Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:326

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-01-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/119

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling).

Bij besluit van 15 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 september 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herzien.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Bij beslissing van 22 maart 2013 heeft het College op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend. Hierbij heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld om een herberekening te maken van de goedgekeurde oppervlakte van de door appellant voor zijn bedrijfstoeslag 2010 opgegeven percelen. Verweerder heeft deze herberekening geleverd en appellant heeft hierop gereageerd. Het College heeft partijen vervolgens om toestemming gevraagd om in deze zaak uitspraak te doen zonder een nadere zitting. Het College heeft de gevraagde toestemming verkregen en het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

1.

Appellant heeft met zijn Gecombineerde Opgave 2010 uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 25 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 50.05 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 23.823,69, na aftrek van een korting van € 418,82 in verband met een afwijking in de oppervlakte van 0.81 ha. In het bestreden besluit is de afwijking in de oppervlakte lager vastgesteld op 0.71 ha. In het besluit van 7 september 2012 heeft verweerder de afwijking in oppervlakte nogmaals lager vastgesteld te weten op 0.26 ha, hetgeen leidt tot een korting van € 134,43.

2.

Verweerder stelt dat de subsidiabele oppervlakte van appellants percelen is vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellant opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto’s van 2010, 2011 en 2012. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hem na beoordeling van de luchtfoto’s van 2011 en 2012 in andere procedures van appellant wel is gebleken, dat deze ook voor 2010 aanleiding geven om de geconstateerde oppervlakte opnieuw vast te stellen. Verweerder heeft vervolgens na de heropening van het onderzoek een herberekening uitgevoerd van de geconstateerde oppervlaktes. Uit deze herberekening blijkt dat verweerder nu van mening is dat de afgekeurde oppervlakte kleiner dient te worden vastgesteld, te weten op 0.15 ha met een bijbehorende korting van € 77,56. Voor een grotere vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes is geen plaats. De door appellant genoemde rapporten zien op het jaar 2008 en zijn gebaseerd op de door de AAN-laag achterhaalde oppervlaktes van de PIPO-kaart. Deze meetresultaten kunnen daarom niet worden gehanteerd voor de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag 2010.

3.1

Appellant stelt dat verweerder is uitgegaan van te enge perceelsgrenzen waardoor de beteelbare oppervlakte van appellants percelen te klein is vastgesteld. Verweerder diende voor de subsidiabele oppervlakte uit te gaan van het door appellant voor de bedrijfstoeslag 2008 overgelegde rapport van Oranjewoud en het AID-rapport met betrekking tot hetzelfde jaar. Tevens wijst appellant erop dat verweerder de oppervlaktes van de betrokken percelen in 2012 groter heeft vastgesteld.

3.2

Appellant betoogt daarnaast dat verweerder hem gelet op artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 ten onrechte een sanctie heeft opgelegd. Appellant treft geen schuld aan de onjuistheid van de aanvraag, nu deze is gebaseerd op verweerders informatie.


3.3 Appellant stelt tot slot dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging en dat het een deugdelijke motivering zoals vereist op grond van artikel 3:46 en 3:47 van de Awb ontbeert.

4.1

Het College stelt voorop dat het beroep gelet op het in artikel 6:18 (oud) en 6:19 (oud) van de Awb bepaalde wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2012. Niet gebleken is dat appellant enig belang heeft behouden bij vernietiging van het besluit van 15 december 2011. Het daartegen gerichte beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2

Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 7 september 2012 overweegt het College als volgt. Het College ziet in de herberekening van verweerder van de geconstateerde oppervlaktes aanleiding om dat besluit te vernietigen, nu de hierin geconstateerde oppervlaktes kennelijk onjuist zijn vastgesteld door verweerder.
Het College ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er – zoals appellant stelt – aanleiding is voor het oordeel dat verweerder de afgekeurde oppervlakte kleiner diende vast te stellen dan de thans berekende oppervlakte van 0.15 ha. Dit is naar het oordeel van het College niet het geval. Zoals verweerder terecht stelt kan het AID-rapport over 2008 niet als uitgangspunt dienen voor de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag in 2010, reeds omdat de meetresultaten uitgaan van de PIPO-percelen en niet van de thans gehanteerde AAN-laag. In de PIPO werden immers ten onrechte niet-subsidiabele elementen meegenomen in de perceelsoppervlaktes. Dat de oppervlaktemeting enigszins kan afwijken in de metingen voor opvolgende toeslagjaren is bovendien niet te voorkomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van verweerders nadere vaststelling van de afgekeurde oppervlakte op 0.15 ha.

4.3

Anders dan appellant betoogt betreft de kleinere vaststelling van de oppervlakte geen korting als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Verweerder heeft slechts de oppervlaktes kleiner vastgesteld, waardoor een deel van de opgegeven oppervlakte niet in aanmerking is gebracht voor de uitbetaling van appellants bedrijfstoeslag. Deze grond slaagt niet.

4.4

Voor het oordeel dat geen sprake is van een zorgvuldige belangenafweging of dat het besluit een deugdelijke motivering ontbeert ziet het College evenmin aanleiding.

5.

Het beroep is gegrond. Het College zal het besluit van 7 september 2012 vernietigen en verweerder opdragen om binnen een termijn van zes weken na de datum van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 472,-- (2 punten met een factor 0,5), waarbij is uitgegaan van verleende rechtsbijstand bij het opstellen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting in een zaak die – gelet op het geringe belang hiervan – wordt bepaald op licht gewicht.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 september 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 7 september 2012;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld