvatting deelt dat, zoals hier, een stichting reeds in zichzelve niet zou kunnen worden aangemerkt als een “samenwerkingsverband”.

Doel, opzet, bestuurssamenstelling, wijze van besluitvorming alsmede de, gereglementeerde betrokkenheid van “deelnemers” kunnen, in onderling verband bezien en wanneer ook aan de overige vereisten is voldaan, een samenwerkingsverband opleveren waarop de wetgever in het kader van de Wva mede het oog kan hebben gehad.

Omdat verweerder zijn – onjuiste - opvatting op dit punt niet doorslaggevend heeft doen zijn voor zijn oordeel dat Stichting LaMer niet als een “samenwerkingsverband” kan worden aangemerkt, vormt een en ander voor het College ook geen aanleiding het bestreden besluit reeds hierom niet in stand te laten.

Met betrekking tot de reden die verweerder heeft aangevoerd om Stichting LaMer niet op één lijn te stellen met DPI – er kortweg op neerkomende dat DPI, anders dan LaMer, een op publiekrechtelijke grondslag berustend Technologisch Top Instituut is – overweegt het College als volgt.

Gelet op tekst, strekking en doelstelling van de Wva levert die enkele omstandigheid hier niet een juridisch relevant verschil op waarop verweerder zich met succes zou kunnen beroepen ter afwering van het betoog van appellante dat Stichting LaMer feiten en omstandigheden worden tegengeworpen die kennelijk geen, althans niet dezelfde, rol hebben gespeeld bij het aanmerken van Technologische Top Instituten als “samenwerkingsverband”. Dit klemt te meer waar verweerder appellante - op zichzelf terecht - voor houdt dat Stichting LaMer niet een – in de Wva genoemd – (publiekrechtelijk) lichaam is als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie maar zelf wel, juist met een verwijzing naar hun publiekrechtelijke grondslag, een andere uitvoeringspraktijk heeft gehanteerd ten aanzien van evenmin in de Wva genoemde of aangeduide Technologische Top Instituten.

De uiteenzettingen die verweerder in de stukken heeft gegeven en de toelichtingen die op vragen van het College ter zitting door de gemachtigde van verweerder zijn gegeven hebben bij het College de indruk versterkt dat verweerder in wezen klem is komen te zitten tussen enerzijds de gelaagde, fijn vertakte, criteria die hij kennelijk pleegt aan te leggen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven” en anderzijds zijn, op een verkeerde lezing van de uitspraak van het College van 4 februari 2004 ECLI:NL:CBB:2004:AO3159 gebaseerde, uitgebouwde en kennelijk nog steeds gehandhaafde toepassingspraktijk ten aanzien van Technologische Top Instituten, waarbij diezelfde criteria niet dan wel in mindere mate worden gehanteerd.

Het voorgaande brengt het College tot het oordeel dat de beweegredenen die verweerder in de stukken ten grondslag heeft gelegd aan zijn beoordeling of ten aanzien van Stichting LaMer sprake is van een “samenwerkingsverband” als hiervoor bedoeld, in samenhang bezien met hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting van de zijde van verweerder nog ter toelichting is medegedeeld, niet langer kunnen gelden als een passende en draagkrachtige motivering van zijn opvatting dat Stichting LaMer niet als een zodanig samenwerkingsverband kan worden aangemerkt. Het voorgaande stelt tevens in het licht dat aan de redenering die verweerder heeft ontvouwd ter ontkrachting van appellantes stelling dat stichting LaMer met DPI is te vergelijken, overtuigingskracht is komen te ontvallen.
Dat betekent dat aldus een zodanig elementair deel van verweerders motivering van de bestreden besluiten als onvoldoende draagkrachtig moet worden beschouwd dat deze besluiten reeds hierom wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kunnen worden gelaten.

De reden dat het College thans niet zelf over gaat tot beantwoording van de vraag of Stichting LaMer wel als een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld moet worden aangemerkt hangt samen met het feit dat verweerder ter zitting melding heeft gemaakt van - niet tot de gedingstukken behorende – circulaires voor intern en extern gebruik waarin, naar het College begrijpt, verder wordt uiteengezet hoe zou moeten worden omgegaan met aanvragen voor een S&O-verklaring waarbij de opdracht tot onderzoek afkomstig is van een entiteit die pretendeert een samenwerkingsverband te zijn als hiervoor bedoeld.
Ter zitting is tevens verwezen naar een, evenmin tot de stukken behorende, brief die verweerder zou hebben gezonden aan alle rond 2006/2007 bij verweerder bekend zijnde opdrachtgevers van contractresearch.
Naar het College heeft begrepen zou ook de inhoud van die brief eventueel verder licht kunnen werpen op (onderdelen van) verweerders uitvoeringspraktijk met betrekking tot “samenwerkingsverbanden” als hiervoor bedoeld.
Dat betekent dat het College thans nog niet een volledig beeld heeft kunnen krijgen van de wijze waarop verweerder op het punt van, kortweg, “samenwerkingsverbanden” als hiervoor bedoeld te werk is gegaan.

Het College, niet voorbij ziende aan de positie waarin verweerder tengevolge van zijn uitvoeringspraktijk met betrekking tot de Technologische Top Instituten kennelijk is komen te verkeren, wil verweerder, als eerst aangewezene om op consistente wijze inhoud te geven aan de woorden “samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven” als hiervoor bedoeld, niet de kans ontnemen het motiveringsgebrek in de bestreden besluiten te herstellen.
Het College tekent daarbij wel aan dat verweerder daarbij, blijkens het vorenoverwogene, in ieder geval een deel van de argumenten die appellante naar voren heeft gebracht niet langer zal kunnen pareren met een verwijzing naar de publiekrechtelijke grondslag van de Technologische Top Instituten.
Voorts zal verweerder in het oog moeten houden dat, zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van het College van 4 februari 2004, dat de Wva niet vereist dat het speur- en ontwikkelingswerk voor rekening komt van “degenen die een onderneming drijven”, maar dat het voor rekening van hun samenwerkingsverband wordt verricht.
Verder roept het College in herinnering dat de wetgever, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbso - voorloper van de Wva – het uitdrukkelijk aan de markt heeft willen overlaten hoe het voordeel dat in het kader van contractresearch wordt genoten aan de betreffende ondernemingen wordt doorgegeven en dat verweerder een en ander bij de ontwikkeling en toepassing van zijn criteria ter onderscheiding van samenwerkingsverbanden in het oog moet houden.

Voor het geval verweerder in deze tussenuitspraak aanleiding ziet uitdrukkelijk en op voor betrokkenen kenbare wijze zijn hiervoor besproken uitvoeringspraktijk (al dan niet op onderdelen) aan te passen of zelfs te verlaten, zal verweerder deugdelijk moeten motiveren welke gevolgen het een en ander voor de bestreden besluiten heeft.

Ingevolge artikel 19, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan het College het bestuursorgaan opdragen een gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.

Het College ziet in het belang van een definitieve beëindiging van het geschil aanleiding verweerder op te dragen het hiervoor geconstateerde gebrek met inachtneming van het voren overwogene te herstellen.

Het College zal verweerder hiervoor een termijn van twaalf weken geven.

Vervolgens zal appellante op de voet van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Daarna zal het College einduitspraak doen, waarbij ook zal worden beslist over de proceskoten en vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het College

- draagt verweerder op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming hiervan, het geconstateerde gebrek te herstellen, danwel geheel nieuwe besluiten te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. R.R. Winter en
mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, griffier, op
17 december 2013.

w.g J.A.M. van den Berk w.g. L.C. Bannink