Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2013:319

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/185
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/185

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 29 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst, waarbij verweerder in de gelegenheid is gesteld om een herberekening te maken van de goedgekeurde oppervlakte van de door appellant voor zijn bedrijfstoeslag 2010 opgegeven percelen. Verweerder heeft hierop bij brief van 18 april 2013 gereageerd. Het College heeft partijen om toestemming gevraagd om in deze zaak uitspraak te doen zonder een nadere zitting. Het College heeft de gevraagde toestemming verkregen en het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

1.

Met zijn Gecombineerde Opgave 2010 heeft appellant uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd. Hij heeft daartoe 36 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 215.44 ha (inclusief de bijtelling van een slotenmarge van 1.05 ha) opgegeven en voor uitbetaling aangekruist. Perceel 14 is hierbij opgegeven met een oppervlakte van 10.25 ha en gewascode 259. Deze code staat voor snijmaïs. Bij brief van 17 juni 2011 heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat is gebleken dat perceel 14 niet bij appellant in gebruik is en dat hij het voornemen heeft om appellants aanvraag volledig af te wijzen vanwege een opzettelijk onjuiste opgave. Bij brief van 20 juni 2011 heeft appellant verklaard dat de opgave van dit perceel het gevolg is van een miscommunicatie met zijn adviseur en niet opzettelijk heeft plaatsgevonden.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2010 volledig afgewezen, omdat appellant met opzet een oppervlakte niet goed heeft opgegeven. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen in die zin dat hij de opzetsanctie heeft laten vervallen en appellant alsnog bedrijfstoeslag heeft toegekend. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het bestreden besluit herzien dient te worden, omdat is gebleken dat de geconstateerde oppervlakte 0.20 of 0.22 ha groter dient te worden vastgesteld. In zijn brief van 18 april 2013 heeft verweerder echter laten weten dat sprake is van een misverstand en het bestreden besluit niet behoeft te worden herzien. Er bleek slechts een onjuiste berekening bij het besluit te zijn gevoegd waardoor verwarring is ontstaan. Appellants bedrijfstoeslag is uitgekeerd op basis van de juiste berekening en bedraagt netto
€ 70.390,59. Dit is hoger dan de reeds uitgekeerde netto bedrijfstoeslag van € 63.119,99 die blijkt uit de onjuiste berekening in de bijlage van het bestreden besluit.

3.1

Appellant stelt dat verweerder ten onrechte een korting heeft toegepast van twee maal het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte van perceel nummer 14.

3.2

Het College stelt vast dat uit de op 18 april 2013 overgelegde berekening blijkt dat perceel 14 weliswaar is afgewezen voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten, maar dat verweerder hiervoor geen korting heeft toegepast. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.1

Appellant stelt verder dat de vaststelling van de oppervlakte van de slotenmarge door verweerder onduidelijk is. Dit met name ten aanzien van de vraag of hierbij voldoende rekening is gehouden met de “insteek” sloot in relatie tot de gestelde breedte van meer dan vier meter.

4.2

Aangezien appellant niet concreet aangeeft om welke sloten het hier gaat en waar de slotenmarge onjuist zou zijn toegepast dan wel wat de juiste marge is, geeft dit betoog het College geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het bestreden besluit op dit punt.

5.1

Tevens betoogt appellant dat de verweerder is uitgegaan van te enge perceelsgrenzen waardoor de beteelbare oppervlakte van appellants percelen ten onrechte te klein is vastgesteld. De in beroep door verweerder overgelegde luchtfoto’s zijn te grofmazig, zodat op basis hiervan geen conclusies kunnen worden getrokken over de juistheid van de vastgestelde perceelsgrenzen. Appellant verwijst daarnaast naar de beslissing van verweerder op het bezwaar tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2011 van appellant, waarbij verweerder de oppervlaktes van een aantal percelen groter heeft vastgesteld dan in 2010.

5.2

Verweerder stelt dat de subsidiabele oppervlakte van appellants percelen is vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2010. De aldus vastgestelde oppervlakte is juist. Appellant geeft niet aan welke perceelsoppervlaktes onjuist zijn vastgesteld en waarom dat zo is.

Aan het verzoek van appellant om voor 2010 de geconstateerde oppervlaktes overeenkomstig die uit de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag 2011 vast te stellen, kan verweerder niet tegemoet komen. De subsidiabele oppervlaktes van percelen in verschillende jaren kunnen variëren.

5.3

Het College overweegt dat appellant zijn stellingen ook op dit punt niet concretiseert en verzuimt inzichtelijk te maken welke perceelsoppervlaktes volgens hem onjuist zijn. Met zijn stelling dat de luchtfoto’s te grofmazig zijn om conclusies te kunnen trekken over perceelsgrenzen en oppervlaktes miskent appellant bovendien dat de geconstateerde oppervlaktes per perceel in de bijlagen bij het bestreden besluit zijn aangegeven. Ook dit betoog geeft het College geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het bestreden besluit op basis van de laatst overgelegde berekening bedrijfstoeslag.

Appellants stelling dat de vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes in 2011 anders is dan in 2010, leidt het College niet tot een ander oordeel. De aanvraag om bedrijfstoeslag wordt per jaar beoordeeld en is niet in alle gevallen vergelijkbaar. Dat het resultaat van deze aanvragen in dit geval niet hetzelfde is, leidt dan ook niet automatisch tot de conclusie dat de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag in 2010 door verweerder onjuist was.


6.1 Appellant stelt tot slot dat verweerder gehouden was om een fysieke veldinspectie te laten uitvoeren en dit ten onrechte heeft nagelaten. Hierdoor geeft het bestreden besluit naar zijn mening geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en ontbeert het een deugdelijke motivering zoals vereist op grond van de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht.

6.2

Wat betreft de eventuele noodzaak van een controle ter plaatse in dit geval overweegt het College dat appellant geen concrete argumenten heeft aangedragen die erop duiden dat het vaststellen van de referentiepercelen op basis van de luchtfoto's tot onjuiste of in ieder geval onbetrouwbare resultaten heeft geleid, en dat een controle ter plaatse het geëigende middel is om tot een juiste oppervlaktevaststelling te komen. Het College ziet daarom niet in dat verweerder een controle ter plaatse had moeten verrichten. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel slaagt hierdoor evenmin.

7.

Het beroep is ongegrond.

8.

Het College ziet tot slot aanleiding voor een proceskostenveroordeling vanwege de onduidelijkheid die door verweerders onjuiste bijlage bij het bestreden besluit in het leven is geroepen en die tot extra werkzaamheden heeft geleid van appellant. Het College stelt deze vast op een half punt tegen een waarde van € 472,--, dus op totaal € 236,--.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 236,--;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld