Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:322

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/357
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Retributies keuringswerkzaamheden paardenmarkt

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, geldigheid: 2014-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/357

11200

Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2013 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam], appellante

(gemachtigde: F. Hoogveld),

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.G.B. Brons).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een factuur verzonden voor keuringswerkzaamheden.

Bij besluit van 22 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.



Overwegingen

1.

Op 1 september 2011 heeft appellante een aanvraag ingediend voor keuringswerkzaamheden op de paardenmarkt in [vestigingsplaats] op 5 september 2011.

Op 5 september 2011 zijn 6 medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) van 10.00 tot 16.00 uur op de paardenmarkt [vestigingsplaats] beschikbaar geweest voor het uitvoeren van exportkeuringen.
Bij factuur van 30 september 2011 is aan appellante een bedrag van € 4.362,06 in rekening gebracht voor de werkzaamheden. Deze beslissing is gebaseerd op de Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden I, (hierna: de Regeling) zoals die ten tijde hier van belang gold.

Appellant heeft hiertegen op 12 oktober 2011 een bezwaarschrift ingediend en op 25 januari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

2.

In geschil is de vraag of verweerder terecht de kosten van de keuringswerkzaamheden aan appellante in rekening heeft gebracht.

3.

Appellante voert aan dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken. Er zouden inderdaad twee teams aanwezig zijn, zoals in de bestreden beslissing staat vermeld, maar normaliter bestaat een team uit 2 personen zodat verweerder ten onrechte de werkzaamheden van 6 medewerkers heeft doorberekend. Daarnaast zou door de NVWA zijn toegezegd dat capaciteit zou worden teruggetrokken indien ter plaatse zou blijken dat er minder keuringen dan verwacht zouden plaatsvinden. De paardenmarkt in [vestigingsplaats] werd in 2011 voor het eerst door appellante georganiseerd. Voordien organiseerde de gemeente deze markt. Nu op voorhand niet duidelijk was hoeveel paarden zouden worden aangemeld voor een keuring heeft verweerder te kennen gegeven – zo stelt appellante – dat, als er weinig paarden aangeboden zouden worden, er medewerkers naar huis zouden worden gestuurd of dat die uren als opleidingsuren geboekt zouden worden. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

De oorzaak van het tegenvallend aantal keuringen is gelegen in de handelwijze van verweerder bij de keuringen. Verweerder heeft in de visie van appellante tijdens de keuring te strenge eisen gesteld. Handelaren werden overvallen door de combinatie van certificering en controle op de belading. De situatie op de markt is in de ochtenduren geëscaleerd waardoor grote handelaren de keuringen daarna niet meer hebben willen laten uitvoeren. Door de geringe hoeveelheid uitgevoerde keuringen heeft appellante slechts € 490,- ontvangen aan keuringsgelden. Het bestreden besluit houdt in dat zij aan NVWA maar liefst
€ 4.362,06 moet betalen voor de keuringswerkzaamheden. Verzocht wordt de beslissing te vernietigen en te bepalen dat NVWA niet meer in rekening kan brengen dan de werkelijk door appellante ontvangen keuringsgelden.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de keuringen niet strenger is opgetreden dan bij andere markten en dat conform de toepasselijke wet- en regelgeving is gecontroleerd. NVWA heeft evenmin grotere teams ingezet dan gebruikelijk. Net als bij de paardenmarkten in Zuid-Laren en Hedel (waar appellante naar heeft verwezen) bestonden de teams uit drie personen; twee toezichthoudende dierenartsen en één controleur.
Dat capaciteit teruggetrokken zou worden heeft verweerder niet toegezegd en appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke afspraak gemaakt zou zijn. Krachtens de Regeling worden retributies in rekening gebracht, ook als de keuringen uiteindelijk geen doorgang vinden, of als er minder keuringen dan verwacht worden verricht. Dat er minder keuringen hebben plaatsgevonden is niet toe te rekenen aan de NVWA en behoort dan ook tot het risico van de organisator van een paardenmarkt.

De bewuste escalatie waarop appellante doelt is ontstaan doordat een handelaar 80 pony’s wilde vervoeren terwijl een exportcertificaat was afgegeven voor 40 pony’s. Na deze escalatie is ter plaatse intensief overleg gepleegd, ook met de politie erbij, en appellante heeft daarbij nimmer aangegeven dat er sprake zou zijn van een afspraak dat capaciteit teruggetrokken zou worden als er minder aanbod zou zijn. Evenmin heeft appellante te kennen gegeven dat grote handelaren al waren vertrokken en dat er minder keuringen in de middag te verwachten waren. De kosten van de aangevraagde werkzaamheden zijn dan ook terecht conform de Regeling bij appellante in rekening gebracht.

5.

Het College oordeelt als volgt.

5.1

Tussen partijen is op zich niet in geschil dat de medewerkers van de NVWA tijdens de paardenmarkt [vestigingsplaats] op 5 september 2011 conform de destijds geldende wet- en regelgeving hebben gecontroleerd. Het ging daarbij met name om voorschriften met betrekking tot de belading. Dat de wijze van controleren anders zou zijn geweest dan bij andere paardenmarkten is voor het College onvoldoende aannemelijk geworden.

5.2

Uit de stukken blijkt dat er op de paardenmarkt in de ochtend een gespannen situatie is ontstaan. Het ging daarbij om een Belgische handelaar, die shetlandpony’s wilde vervoeren naar België. Hem werd een exportcertificaat geweigerd omdat de beladingsnorm voor paarden, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1/2005, Bijlage I, Hoofdstuk VII, onder A, zou worden overschreden. De toepassing van de in de Verordening opgenomen mogelijkheid om een 20% marge op de beladingsnorm voor jonge pony’s te hanteren, zou daaraan niets hebben veranderd. Appellante heeft ter zitting erkend dat verweerder goede gronden had om op te treden tegen deze bewuste handelaar nu deze met een veel te groot aantal pony’s wilde vertrekken.
Niet in geschil is dat er aanzienlijk minder keuringen zijn verricht dan op een dergelijke paardenmarkt verwacht zou kunnen worden. Verweerder verwijst evenwel terecht naar de Regeling, die voorziet in een starttarief en een tarief per kwartier dat door de dierenarts of een andere officiële assistent aan de werkzaamheden is besteed. Het tarief is uitdrukkelijk niet gekoppeld aan het aantal verrichte keuringen. Dat het incident met de Belgische handelaar invloed heeft gehad op het verdere verloop van de paardenmarkt en mogelijk reden is geweest voor enkele belangrijke handelaren om van de paardenmarkt te vertrekken, is een omstandigheid die naar het oordeel van het College niet in redelijkheid aan verweerder kan worden toegerekend. Verweerder heeft daarin dan ook geen aanleiding behoeven te zien om – gezien het bepaalde in artikel 52 Regeling – de gefactureerde tijdspanne aan te passen.
Dat met de NVWA een afspraak zou zijn gemaakt over het terugtrekken van capaciteit heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Daarbij betrekt het College ook dat niet is gebleken dat appellante na het hiervoor bedoelde incident met de functionarissen van de NVWA in gesprek is gegaan over deze – gestelde – afspraak. Evenmin is aannemelijk geworden dat appellante op dat moment aan verweerder heeft meegedeeld dat er veel minder keuringen meer verwacht werden vanwege het vertrek van de belangrijkste handelaren.

5.3

Het College komt dan ook tot het oordeel dat verweerder op goede grond de kosten van de aangevraagde werkzaamheden in de vorm van retributies in rekening heeft gebracht.


6. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. E.R. Eggeraat en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.

w.g. M. van Duuren w.g. L.C. Bannink